Free Image Hosting at www.ImageShack.usVan Rechts Gezien - Aus Rechter Sicht - Vu De Droite

Teksten uit de Europese nieuwrechtse denkstroming

19 september 2006

CARL SCHMITT door Tom POTOMS op Open Orthodoxie, 19 september 2006.

Van de conservatieve denkers is Carl Schmitt misschien een van de meest omstreden denker. Velen zullen hem dan ook markeren als wegbereider en ideoloog van het nazisme. Anderen kennen de persoon en zijn werk niet zo goed en anderen hebben nog nooit in hun leven van Carl Schmitt gehoord.

Ik zal in dit stuk eerst de persoon en het leven van Carl Schmitt situeren en beschrijven, daarna zal ik overgaan op een begrip dat hij onderschreef, namelijk de zogenaamde “conservatieve revolutie”. Hierna richt ik me op de fictie en feiten over de verhouding tussen Carl Schmitt en het conservatisme, en in het bijzonder die met het nazisme. Wanneer ik over het laatste wat zeg, zal ik tevens een tussenstop in Italië maken.

Leven en werk Carl Schmitt (1888-1985)

Schmitt werd geboren op 11 juli 1888. De datum van 11 juli heeft voor mij als Vlaming een extra toegevoegde waarde, maar goed. De plaats waar hij werd geboren was het Duitse Plettenberg, in Westfalen. Hij studeerde politieke wetenschappen en rechtsleer in de universiteiten van Berlijn, München en Straatsburg. Hij behaalde zijn diploma aan het toen nog (1915) Duitse Straatsburg.

In 1921 werd hij professor aan de universiteit van Greifswald, waar hij zijn eerste belangrijkste essay: Die Diktatur schreef. In Die Diktatur beschrijft hij de toestand van de toenmalige ‘Weimarrepubliek’ en zijn ideeën hieromtrent. In 1919 was hij al in aanraking gekomen met de chaos en anarchie dat het uiteenvallen van het Duitse keizerrijk na de Eerste Wereldoorlog impliceerde. Toen was hij tijdelijk als staatsambtenaar in München actief, toen juist de communistische staatsgreep in Beieren en München plaatsvond, die uitmondde in de zgn. ‘Rätterrepubliek’. Revolutionaire volksbendes bestormden omliggende kantoren en gebouwen en schoten willekeurig officieren, juristen en ambtenaren neer. Carl Schmitt overleefde het, maar het liet toch een serieuze angst voor verzwakking in orde en ‘rule of law and order’ bij.

Schmitt maakt in het essay begrip van een “legale en wettelijke dictatuur, zoals hij zag bij de dictators in Rome, en verschillend van "de autoritaire dictatuursvorm". Als jurist verdedigde hij maar al te vaak, ook in dit werk, artikel 48 van de nieuwe Weimarrepubliek. In artikel 48 staat namelijk dat de president in tijden van instabiliteit en incohensie in de politieke organen, zelf decreten zonder de legislatieve tak mag goedkeuren en laten uitvoeren.

In 1922 werkte hij aan de universiteit van Bonn als universitair medewerker; hier publiceerde hij een tweede belangrijk essay: Politische Theologie. Wie in dit werk een uitgebreide theologische en filosofische behandeling verwacht, komt verraden uit. Schmnitt geeft namelijk in de eerste plaats vooral een uitgebreide behandeling van de Franse contra-revolutionaire schrijvers, zoals Louis De Bonald, Joseph De maistre en de Spanjaard Donoso Cortés. Een jaar later komt hij met zijn Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus waarin hij een duidelijk pessimistische instelling t.o.v. de partijpolitieke democratie weergaf. Hij beargumenteerde dat een parlementaire democratie staat of valt met rationeel denken, en dat in realiteit de uitgevoerde democratie vaak wordt bevochten op irrationele elementen, en vaak met onredelijke akkoorden, afgesloten in “rokerige ruimten, met sigaar en pint”.

Vrijheid is in zijn visie enkel en alleen mogelijk via christelijke, in zijn ogen, katholieke wegen en een christelijk-katholieke moraal. Vrijheid kan niet door politici of door democratie verkregen worden, zoals hij zei: "Bei politischer Scheingleichheit muss ein anderes Gebiet, auf welchem die substanziellen ungleichheitensich dann durchsetzen, heute z.B das Ökonomische, die Politik beherrschen."

Speciaal in zijn essay is ook zijn strikte scheiding van de ideeën van het liberalisme(scheiding der machten) en democratie in de zin van een natuurrechterlijke democratie, waar gehoorzaamheid en standen toch bestaan, en nog eens verwijst hij naar het voorbeeld van de Romeinse Republiek, waar een aantal geclassificeerde personen de macht uitvoeren en de andere groepen gehoorzamen, een soort van ‘balances of standing’ (evenwicht der standen).

En weer bleef Schmitt bij verschillende universiteiten de revue passeren, eerst, in 1926, werd hij professor rechtsleer bij de Hochschule für Politik in Berlijn en in 1932 was hij in Cologne aan het lesgeven.

"Het begrip politiek"

In deze stad – Keulen - werd zijn belangrijkste werk “Der Begriff des Politischen”(het begrip politiek) gepubliceerd. In dit werk geeft hij zijn anti-liberale en anti-modernistische opstelling een nog radicalere toon. Hij kan in dit werk zelfs de meest hedendaagse en dus met een sterk liberaal-modernistische overtuiging, doen twijfelen aan de morele basis van de democratische denkbeelden. Schmitt heeft het in dit werk ook niet alleen maar over het liberalisme als vijand, maar de gehele modernistische opvatting. Hij geeft de staat een aantal taken en benoemt deze ‘het politieke’; het is vergelijkbaar met wat de kerken van autoriteit op vlak van religie.

In het boek geeft hij een weergave van hoe hij denkt dat de geschiedenis in zijn werk gaat, onder andere door zijn theorie van de “opeenvolging der tijdperken en kerngebieden”, in de middeleeuwen ligt de nadruk op de theologie (sofisme); de moderne maatschappij is dan overgegaan op de metafysisca en dan, in de 19de en 20ste eeuw, krijgen we een rare combinatie van romantiek-esthetiek en een economisch-technische tendens. Het is in deze laatste overgang dat Schmitt de negatieve kanten van de moderne maatschappij beschouwt:

"Want de weg van het metafysische en morele naar het economische gaat over het esthetische, en via de nog zo sublieme esthetische consumptie en het nog zo esthetische genot loopt de zekerste en gemakkelijkste weg naar de algemene economisering van het geestelijke leven, en naar een mentaliteit die productie en consumptie als de centrale categorieën van het menselijke leven beschouwt."

Een ander argument tegen de moderne maatschappij en de liberale democratie is dat deze twee principes: een politieke democratie en de verlichtingsideologieën helemaal vanuit een andere grondslag werken en functioneren, politiek is in essentie het streven naar collectieve gemene goed, terwijl de verlichting uitgaat van een individuele wil. In zijn gedachtegang kan een liberale geest op een zuivere politiek alleen maar geminimaliseerd worden tot een strijd tussen economische en technische factoren. Uiteindelijk leiden deze discussies volgens hem tot een ‘gepalaver’ en daardoor heeft niemand nog de moed of de wil om op te komen en te sterven voor het ideaal van ‘de politiek’.

Een belangrijk gegeven in het werk van Schmitt is zeker ook zijn verhouding met de denkwijze van Thomas Hobbes, die bekend is geworden vanwege zijn denkwijze van een seculiere staat waarin de staat de vrede en orde absoluut moet controleren. Schmitt en Hobbes staan op dezelfde lijn wat betreft hun idee van ‘de politiek’. En dat is dat het allemaal te maken heeft met de ‘natuurtoestand’ (de ‘status naturalis’). Maar in het erkennen van de politiek als reflectie van de natuurtoestand duikt al een eerste verschil tussen Hobbes en Schmitt op. Hobbes beschouwt de politiek als een noodzakelijk instrument om die natuurtoestand, wat hij beschouwt als een eeuwigdurende strijd tussen individuen, te bestrijden. Bij Schmitt gaat het om een vriend-vijand-distinctie die exclusief verwijst naar kleine gemeenschappen. Bij Hobbes staat een staat voor het bedwingen van dood en strijd omwille van het beschermen van individuen, terwijl bij Schmitt de ware aard van politiek en de essentie van een politiek doel juist is dat mensen er voor willen vechten en strijden. En indien dat niet zo is betekend dat, volgens Schmitt, dat het politieke systeem geen vertrouwen heeft. En als dat gebeurt heeft politiek geen zin meer, want dan gaat men over naar de meest extreme anti-politieke stellingnames.

Het vriend-vijand-principe van Schmitt is het kenmerk van zijn gedachtegoed, zoals hij zei: "en als dus zelfs de eventualiteit van een onderscheiding van vriend en vijand ophoudt te bestaan, dan is er alleen nog politiek-vrije wereldbeschouwing, cultuur, beschaving, economie, moraal, recht, kunst, amusement, enzovoort, maar geen politiek en geen staat meer."

Als we deze woorden lezen lijken ze veel actueler en belangrijker dan dat het toen geschreven en gepubliceerd werd. Het visionaire in zijn denken is voor mij echt fantastisch en spreekt mij het meeste aan zijn werk. Schmitt verafschuwt dus duidelijk een wereld die zich oriënteert op het amusement en die voortdurend geneigd is om elk conflict te neutraliseren. Deze gedachtegang vinden we ook bij Edmund Burke terug, en in grote mate is het werk van Schmitt, zeker zijn interpretatie van genot en pijn, sterk beïnvloedt door de grote visionair en boegbeeld van elke moderne conservatief, namelijk Edmund Burke.

Conservatieve revolutie

Ondertussen groeide de inpopulariteit van het Weimar-regime en groeide de bewegingen op de extremen van de politiek-ideologische as. Een groepje Duitse intellectuelen begon zich meer en meer te radicaliseren en af te zetten tegen het politieke bewind. De filosoof Armin Mohler verzamelde een heterogene coalitie van nationalisten, anti-verlichtingsdenkers, anti-parlementaristen, monarchisten, en meer rechts-liberale tot conservatieve intellectuelen.

Een echt programma hadden de conservatieve revolutionairen niet en in feite was het maar een mooie verzamelnaam voor een grote groep van sterk uiteenlopende karakters en afkomsten en bovenal ideeën. Het belangrijkste wat hun bijeenbracht was hun afkeer voor het Weimarregime, maar waarom of wat er in de plaats gebracht moest worden, waren ze het allemaal niet eens. Sommigen die onder de brede noemer geplaatst werden, zoals Stefan George, waren dichter, anderen, zoals de elitaristisch-nihilistische Ernst Jünger, waren schrijver. En weer anderen waren militairen, filosofen, arbeiders, enzovoort.

Men zegt vaak dat deze conservatieve revolutionaire denkers wegbereiders waren van het nazisme, maar dan komt rechtsstreeks de vraag: wat is nazisme en fascisme? In Italië is het fascisme ontstaan uit een uiteenlopende groep van Italiaanse intellectuelen, arbeiders en militairen die vanwege de economisch slechte toestand een manier zochten om beter te worden; aanvankelijk waren de toplui van het fascisme (o.a. Mussolini zelf) socialistisch, zelfs marxistisch ingesteld, maar uit ongenoegen van de socialistische partij stapten ze eruit en richten ze, onder leiding van Mussolini een nieuwe fascistische partij op. Naast oud-socialisten kwamen er ook conservatieven, liberalen en nationalisten bij, dit werd het begin van het fascisme in Italië.

In Duitsland kan men ook het nazisme als een brede waaier beschouwen, vele toplui uit de NSDAP waren afkomstig uit linkse hoek, of zeer apolitieke hoek, meestal ging het om gefrustreerde mensen die iets wilden doen om hun leven te verbeteren. Economisch gezien waren de nazi’s ook enorm uitgebreid in stellingname; sommigen waren laissez-faire kapitalistisch, anderen corporatistisch ingesteld. Veel conservatieven zagen in de NSDAP een schuilhaven om toch iets te kunnen doen, zo werkten vele monarchisten mee met de nazi’s, terwijl de meeste lieden uit de nazi-top absoluut republikeins waren ingesteld.

Conservatieven werden misleid en verleid door de nazi’s, en sommige prachtige boeken, zoals Het Spinnenweb, van de vroegere conservatieve Oostenrijkse schrijver Joseph Roth geven dit goed weer. Later zouden de meeste conservatieve denkers toch tot inzicht komen, en werden de meesten anti-nazistisch, en werden ze een kern van het Duitse verzet tegen Hitler en de nazi’s, onder andere Carl Friedrich Goerdeler, Poppitz, Von Beck, Olbricht en natuurlijk Stauffenberg werden de vertegenwoordigers en uitvoerders van de anti-nazistische staatsgrepen, vooral bekend is de aanslag op 20 juli 1944.

Carl Schmitt werd ook verleid door de nazi-beweging en werd lid in 1933, toen hij in Berlijn doceerde, en toen de nazi’s aan de macht kwamen. Ook bezag hij aanvankelijk Hitler als zijn gedroomde ‘Romeins-legalistische’ dictator, en zo verdedigde hij ook, in zijn positie van jurist, de houding van Hitler met betrekking tot de interne putsch binnen de nazi-beweging op de ‘nacht der lange messen’(1934). Schmitt begon zich meer en meer te radicaliseren, en stelde zich voor als een harde anti-semitisch denker, later werd hij echter door een publicatie van een SS-blad in een slecht daglicht geplaatst omdat hij een opportunist, en bovenal, een katholiek was; hij verloor zijn publiekelijke functies, maar bleef toch nog professor aan de universiteit van Berlijn.

In 1945, op het einde van de Tweede Wereldoorlog werd hij door Amerikaanse troepen gevangen genomen en weggevoerd naar een interneringskamp, waar hij tot 1946 bleef. Hierna keerde hij terug naar zijn geboortestad Plettenberg. Hij werd later wat vergeten en was zijn positie in de intellectuele top van toen wat kwijt gespeelt, toch bleef hij in de jaren ’50 onderzoek doen en doceren rond internationaal recht, en hij ontving verschillende persoonlijkheden uit de Duitse en buitenlandse intelligentsia. Op 7 april 1985 overleed Carl Schmitt.

Besluit en conclusie

Carl Schmitt staat nog steeds bekend als een van de meest controversiële denkers in de geschiedenis, vooral met betrekking tot zijn verhouding met het nazisme. Voor conservatieven is hij een beetje een vergeten persoonlijkheid, en velen zijn hem totaal vergeten; in zijn denken vinden moderne conservatieven, en ik spreek voor mezelf, veel inspirerende dingen, die ook een Burkeaans tintje hebben, vooral met betrekking tot zijn denkwijze rond pijn en genot.

Anderzijds vind je als conservatief ook heel wat totalitaire trekjes in zijn denken, het feit dat hij, ondanks hij het niet eens is met Hobbes, maar toch door deze denker werd gefascineerd, zegt al genoeg. Zijn theorie van natuurtoestand heeft hij gewoon van Hobbes overgenomen en dan een wat conservatievere cultuurkritiek bij geplaatst, maar toch blijft ook hij draaien in een modernistisch discours en kan hij niet echt raken aan de fundamenten van het modernisme.

Carl Schmitt is niet anti-revolutionair, maar contrarevolutionair, en dat is wel degelijk een verschil, Burkeaanse conservatieven en traditionele conservatieven zijn sowieso tegen een revolutie, omdat dat de maatschappij nooit goed kan doen, vanwege de feilbaarheid van de kennis en ratio van de mens. Contrarevolutionairen slagen er vaak niet in om de basis van revoluties te bestrijden. Ze slagen er niet in om de fundamenten waarop het is gebouwd neer te halen, en reageren nogal machiavellistisch als ze zelf gebruik willen maken van de modernistische uitvoeringen en middelen zoals revoluties, radicale omwentelingen. En daar zijn anti-revolutionairen sterk bevreesd voor. Want een revolutie in de ene of andere zin is, in analogie met Edmund Burke, nooit goed voor een ‘civil society’.

Een conservatieve invulling van traditionele entiteiten vind je ook minder sterk bij Schmitt terug, omdat hij als jurist teveel aandacht heeft over de werking van de staat, en daardoor verloor hij zijn grootste vijand, al conservatief, een beetje uit het oog.

Vele zaken in zijn denken zijn echter zeer goed, maar ik ben geen anti-democraat; ik geloof in een democratie. Ik geloof niet in de onfeilbaarheid van dat systeem, zoals Churchill ook al zei: “It has been said that democracy is the worst form of government except all the others that have been tried.” Ik steun hem volledig in zijn bewoording: democratie is de minst slechte vorm, maar zeker niet de beste en perfecte. Die kan trouwens nooit bestaan. Ook Andreas Kinneging legt in zijn boek Geografie van goed en kwaad het falen en de negatieve kanten van een democratie uit, vooral met betrekking tot het meerderheidsprincipe waar onlangs ook minister Donner duidelijk laat zien waar een ultra-democratisch denken gevaarlijk kan zijn.

Tom Potoms
Bron: Open Orthodoxie

02 september 2006

The Philosophical Foundations of the French New Right door Michael TORIGIAN in Telos

The Third Way

To understand the French New Right, it is necessary to begin with its identitarian philosophy of history. This philosophy, however, is so entangled in an ideological thicket of critical scorn that it is all but impossible to approach with impartiality. Like revolutionary conservatism, national bolshevism, and various expressions of populism and syndicalism, the French New Right seeks a revolutionary course beyond the Left-Right politics it rejects; and, like these other "Third Way" tendencies, it, too, is routinely compared with the most notorious of the Third Way movements: fascism and National Socialism.(n1) While liberalism, social democracy, and communism, as different expressions of the Left, are not similarly equated (and tainted), there is a certain, if tenuous logic to these comparisons in that all Third Way tendencies oppose the modernist order. Less certain still is the inquisitional intent of these comparisons.(n2) Efforts by Alain de Benoist's GRECE (Groupement de Recherche et d'Etudes pour la Civilisation Europeenne),(n3) the principal French proponent of the Third Way, to challenge the liberal paradigm or to evoke the Indo-European heritage as a spur to cultural renewal, have led to numerous McCarthy-style allegations of Nazism and "Aryan supremacy"(n4) -- even though for thirty years Benoist and his Grecistes have denounced Nazism as a "brown Jacobinism" and have characterized racism as an offshoot of the totalizing modernity they oppose. The greatest obstacle to understanding the Third Way may stem, however, from the fact that these comparisons mistakenly assume that ideology, an "outgrowth of modernity" that reduces the world to itself, and philosophy, which is an opening to the world, are analogous, and that, therefore, the philosophical disposition of a school of thought, such as the GRECE's, can be deduced from its politics.(n5) Since all these stigmatizing comparisons endeavor to delegitimate, rather than to explain such non-conformist tendencies, it is hardly surprising that they also have succeeded in marginalizing them.(n6)



Europe's Identitarian Crisis

An interest in the past generally begins with an interest in the future. As its appellation suggests, the GRECE's interest is European civilization. Unlike globalists and Altanticists, who tout its wealth and economic prominence, Grecistes believe Europe is in decline.(n7) The continent, they argue, is no longer governed by European criteria. Self-serving technocracies, guided by liberal managerial imperatives, now rule its lands with a generic conception of man that disparages its particularistic cultures and historic continuities.(n8) The ensuing weakening of collective identities has been compounded by a stunted system of socialization, educational policies that denigrate traditional standards, a proliferation of social pathologies and cretinizing spectacles, and a vast influx of inassimilable Afro-Asian immigrants.(n9) Buttressed by the liberal "Right" and the Social Democratic Left, as they converge in extolling the virtues of the world market, these technocracies focus almost exclusively on "the battle for exports" and the dictates of globalization, seemingly indifferent to the breakdown of social-cultural solidarities.(n10) Even more deleterious than these technocratic threats to European identity has been the loss of sovereignty that followed in the wake of the "Thirty Years' War" (1914-1945), when Europe was occupied and divided by the two extra-European powers. The fall of the Berlin Wall and the end of the Cold War allegedly altered only the character of this heteronomy. Though accepting Heidegger's contention that the techno-economic civilizations of communist Russia and liberal America were "metaphysically the same," with similar materialist philosophies of history, Grecistes believe the American occupation was the more pernicious: where the Soviets crushed any assertion of East European independence, the US not only occupied Western Europe militarily in the name of defending it, but colonized it culturally in ways that decomposed and Americanized European life.(n11) "A people," Raymond Ruyer has written, "more often perishes by losing its soul than its resources."(n12)

To Grecistes, this seems to be the case today. In their view, the US represents the purest embodiment of liberal modernity, and thus the chief worldwide force for cultural homogenization. Nowhere, they argue, were the modernist principles born in the 18th-century Enlightenment --the principles of equality, rationality, universalism, individuality, economism, and developmentalism -- as thoroughly realized as in the new republic "liberated from the dead hand of the European past."(n13) In this spirit, the US was founded on a concept of its citizenry as autonomous self-interested subjects, homo oeconomicus, oriented to market exchanges and contractual relations, but devoid of high culture or ethnic identification. As such, the denizens of this modernist "enterprise" (constituting a demos, rather than an ethnos) have tended to substitute mercantile conventions for tradition, to define themselves in terms of a materialist way of life, and to elevate "Life, Liberty, and the Pursuit of Happiness," i.e., the monadic conception of freedom, to the pinnacle of their concerns. Any notion of a "people" or of particularistic cultural organisms imbued with historically-shaped destinies, has been entirely foreign to their "national" project.(n14) For this reason, the "culturally-primitive upper class" (Oswald Spengler) of this former colony, in its role as modernity's elect, has been occupied almost exclusively with promoting consumer choice in open markets and enhancing the "rationality" of these choices by disembedding individuals from their communities and ascriptive ties. US power was accordingly imposed on Europe as if the entire continent, not just the US, were frozen in an eternal here and now, concerned solely with matters of economic advantage. Aided by marketing and media lures that circumvented elite structures and catered to the libidinous impulses of mass taste, Europe's postwar Americanization displaced, if not discredited much of the continent's millennial heritage. Grecistes thus look on America as a "murderer" of culture and history, a civilizational no-man's-land bent on turning the world into a single global market where everything is exchangeable.(n15) As Benoist writes, the US "is not like other countries. It is a country that seeks to destroy all others."(n16) This Greciste view of the New World as a cultural threat to the Old World's survival is especially relevant, since many Europeans have succumbed to America's hegemonic designs and have abandoned not a few of their defining particularisms. As John Gray writes,(n17) Europe today "confronts the phenomenon of a culture permeated throughout by a hatred of its own identity."


The Longest Memory

To strip a people of their culture and history, as America's universalist and homogenizing project entails, is tantamount, Grecistes argue, to severing a people's roots, and a people can no more live with severed roots than can a tree. Without a memory of its collective past and the foundational myths that define and distinguish it from others --without, that is, the encompassing forrces that tie a multiple of related individuals to a larger identity -- a people ceases to be a people.(n18) For this reason, Grecistes consider the erosion of Europe's cultural foundations to be the greatest danger facing its civilization. Consequently, the cultural front has become the primary theater of their operations.(n19) In defending Europe's patrimony, their line of march has commenced with a metapolitical assault on the cosmopolitan forces of modernity. Like Antonio Gramsci, they believe that power and politics follow culture, and that Europe continues to betray itself as long as its culture remains infused with anti-European influences. To combat the hegemony of American-style modernity and to instill in their people a will to be themselves, they have taken up a Gramscian metapolitics that treats culture as if it were a strategic high-ground to be contested by "organic intellectuals" beating different views of what it means to be European.(n20) In this spirit, they straggle for a re-Europeanization of the continent.

Unlike conservative and traditionalist critics of liberal modernity, Grecistes' metapolitics attacks what many consider the core religious component of European identity.(n21) From their perspective, the Christian religious heritage constitutes not simply the spiritual foundation of modernity, but an ideology inimical to all forms of indigenous culture.(n22) They point out that Christianity arose in a multicultural world filled with anomie and deracination, that it was multi-ethnic in conviction, and that it rejected all communal particularisms, deigning only to be "in the world, not of it."(n23) Beginning with their affiliation to the early Greco-Roman church, Christians identified with a people and a history (those of the Bible) that were not their own, abandoning, in effect, their native identity. In this spirit, the church's "new covenant" was made between God and all humanity, which gave it a universal, rather than a national mission. Accordingly, history, culture, and ethnicity, from which the complexities of earthly identity are fashioned, have been irrelevant to its adherents, who see themselves as God's children, indifferent to the ascriptions obscuring the equality of every soul and obstructing the spread of His word. As Louis Pauwels puts it, Christians have no patrie, only God's promise land.(n24) Relatedly, in focusing on the hereafter, their salvational calculous neglects the holistic communal relations that animated pagan religiosity and nurtures a social ideal radically opposed to the classical idea of tradition, hierarchy, and hearth.(n25) By privileging individual salvation and deprecating attachment to everything unrelated to redemption, Christianity prepared the way for egoistic and, ultimately, anti-identitarian social forms.(n26)

Even more consequential in Grecistes' eyes is Christianity's dualistic cosmology. Unlike pagans, Christians see the natural world not as the body of the gods, infused with the sacred, but as a creation called forth out of nothing by a transcendent Creator who stands outside and above it. By sharply differentiating between creation and Creator --making the latter the source, not the result, of the former, as pagans held -- they posit the primacy of the God who created, rules, and eventually will preside over the end of the world. Subordinated to this Supreme Being, man's world becomes comprehensible solely in terms of His logos: i.e., in terms of the divine rationality ordering creation. Accordingly, all world events and all human actions, despite their apparent incoherence and antagonism, partake in the logos' universality. This belief in the raison du monde makes Christianity, like Judaism, an ultra-rationalist religion, with "all aspects of man's life [subject to] a myriad of prescriptions, laws, and interdictions."(n27) Moreover, by replacing the sacred, mythic elements of pre-Christian Europe with the logos' higher rationality, and by conceiving of divinity in otherworldly terms, the cosmos is desacralized, nature objectified, and creation devalued.(n28) Apart, then, from God, the Christian world is drained of significance; what Max Weber refers to as "disenchantment" is, for Grecistes, an innovation not of modern rationalism, but of a cosmology that separates an all-perfect Creator from a creation that imperfectly reflects Him.(n29)

From Christian dualism, an entirely new view of time emerges. Because man (in the form of "Adam and Eve") tainted creation by disobeying God, Christians look on history as a tale of his fallen state.(n30) Their "logocentric" intent is hence directed beyond the "vale of tears" to the end of time, when man, or at least the saved among men, are to be returned to His grace.(n31) "Instead of being [a] religion of life, here and now," Christianity, as one of the great modern pagans characterizes it, becomes a "religion of postponed destiny, death and reward afterwards, 'if you are good'."(n32) This finalist (or eschatological) vision of history, whose culmination is to be the Last Judgement, Genesis' antipode, gives rise to Christianity's unilinear conception of time, in which the present issues from a former determination and the future follows the "path of time" to something better. Within the frame of this irreversible progression -- running from the fall to salvation, from the particular to the redeeming universal -- time ceases to function as a recurring cycle of nature and becomes a vector whose continuous temporality ascends from creation (occurring but once), to Moses, to Jesus, to the Resurrection, and, finally, to the world's end. History is thereby homogenized into a sequence of successive now-points, with events seen as different stages in salvation's progression along this ascent, each stage representing a present ("the now") distinct from a past ("the no-longer now") and a future ("the not-yet-now").(n33) With the advent of Christianity, then, the nature of historical enquiry undergoes a radical change, as the mythic adjunct of a specific cultural tradition (history) is transformed into the study of a creation that irreversibly progresses as an essentialist-defined being traverses a fixed course of becoming.(n34)

Because it posits a rational necessity underlying history's "progression," Grecistes believe the Christian concept of history has the cultural-ontological effect of denigrating the past and locking man into an abstract temporal continuum whose single possible outcome corrupts "the innocence of becoming" (Nietzsche). Modernity, they add, gives this concept a no less determinist cast, for Christianity's secular progenies, liberalism and Marxism, have allegedly embraced a similar "telos of redemption" -- framed in materialist, rather than spiritual terms, with the GNP replacing Jesus as the chief idol, happiness as salvation, and reason as faith, but, nonetheless, understood as the progressive development of a purposeful teleology that supersedes the past's errant legacy.(n35) In other words, modernists, refuse Christian appeals to transcendent values only to re-establish them in immanent ones.(n36) They might have emptied the heavens of the gods, but their rationalist notion of history is still simply another expression of a supra-historical process governed not by life, but by a metaphysics that seeks light and vision from what lies ahead -- in this case, "the global triumph of economic rationality."(n37) Moreover, in the form of the now discredited, though still implicitly dominant Whig and Marxist interpretations, modernist historiography not only gives new impetus to the teleological impulse of the linear view by dismissing the "no longer present" and by privileging the Great Narrative whose telos is the universal and timeless, it deprecates all particularisms, concerned as it is with the single evolutionary goal to which progress or class struggle (the secularized equivalents of the divine logos) is heading and the universal solution this logos messianically offers for all social, moral, and political problems. The developmental impulse of this historiography assumes, as a consequence, a directional, uniform, and causal form that optimistically anticipates a more rational and perfect future.(n38)

Against the Christian/modernist concept of history, which "dialectically" negates an erring past in the name of an expiated future, Grecistes adopt the perspective of the longue duree, evoking from the continent's primordial origins its longest memory, which "rises up in us whenever we become 'serious'."(n39) In privileging the immemorial of Europe's past, this millennial perspective presupposes a tradition of community whose organic, cultural, and mythic references reach back into the far recesses of time and encompass all the European peoples.(n40) From this heritage, Grecistes hope to differentiate between what is properly European and what has been imposed as a foreign, self-denying admixture. The question immediately arises, though, as to how cogent it is to think of Europe as comprising such a community. Scholarly convention long held that the ancient Near East prepared the seed bed of European culture, and that Europe's very existence stemmed not from itself, but from another civilization. Grecistes, however, dismiss this ex oriente lux thesis, claiming it reflects the deracinating impulse of Christian/modernist universalism and a hostility toward native culture.(n41) Therefore, they reject the prevailing accounts that situate Europe's roots in the Euphrates River valley -- "We come from the people of The Iliad and the Edda, not the Bible" -- and argue instead for the integrity of European origins.(n42) In this, their historiographical apostasy, they have been especially fortunate in not having to await the vindication of another Schliemann or Evans, for recent archeological advances, especially the radiocarbon dating of Colin Renfrew and his team at Cambridge, already have uncovered evidence for the autochthonic origins of European civilization. This, in turn, has provoked a major revision in prehistorical studies, reframing them in terms that more closely accord with the GRECE's "Eurocentrism."(n43) And while this revision does not detract from Near Eastern achievements, it should, Grecistes argue, alter the conventional view of the continent's "barbarian" origins and its alleged debt to non-European sources.(n44)

Grecistes further contend that the historiographical disparaging of archaic Europe, with its culturally negative implications, pales in comparison to the indifference or hostility shown to its Indo-European founders. Despite their pivotal role in prehistory and the popular interest they continue to generate, their study is largely ignored in current university curriculum. Stigmatized by the Nazis' Aryan cult, the Indo-Europeans are studied today in but a few universities, and there only on the margins of what already are marginalized disciplines. Yet they, especially their Celtic, Germanic, Slavic, Latin, and Hellenic families, are the ones, Grecistes claim, out of whom the bedrock of European culture was formed. This emphasis on the "Aryan" core of European sensibilities has, to be sure, armed their critics, adepts at reductio ad Hitlerum, with potentially explosives charges. But this emphasis is cultural, rather then biological, and is made not because Grecistes rate the Indo-Europeans "superior" to other peoples or consider them to be the progenitors of white racial purity, as did Hitler, but because, like Luther, they cannot do otherwise.(n45) For better or worse, Europe's identitarian roots are those of the peoples who conquered its lands in the 2nd millennium BC, establishing the fundament of its languages, culture, and history. As such, the Indo-Europeans testify to Europe's historical specificity and stand as a challenge to the cosmopolitan pretences of modernists and Christians. Yet, in singling out the Indo-Europeans, Grecistes rekindle not only the compromising associations the Nazis brought to them, they commit themselves to an intellectually daunting enterprise. When they began formulating their metapolitical strategy in the late 1960s, Indo-European studies were virtually unknown within the French intelligentsia, even though France was home to one of the great Indo-Europeanists.(n46) Moreover, for the longest time (and still today), Indo-European studies were mainly philological, unamenable to the sort of cultural project they hoped to pursue. Only with Georges Dumezil's work in the late 1930s -- largely neglected until the GRECE popularized it -- did it become possible to infer anything significant about the sociocultural character of Europe's root peoples and challenge the ex oriente lux thesis.(n47)

Working with a knowledge of twenty Indo-European languages and employing methods that up to then had been reserved for historical linguistics, Dumezil spent a life time comparing the mythological and literary remains of the different Indo-European peoples. In these comparative studies, embracing sixty books and several hundred articles, he related details gleaned from the Rig Veda, the Homeric epics, the Irish tales of Cuchulainn, the Norse sagas, and other Indo-European literatures to patterns or configurations that seemed to make up shared wholes and to point to a common origin (or to what Claude Levi-Strauss, in his decontextualized and dehistoricized adaptation of Dumezil's approach, called "structures").(n48) The most significant achievement of these studies was the discovery of a "tripartite ideology,"(n49) which, he claimed, shaped the way Indo-Europeans organized their societies, ordered their values and envisaged their religious pantheons. The discovery of tripartition constituted what is arguably the key event in modern Indo-European studies, for the presence of a common world-view "proves," in effect, that these peoples were not merely a language group, but also a culture.(n50) Derived from linguistic and literary sources, Dumezil's discovery rests empirically on the historical existence of three castes of men -- sages, warriors, and producers --representing the three "functions" or orders responsible for regulating Indo-European society. These functions allegedly gave the Indo-Europeans their distinct cultural style, and later influenced the different national families branching off from their trunk.(n51) Although features of this ideology have been found among certain other peoples, Dumezil claimed it was institutionalization, and assumed conscious articulation only among Indo-Europeans, making it the defining element of their culture and the essence of their "living past."(n52)

In the Grecistes' reading of Dumezil, the tripartite ideology sanctioned principles that not only accorded with Indo-European sensibilities, but enabled the highest representatives of their people to govern, i.e., the wise men and priests who performed the sacred rituals and remembered the old stories, and the warrior aristocrats upon whose courage and self-sacrifice the community's survival depended. By contrast, farmers, stock-herders, craftsmen, traders -- the producers -- were relegated ideologically to the lowest social order (the third caste) and refused sovereign authority. In thus conditioning the European mentality, tripartition made wisdom and courage more important than economic-reproductive functions. It also gave culture its high symbols and the power of its defining ideals, pride of place above all other pursuits, unlike modernity's inversion of these values.(n53)

Yet, however crucial its role in constituting the basis of European civilization, the tripartite ideology represents but a single facet of the Indo-European heritage to serve as a Greciste foil to the liberal order. The "folk-centric, world-accepting" values animating the Vedic, Homeric, Roman, Celtic, and Germanic traditions of pre-Christian paganism, most of whose pantheons reflect the tripartite ideology, play a no less important role. Because these pagan values and the religiosity they inspired implicitly repudiate Christianity's "world-rejecting" monotheism, Grecistes look to them as a way of "returning to ourselves" and of finding there a spirituality appropriate to Europeans disoriented by the disparity between their native identity and the universalist dictates of the Christian/modernist project. This validation of pagan values does not, however, mean that Grecistes have taken to worshipping Zeus and Odin. Instead, their metapolitical activities endeavor to recuperate paganism's nominalist avowal of difference, its theophany of the natural world, its heroic, aristocratic conception of man, its marriage of aesthetics and morality, and, above all, its pluralistic rejection of biblical dualism -- in order to counter the liberal anti-identitarian currents they oppose.(n54) Not unrelatedly, their rejection of the linear conception of history and its unidimensional view of the world follows largely from this adherence to pagan values.


The Wellspring of Being

The difference between mythos and logos best illustrates the spiritual divide separating Judeo-Christian dualism, with its linear historical vision, from the cyclical, open-ended holism of Indo-European paganism.(n55) In siding with mythos, whose metaphoric images evoke perspectival "truths" unfathomable to analytic method, Grecistes take up what they consider to be the more cogent tradition. Although Christianity initially succeeded in branding pagan myth, in contrast to its own alleged historical foundations, as inherently fictitious, representing the fears and irrationalities of early man, the truth claims of mythos (not to be confused with mythology) are no less compelling than those of logos, whose rationalist procedures of thought (i.e., logic) are "an invention of schoolteachers, not philosophers."(n56) Grecistes further point out that all thinking is mythic in form, since thought is conceptual, based on images signifying objects and processes ultimately incommensurate with their representation, and thus subject to interpretation. They even note that logos itself was originally simply a phase, another of mythos' expressions, for the image of the idea precedes and is frequently more pregnant than its discursive formulation.(n57) This makes mythos not the opponent of reason, but rather its metaphoric expression, which logos later renders into the objectivist terms of a subject whose conception of the world derives from a free-floating intellectualism. Finally, as logical proposition ignoring the perspectival nature of truth, logos differs from mythos in saying nothing about the meaning of the world, and thus of man's historicity.

Contrary to Christians and modernists, Grecistes claim that mythos (or myth) has little to do with an irrational rendering of a fantasized past. Instead, its main function is to explain how the chaos inherent in the world becomes the cosmos of specific cultural traditions. In this sense, myth immortalizes those "exemplary precedents," however encrusted with legend and poetry, that once occurred and reoccur whenever a people, in response to what becomes the paradigmatic themes of its heritage, imposes its order upon the world.(n58) Fictitious or not, these primordial acts embody "truths" about the nature of reality that elude formylaic or analytic proposition, based as they are on a culture's interpretative encounter with it. Through the mythic inscription of these truths and the heritage they found, the fundament of a culturally defined existence is perpetuated. As such, myth treats the past as a living trace, and transmits not the ancient, but the permanent in a heritage, establishing a framework of continuity that renders discontinuity and innovation into a coherent history of tradition. As Mircea Eliade explains, myth is "creative and exemplary," revealing how things come to be, defining their underlying structures, and suggesting the multiple modalities of being they imply.(n59) It does not describe reality "objectively," but roots it in a heritage of significance that prescribes and affirms it as a manifestation of original being. Intuitively seized by its believers, mythic truth enables man to engage his world and to participate in its re-creation.(n60) Its teachings are thus existentialist, not essentialist; they can never be refuted, only rejected.(n61) Indeed, myth has little to do with the rationalist notion of truth (verum), for its power resides not in its correspondence to an object's noumena, but in its aesthetic accordance with a state of soul and in its capacity to inspire man's being with certum.(n62) In this vein, it can be argued that the mythic revelations inscribed in the Voluspa or the Tain Bo Cuailnge are as cogent as the scientific verities Of the Origin of Species or the Principia Mathematica. Both as existentialist postulate and "child of the imagination," myth apprehends those certitudes which tradition accepts as true. For Benoist, it is what justifies existence.(n63)

Likewise, the paradigmatic principles elaborated in mythic accounts of origins generate the unquestioned presuppositions legitimating a people s historical vocation.(n64) Its certitudes are summoned whenever a people attempts to re-create its world and hence itself. If there is no myth to preserve the particular truth of its original being -- the particular truth (or illusion) that overcomes the world's chaos and creates the values sustaining its will to power -- there can be no re-creation. And if there is no re-creation, there can be no destiny, and no people.(n65) In other words, myth orients a people in the regeneration of its world through an affirmation of its original inception. Without myth, "every culture loses the healthy natural power of its creativity," for it is the creative and exemplary force of myth that alone prompts a people to forge their common values into a destiny that presses "upon its experiences the stamp of the eternal."(n66) Mythic time is correspondingly reversible, as the origins it recounts are repeated in each act of renewal.(n67) Myth, in sum, knows no immutable truth, yet serves as a source of meaning and certitude in an inherently meaningless and uncertain world.(n68)

Not coincidentally, the first major thinker to lend himself to the GRECE's historiological project was Nietzsche, for his rejection of the Western metaphysical tradition and his embrace of the old Greek myths to counter the rationalism of the "dialecticians" (Socratic, Christian, or modernist) anticipates many of the Grecistes' own concerns. More importantly, in its appeal to "we good Europeans,"(n69) his philosophical opus is steeped in historiological issues pertinent to the problems of cultural renewal and historical fatigue. From these have emerged not only the most profound and the least understood of his ideas -- the thought of Eternal Return -- but also the inspiration for the Grecistes' confrontation with the finitudes and determinisms of the Christian/modernist project.

Contrary to the usual interpretations, Eternal Return does not imply a literal repetition of the past. It is an axiological, not a cosmological principle, representing the will for metamorphosis in a world that is itself in endless metamorphoses. In fact, it is a principle of becoming that knows neither beginning nor end, but only the process of life returning to itself. As such, Eternal Return affirms "will to power" --characteristic of the mythic spirit off Indo-European paganism -- and not the dialecticians' negation, sublation, and evolution which follow logos in cleaving to an objective and thus otherworldly truth. Against the dialecticians' narrow fixation on reason and self-preservation, Nietzsche exalts life's ascending instincts and the old noble virtues that sought to forge those instincts into a heroically subjective culture. Homer's Greeks, he well knew, were dead and gone. Yet, whenever "the eternal hourglass of existence is turned upside down," "opening" the future to the past, he thought the epic spirit, as that which bears returning, might be roused and something analogously creative achieved.(n70) Life, he argued, is not a predetermined and timeless essence with an inscribed telos. As being, it is becoming, and becoming is will to power. Eternal Return represents an affirmation of man's original being, an assertion of his difference with others, and, in its infinite repertoire of exemplary past actions, the anticipation of whatever his future might hold. In this sense, its recurring past functions as a "selective thought," putting memory's endless assortment of experience in service to life. Man has only to envisage a future similar to some select facet of the past to initiate its realization.(n71) The past cannot exist, then, as a momentary point on a line, a duration measurable in mechanical clock time, understandable as an onward succession of consecutive "nows." Rather, it recurs as a "genealogical" differential, whose origin inheres in its wilful assertion and becomes recoverable for futural re-enactments that seek to continue life's adventure.(n72) In a word, the past never ends. It returns in every successive affirmation of will, in every conscious exertion of memory, in every instant when will and memory become interchangeable. This makes it reversible, repeatable, and recoverable.

Moreover, the past of Nietzsche's Eternal Return is of a whole with other temporalities. One can never be younger, but as time advances, the future recedes. In the present, these temporalities meet. Consequently, the human sense of time encompasses an infinity of temporalities, as past, present, and future converge in every passing moment. And since this infinity is all of a piece, containing all the dimensions of time, as well as all the acts of man, affirmed in their entirety "whenever we affirm a single moment of it," the present acts as an intersection, not a division, between past and future.(n73) Linked to this polychronous totality, man's will accesses time's infinity, where there is no prescribed end. As to historical teleology or finality, for Nietzsche they are merely a derivative of Christian/modernist nihilism, with its indifference to life's temporal play. In response to the prompting of his will, it is man, as he participates in the eternal recurrence of his original affirmation, who imposes order on the world's underlying chaos, and man alone who shapes the future -- not some external, supra-human force that goes by the name of God, Progress, or the laws of Historical Materialism.(n74) In the spirit of the ancient Hellenes, who treated life's transience as the conjuncture of the actual and the eternal, of men and gods, Nietzsche's Eternal Return testifies to the completeness of the present moment.(n75)

In addition to affirming willful action, Nietzsche's breaks with linear temporality infuses man with the idea that he always has the option of living the thought of Eternal Return. Just as every past was once a prefiguration of a sought-after future, every future arises from a past anticipation, that can be anticipated again. "The impossible," as teleologically decreed, "is not possible."(n76) Indeed, in seeking to overcome that which resists, life's will to power is manifested. Only belief in the underlying unity and purpose of "creation," the logos, resigns man to time's alleged eschatological properties. Nietzsche's Ubermensch, the antithesis of modern man, is steeped in the longest memory, not because he bears the accumulated wisdom of the past, but because he rejects the weariness of those governed by an imagined necessity and instead imposes his will, as an assertion of original being, upon the vagaries of time.(n77) This validation of ancient affirmations that identifies being with becoming should not, however, be taken to mean that the genealogical spirit of mythic origins -- the spirit of an eternally open and purposeless world subject solely to the active force of will -- gives man the liberty to do whatever he desires. The limits he faces remain those posed by the conditions of his epoch, as well as by his nature. In the language of social science, Nietzsche fully acknowledges the inescapable constraints of structures, systematic forces, or what Comte called "social statics." Yet, within these limits, all that is possible is possible, for man's activities are always prospectively open to the possibilities inherent in the moment, whenever these possibilities are appropriated according to his own determinations: i.e., whenever man engages the ceaseless struggle that is life. "Necessity," Nietzsche argues, "is not a fact, but an interpretation."(n78) What ultimately conditions historical activity is less what acts on man from the outside ("objectivity") than on what emanates from the inside (will), as he "evaluates" the forces affecting him. Nature, history, and the world may therefore affect the way he lives, but not as a "mechanical necessity."

Given this rejection of immanent and transcendental determinisms, Nietzsche's concept of history is far from being a literal recapitulation of the traditional cyclical concept. According to Eliade, the thought of Eternal Return found in archaic societies implies an endless repetition of time, i.e., another sort of "line" (a circle) or necessity refusing history.(n79) By contrast, Nietzsche eschews time's automatic repetition by seeing Eternal Return in non-cyclical, as well as non-linear terms. The eternity of the past and the eternity of the future, he posits, necessitate the eternity of the present, and the eternity of the present cannot but mean that whatever has happened or will happen is always at hand in thought, ready to be repotentiated.(n80) In assuming that being is becoming, chance the verso of necessity, and will the force countering as well as partaking in the forces of chaos, the eternity of the Nietzschean past inevitably reverberates in the eternity of the future, and does so in a life-affirming manner.(n81) The past of Eternal Return is thus nostalgic, not for the past, but for the future.

As Grecistes understand it, Nietzsche's concept of historical time is spherical. In time's "eternally recurring noon-tide," the different temporal dimensions of man's mind form a "sphere" in which thoughts of the past, present, and future revolve around one another, taking on new significance as each of their moments becomes a center in relation to the others. Within this polychronous sphere, the past does not occur but once and then freeze behind us, nor does the future follow according to determinants situated along a sequential course of development. Rather, past, present, and future inhere in every moment, never definitively superseded, never left entirely behind.(n82) "O my soul," his Zarathustra exclaims, "I taught you to say 'today' as well as 'one day' and 'formerly' and to dance your dance over every Here and There and Over-There."(n83) Whenever the Janus-headed present alters its view of these temporalities, its vision of past and future simultaneously changes. The way one stands in the present thus determines how everything recurs.(n84) And since every exemplary past was once the prefiguration of a sought-after future, these different temporalities have the potential of coming into new alignment, as they phenomenologically flow into one another. Recollected from memory and anticipated in will, the past, like the future, is always at hand, ready to be re-realized.(n85) As this happens, and a particular past is "redeemed" from the Heraclitean flux to forge a particular future, the "it was" becomes a "thus I willed it."(n86) In this fashion, time functions like a sphere that rolls forward, toward a future anticipated in one's image of the past.(n87) Existence, it follows, "begins in every instant; the ball There rolls around every Here. The middle [i.e., the present] is everywhere. The path of eternity is crooked."(n88) Moreover, this recurrence goes beyond mere repetition, for the re-enactment of an archaic configuration is invariably transfigured by its altered context. Likewise, the conventional opposition between past and future gives way before it, as the past becomes a harbinger of the future and the future a recurrence of the past.

When the man of Eternal Return, who rejects the resentment and bad conscience of the teleologists, steps fully into his moment, Nietzsche counsels: Werde das, was Du bist! He does not advocate the Marxist-Hegelian Aufhebung, liberal progress, or Christian salvation, but a heroic assertion that releases him from the nihilistic or deterministic exhaustion of the present and imbues him with the archaic confidence to forge a future true to his higher, life-affirming instincts. Becoming what you are thus entails both a return and an overcoming. Through the longest memory, man ("whose horizon encompasses thousands of years past and future") returns to and thus transvalues the spirit of those foundational acts which marked his ancestors' triumph over the world's chaos; at the same time, this memory shaping his sense of history aids him in overcoming the resentment that dissipates his will and the bad conscience that leaves him adrift in the random stream of becoming. In the process, the will to power implied in Eternal Return compels him to confront what he believes to be the essential and eternal in life, imparting, in turn, something of the essential and eternal to the "marvelous uncertainty" of his own finite existence, as he goes beyond himself in imitating the gods. In this way, wilful becoming defines the character of his being, as the return of the essential and the eternal reaffirms both his origins and the values -- the mode of existence -- he proposes for his future. Since such a disposition is framed in the genealogical context of a primordial origin, Eternal Return does not foster an atomized, discontinuous duration, in which becoming is out of joint with being, but a self-justifying coherence that unites individual fate and collective destiny in a higher creativity--even if this "coherence" is premised on the belief that the world lacks an inherent significance or purpose. Based on a select appropriation of the past that serves as a principle of value, each individual act becomes inseparable from its historical world, just as the historical world, product of multiple individual valuations, comes to pervade every individual act. "Every great human being," Nietzsche writes, "exerts a retroactive force: for his sake all of history is placed in the balance again."(n89) Whenever, then, the thought of Eternal Return puts the past and future in the balance, as the present casts its altering light on them, it reestablishes "the innocence of becoming" which allows the active man, the heir to past valuations, to decide his own fate -- in contrast to the life-denigrating man of mechanical or teleological necessity, who fixes his past and awaits his future as if the world's course were already ordained.(n90)

The final, and today most important component of the GRECE's historical philosophy comes from Heidegger, whose anti-modernist thought began to influence its metapolitical project, and to supplant that of Nietzsche in the early 1980s.(n91) Like the author of Zarathustra, Heidegger rejects Christian/modernist metaphysics and views man and history, being and becoming, as inseparable and incomplete. The past is gone and will not return, but its significance is neither left behind nor ever permanently cast. Further, when experienced as authentic historicity, it "is anything but what is past. It is something to which I can return again and again."(n92) Thus, while the past belongs "irretrievably to an earlier time," it may still exist in the form of a heritage or an identity that is able to 'determine 'a future' 'in the present."(n93) In this spirit, Heidegger claims "the original essence of being is time."(n94)

Unlike other species of sentient life, Heideggerian man has no predetermined or ultimate ontological foundation: he alone is responsible for his being and its potentiality. Indeed, he is that being whose "being is itself an issue," for his existence is never fixed or complete, but open and transient.(n95) He alone leads his life and is, ipso facto, what he becomes. Man is thus compelled to "make something of himself," and this entails that he "care" about his Dasein. As being-in-the-world, i.e., as something specific to and inseparable from a historical-cultural context, human Dasein is experienced as an on-going possibility (inner, rather than contingent) that projects itself toward a future that is "not yet actual." Relatedly, the possibility man seeks in the world into which he is "thrown" is conditioned by temporal conditions, for time is not only the open horizon against which he is thrown, it is the ground on which he realizes himself. Because time "draws everything into its motion," the possibility man seeks in the future (his project) is conditioned by the present situating him and the past affecting his sense of possibility. Dasein's projection cannot, then, but come "toward itself in such a way that it comes back," anticipating its possibility as something that "has been" and is still present at hand.(n96) The three temporal dimensions (ecstases) of man's consciousness are, therefore, elicited whenever some latent potential or possibility is pursued.(n97) Birth and death, along with everything in between, inhere in all his moments, for Dasein equally possesses and equally temporalizes past, present, and future, conceived not as fleeting now-points, but as simultaneous dimensions of mindful existence.(n98) And though it occurs "in time," Dasein's experience of time -- temporality -- is incomparable with ordinary clock or calendar time, which moves progressively from past to present to future, as the flow of "nows" arrive and disappear. Instead, its temporality proceeds from the anticipated future (whose ultimate possibility is death), through the inheritance of the past, to the lived present. Thus, Dasein's time is not durational, in the quantitative, uniform way it is for natural science or "common sense," but existential, i.e., experienced ecstatically as the present thought of an anticipated future is "recollected" and made meaningful in terms of past references.

Because the "what has been, what is about to be, and the presence" (the "ecstatical unity of temporality") reach out to one another in every conscious moment and influence the way man lives his life, Dasein is necessarily infused with the historical. "History," however, should not to be confused with the sum of momentary actualities" which historians fabricate into narratives; rather, it is "an acting and being acted upon which pass through the present, which are determined from out of the future, and which take over the past."(n99) When man chooses a possibility, he makes present what he will be through an appropriation of what he has been.(n100) This decision has nothing arbitrary or willful about it, but follows from the process that allows him to open himself to and "belong to the truth of being," as that truth is manifested in its ecstatical unity. For the same reason, this decision does not imply the past's triumph over the present and future, for it is made to free thought -- and life -- from the inertia of what already has been thought and lived.

Man's project has little to do with causal factors acting on his existence from "outside" (what in conventional history, which Heidegger calls Historie,(n101) is the purely factual or "scientific" account of past events), and everything to do with the complex ecstatical consciousness shaping his view of possibility (i.e., with the ontological basis of human temporality, Geschichte, which "stretches" Dasein through the past, present, and future, as Dasein is "constituted in advance"). Because this ecstatical consciousness allows man to anticipate and to authenticate his future, Dasein remains constantly in play, never frozen in an external world of essences or bound to the linearity of subject-object relations. Further, the events historically situating it do not happen "just once for all nor are they something universal," but represent past possibilities that are potentially recuperable for futural endeavors. The notion of an irretrievable past simply does not make sense for Heidegger, for the past is always at hand. Its thought and reality are irreparably linked: its meaning is part of man, part of his world, and invariably changes as his project and his perspective changes. The past, then, is not to be seen in the same way as a scientist observes his data. It is not something independent of belief or perspective that can be grasped wie es eigentlich gewesen. Rather, its significance (and even its "factual" depiction) is mediated and undergoes ceaseless revision as man lives and reflects on his lived condition.(n102) This frames historical understanding in existential terms, with the "facts" of past events becoming meaningful to the degree that they belong to his "story," i.e., when what "has been" still "is" and "can be." In Heidegger's language, projection is premised on thrownness. While such an anti-substantialist understanding of history is likely to appear fictitious to those viewing it from the outside, "objectively," without participating in the possibilities undergirding it, Heidegger argues that all history is "experienced" in this way, for what "has been" is meaningful only to the degree that it is recuperable for the future. As long, therefore, as the promise of the past remains something still living, still to come, it is not a disinterested, apriori aspect of something no longer present. Neither is it mere prologue, a stepping stone leading the way to a more rational future, but something with which we have to identify if we are to resolve the challenges posed by our project, for only knowledge of who we have been enables us to be who we are.

Like Nietzsche, Heidegger believes that whenever Dasein "runs ahead toward the past," the "not yet actual" opens to the inexhaustible possibilities of what "has been" and what "can be." He also follows Nietzsche in viewing the regenerative impulses of mythic time as inherent to history. In thus emphasizing man's inherent temporality, both Heidegger and Nietzsche reject the abstract universalism of the mechanical and teleological conceptions of becoming (suitable for measuring matter in motion or the Spirit's progression toward the Absolute), just as they both dismiss decontextualized concepts of being (whether in the form of the Christian soul, Descartes' ego cogito, Marx's species man, or Rawls' disembodied individual). Heidegger, however, differs from Nietzsche in making being, not will, the key to temporality. Nietzsche, he claims, neither fully rejected the metaphysical tradition he opposed nor saw beyond beings to being.(n103) While denying modernity's faith in progress and perpetual overcoming (the Aufhebung which implies not only transcendence, but a leaving behind), Nietzsche's "will to power" allegedly perpetuates modernity's transcendental impulse by positing a subjectivity that is not "enowned" by being. As a possible corrective to this assumed failing, Heidegger privileges notions of Andenken (the recollection that recovers and renews tradition) and Verwendung (which is a going beyond that, unlike Aufhebung, is also an acceptance and a deepening) -- notions implying not simply the inseparability of being and becoming, but becoming's role in the unfolding, rather than the transcendence of being.(n104)

Despite these differences, the anti-metaphysical, anti-modernist aims Nietzsche and Heidegger share makes them both apposite allies of the GRECE's philosophical project. This is especially evident in the importance they attribute to becoming and to origins. Heidegger, for example, argues that whenever being is separated from becoming and deprived of temporality, as it is in the Christian/modern logos, then being (in this case, abstract being, rather than being-in-the-world) becomes identified with the present, a now-point, subject to the determinisms governing the inorganic objects of Newtonian physics.(n105) This implicit denial of ecstatical temporality allegedly causes the prevailing philosophical tradition to "forget" that being exists in time, as well as space, and is not an essence posited by God or the laws of nature.(n106) By rethinking being in terms of human temporality and restoring it to becoming, Heidegger, like Nietzsche, makes time the horizon of all existence, thereby freeing the existential from the inorganic properties of space and matter. Moreover, since it is inseparable from becoming, and since becoming occurs in a world-with-others, being is necessarily situated in a "context of significance" saturated with history and tradition. As man pursues his project in terms of present worldly concerns, the various existential modes of these concerns, as well as the "world" itself, are informed by interpretations stemming from a history of interpretation. Just as "every age must write its own history afresh" (R. G. Collingwood), every man is compelled to engage his existence in light of what has been handed down to him -- in light, in other words, of the totality of meaning and purpose defining his world.(n107) His future-directed project is indeed only conceivable in terms of the world into which he is thrown. Man therefore makes his history, but does so as a "bearer of meaning," whose convictions, beliefs, and representations have been bestowed by the past.(n108) This meaning-laden matrix constitutes the "t/here" [da] in Dasein, without which being (qua being-in-the-world) is inconceivable.(n109) And because there can be no Sein without a da, no existence without a specific framework of meaning and purpose, man, in his ownmost nature qua being, is inseparable from this matrix that "makes possible what has been projected."(n110) Being is indeed inherent only in "the enowning of the grounding of the t/here."(n111)

In contrast to inauthentic Dasein that "temporalizes itself in the mode of a making-present which does not await but forgets," accepting what is usually taken as the imperatives of being (but which, situated as it is in "now time," is usually a corrupted or sclerotic transmission confusing self-absorption in the present with the primordial sources of life), authentic Dasein "dredges" its heritage in order to "remember" or to retrieve the truth of primordial possibility and to "make it productively its own.(n112) The more authentically the potential of this "inexhaustible wellspring" is brought to light, the more profoundly man becomes "what he is."(n113) In this sense, authentic historicity "understands history as the 'recurrence' of the possible."(n114) Here, the "possible" is "what does not pass," what remains, what lasts, what is deeply rooted in oneself, one's people, one's world; it is the heritage of historical meaning that preserves what has been posited in the beginning and what will be true in the future.(n115) "I know," Heidegger said in 1966, "that everything essential and everything great originated from the fact that man.., was rooted in a tradition.(n116) By contrast, the uprooted, detemporalized man of modern thought is deprived not only of a means of rising above his necessarily impoverished, because isolated self, he lacks access to the creative force of his original being and the "greatness" -- the truth -- it portends. When Heideggerian man is "great" and rises to the possibilities latent in his existence, he invariably returns to his autochthonous source, resuming there a heritage that is not to be confused with the causal properties of his thrown condition, but with a being whose authenticity is manifested in its becoming. "Being proclaims destiny, and hence control of tradition."(n117) Here again, Heidegger concurs with Nietzsche, linking man's existence with the "essential swaying of meaning" that occurred aborigine, when his forefathers created the possibilities that remain open for him to realize. From the presence of this original being, enduring in tradition and constituting its truth, man is existentially sustained and authenticated, just as a tree thrives when rooted in its native soil.(n118)

Although a self-conscious appropriation of origins does not resolve the problems posed by the human condition, it does free man from present fixations with the inauthentic, and remind him of the possibilities inherent in his existence. 119 The "first beginning" also brings other beginnings into play, for it is the ground of all subsequent groundings.(n120) Without a "reconquest" of Dasein's original commencement (impossible in the linear conception, with its irreversible and deracinating progressions), there can never be another commencement: only in reappropriating a heritage, whose beginning is already a completion, does man come back to himself, achieve authenticity, and inscribe himself in the world of his own time. Indeed, only from the store of possibility intrinsic to his originary genesis, never from the empty abstractions postulated by the universal reason transcending historicity, does he learn the finite, historically-situated tasks "demanded" of him and open himself to the possibility of his world. Commencement, accordingly, lies in front of, never behind him, for the initial revelation of being is necessarily anticipated in each new beginning, as each new beginning draws on its source, accessing what has been preserved for posterity and rediscovering being's highest possibilities. Because the "truth of being" found in origins informs Dasein's project and causes it to "come back to itself," what is prior invariably prefigures what is posterior. In this sense, the past is future. History functions not as a progression from beginning to end, but, rather, as a return backwards, to foundations, where the possibility of being remains ripest. This makes origins all important. They are never mere antecedent or causa prima, as modernity's inorganic logic holds, but "that from which and by which something is what it is and as it is .... [They are] the source of its essence" [i.e., its ownmost particularly] and the way truth "comes into being... [and] becomes historical.(n121) As Benoist puts it, the "original" (unlike modernity's novum) is not that which comes once and for all, but that which comes and is repeated every time being unfolds in its authenticity.(n122) In this sense, origins represent the primordial unity of existence and essence affirmed in myth. And because origins, as "enowned" being, denote possibility, not the purely "factual" or "momentary" environment affecting its framework, Dasein achieves self-constancy (authenticity) whenever it is projected on the basis of its original inheritance, for Dasein "comes toward itself" only when anticipating its end as an extension of its beginning.(n123) Thus, origins designate identity and destiny, not causation (the "wherein," not the "wherefrom"). Relatedly, the historical-spiritual world in which Dasein originates persists throughout life, preserving what "has been" and providing the basis for what "continues to be," given that origins are not "out there," but part of us and who we are. Because origins constitute the ground of all authentic existence, "gathering into the present what is always essential," what "will be" springs ever anew from what "has been."(n124) This confrontation with "the beginning of our being," as Benoist reiterates, is requisite for "other, more original commencements."(n125)

The original repose of being that saves man from the "bustle of mere events and machinations" is not, however, easily accessed. To return Dasein to its ground and to "recapture the beginning of historical-spiritual existence in order to transform it into a new beginning" is possible only through "an anticipatory resoluteness" that turns against the present's mindless routines.(n126) Such an engagement (and here Heidegger's "revolutionary conservative" opposition to the established philosophical tradition is categorical) entails a fundamental questioning of the "rootless and self-seeking freedoms" concealing the truth of being -- a questioning, that draws "its necessity from the deepest history of man."(n127) For this reason, Heidegger (like Grecistes) sees history as a "choice for heros," demanding the firmest resolve and the greatest risk, as man, in anxious confrontation with the heritage given him, because of his origins, seeks to realize an indwelling possibility in the face of an amnesic or obscurant conventionality.(n128) This heroic choice ought not, however, to be confused with the subjectivist propensities of liberal individualism. A heroic conception of history demands action based on what is true and "original" in tradition, not on what is arbitrary or wilful. Similarly, this conception is anything but reactionary, for its appropriation of origins privileges the most radical opening of being.

Finally, this heritage that becomes meaningful when choosing a project, this reaching forward that reaches back, validates what Heidegger calls "fate."(n129) In his definition, fate is the "enowning" embrace, not causality's fatalistic acceptance, of the heritage of culture and history into which man is thrown at birth. In embracing this heritage, i.e., in taking over the unchosen circumstances of his community and generation, man necessarily identifies with the collective destiny of his people, as he grounds his Dasein in the truth of his "ownmost particular historical facticity."(n130) This makes individual identity inseparable from communal identity, as being-in-the-world recognizes its being-with-others (Mitsein) and accepts its participation in the larger existence of its people. Against the detemporalized, deracinated individual of liberal thought, "liberated" from organic ties and conceived as a phenomenal "inside" separated from an unknowable "outside," Heideggerian man achieves authenticity through a resolute appropriation of the multi-temporal, interdependent ties he shares with his community. He makes himself out of the immediacy of his world, as well as what has been bequeathed to him by his forefathers and what is to be passed on to his heirs. In so doing, he affirms his mindful involvement in the time and space of his own destined existence, along with the destiny of his people's existence. The community of one's people (Mitsein) becomes, then, "the in which, out of which, and for which history happens."(n131) And because authentic Dasein is unavoidably Mitsein, human existence is quintessentially social. Dasein's social nature has, though, little to do with the thoughtless conventions of everyday life, but rather inheres in the very texture of human Being and in that which is ownmost to a people. For this reason, Dasein's pursuit of possibility, even in opposing the prevailing conventions for the sake of individual authenticity, is necessarily a "cohistorizing" with a community, a co-historizing that converts the legacy of the far-distant past into the basis of a meaningful future.(n132) In fact, history to Heidegger is possible only because Dasein's individual fate--its inner necessity -- connects with a larger social-historical necessity that struggles against the perennial forces of decay and dissolution, as a people seeks "to take history back unto itself." The destiny it shares with its people is, indeed, what grounds Dasein in historicity and links it to the heritage that determines and is determined by it.(n133)



The Future of the Past

In the present, the past and future co-exist -- as memory or tradition, anticipation or project. It is up to man to determine how to relate to these different temporalities. From pagan myth and the works of Nietzsche and Heidegger, Grecistes propound a historical philosophy that endeavors to free Europeans from the deculturating determinisms of the Christian/ modernist project. Following Guillaume Faye, this philosophy may be called "archeofuturism," for it posits that there can be no destining future without an original pre-destination.(n134) If Europeans are to regain the creative spirit of their being and to play a historical role again, they have no alternative but to rediscover "the original essence of their identity." This obliges them to reappropriate their longest memories and to face the future with the conviction of their ancestral lineage. Like Plato's anamnesis, this recovery seeks to release them from time's irreversibility, and make possible another beginning. If, on the other hand, Europeans continue to forget their origins and reject the "European idea" as their myth fondateur, archeofuturists fear that they are likely to succumb to the "end of history," where the past ceases to return and the future folds in on an eternal "now."(n135)

Archeofuturism's emphasis on origins should not be taken to imply that Europeans are bound to repeat the foundational acts that defined their forbearers, such as occurs in "cold societies"(n136) (i.e., those primitive communities whose synchronic principles play a commanding role in the thought of Levi-Strauss and other anti-historical thinkers). Instead of perpetuating the identitarian vestiges of a former golden age, archeofuturists seek only the original impetus of archaic possibilities so as to create new ones. Indeed, identity for them is real only when under construction, deconstruction, or reconstruction. "We," Benoist writes, "assume a heritage in order to continue it or to re-found it."(n137) It is, he argues, neither rationale for present conditions nor occasion for folkloric revival, but simply requisite for a meaningful future.(n138) Archeofuturism posits, then, neither a return nor a repetition, but only an unfolding of identity on the basis of the history and culture that situate it. Unlike the denizens of Levi-Strauss' cold societies, Europeans attuned to the Faustian possibilities of their world invent, improvise, and make new choices that endeavor to begin the beginning again --"with all the strangeness, darkness, insecurity that attend a true beginning."(n139) It is, therefore, the regenerative impulse of the Indo-European heritage, not its nostalgic re-generation, that reconciles past and future, origin and project.(n140) Archeofuturists feel Europeans do justice to who they are only when they look forward, providing their heritage another opening to the future. In Heidegger's formulation, "remembrance of [our] inception is not a flight into the past, but readiness for what is to come."(n141) In this spirit, the longest memory of the European past is summons, because there the possibility of the future is disclosed in its primordial fullness, and because there, where causality cedes to destiny, being commences anew. As Grecistes emphasize, every great revolution envisages its project as a return to origins.(n142)



References:

1. Zeev Sternhell is typical of those who characterize the rejection of the right–left continuum as inherently fascist. See his Neither Right nor Left: Fascist Ideology in France, trans. D. Maisel (Berkeley: University of California Press, 1986). For a Greciste critique, see Gilbert Destrees, Les Non–Conformistes des annees 30: entre doctrine et action (Paris: GRECE Pamphlet, n.d.). For an alternate account, see Marc Crapez, Naissance de la gauche (Paris: Eds. Michalon, 1998). Of the numerous works on the different Third Way tendencies, the most impressive is Armin Mohler, Die konservative Revolution in Deutschland, 1918–1932, 5th ed. (Graz: Leopold Stocker Verlag, 1999). On the Third Way per se, see Arnaud Imatz, Par dela droite et gauche. Permanence et évolution des ideaux et des valeurs non–conformistes (Paris: Godefroy de Bouillon, 1996).

2. David Barney et al., La Nouvelle inquisition. Ses acteurs, ses methodes, ses victimes: Essai sur le terrorisme intellectuel et la police de la penseé (Paris: Le Labyrinthe, 1993); also De la police de la penseé et la nouvelle inquisition: Actes du XXXLe colloque national du GRECE (Paris: GRECE, 1998). On the censorious nature of the contemporary intelligentsia, see Reagis Debray, Teachers, Writers, Celebrities: The Intellectuals of Modern France, tr. by D. Macey (London: Verso, 1981); Jean Sevilla, Le terrorisme intellectuel de 1945 a nos jours (Paris: L'Aencre, 2000); Klaus J. Groth, Die Diktatur der Guten: Political Correctness (Munich: Herbig, 1999).

3. When discovered by the French media in the late 1970s, the GRECE was labelled "Nouvelle Droite. This term not only lacks substance, it is used in the most contradictory ways. See Jean–Christian Petitfils, Le extreme droite en France (Paris: PUF, 1983), p.119. While it may be inaccurate to translate Nouvelle Droite as New Right, since this term is usually reserved for the union–busting, budget–cutting Anglo–American right of the 1970s and 1980s, as represented by the governments of Thatcher and Reagan and the theories of Friedrich Hayek and Milton Friedman, there is no better term. Programmatically, the American New Right was a neo–liberal tendency that sought to diminish state intervention in the economy, dismantle the Keynesian system, and mobilize popular electoral around populist and Christian–fundamentalist themes. By contrast, the Nouvelle Droite(i.e. the GRECE) is anti–liberal and anti–Christian, hostile to the Anglo–American Right, and more concerned with culture than economics. Typical of the prevailing inability to make these distinctions is Ruth Levitas, ed., The Ideology of the New Right (Cambridge: Polity Press, 1986). For a Greciste's critique of the Anglo–American New Right, see Alain de Benoist, Hayek: A Critique, in Telos 110 (Winter 1998); Alain de Benoist, Le libéralisme contre les identités, in Aux sources de le erreur liberale, ed. by B. Guillemaind and A. Guyot–Jeannin (Lausanne: Le Age d'Homme, 1999); Guillaume Faye, Le libéralisme, j'a ne marche pas," in Élements pour la civilisation europenne (hereafter Elements) 44 (January 1983). On the GRECE's project, see Alain de Benoist and Charles Champetier, The French New Right in the Year 2000," in Telos 115 (Spring 1999). See also Tomislav Sunic, Against Democracy and Equality: The European New Right (New York: Peter Lang, 1990); and Telos 98–99 (Winter 1993–Fall 1994), devoted to The French New Right: New Right –– New Left –– New Paradigm?

4 .Unlike their liberal critics, Lepenistes and Catholic traditionalists are wont to accuse the Grecistes of pro–communism and crypto–gauchisme. From a different angle, the non conformist Left also rejects the prevailing characterizations. Some members of the PCF and the Left/nationalist wing of the Socialist Party (most notably Reagis Debray and Jean–Pierre Chevennement), along with independent leftists associated with Esprit, Jean–Edern Hallier's Le Idiot internationale, the Mouvement anti–utilitariste dans les sciences sociales (MAUSS) of Serge Latouche and Alain Caillé, and parts of the Italian far Left, dismiss the accusation of fascism and have, at times, collaborated with the GRECE. Certain prominent Franco–Jewish intellectuals, such as the late Raymond Aron and Annie Kriegel, while unsympathetic to the GRECE's project, have similarly repudiated the accusation of "fascism."

5. Martin Heidegger, Contributions to Philosophy (From Enowning), tr. by P. Emad and K. Maly (Bloomington: Indiana University Press, 1999)

6 .On several occasions, Pierre–André Taquieff has denounced the extraordinary abasement of the reigning intelligentsia and the terroristé vigilante tactics it employs to stifle debate. See, e.g., Sur la Nouvelle Droite (Paris: Descartes et Cie, 1994), pp. 314–36. The situation, moreover, is not qualitatively different in the U.S. In assessing the recent literature on the Right, Glen Jeansonne has warned that: We are rapidly approaching the point at which scholarship becomes propaganda, ceases to liberate the spirit of the individual, and simply replaces old dogmas with new ones [i.e. with those of the present left–liberal Establishment]. See Women of the Far Right: The Mothers Movement and World War Two (Chicago: University of Chicago Press, 1996), p. 186.

7. Julien Freund, La Decadence (Paris: Sirey, 1984). Cf. Robert M. Adams, Decadent Societies (San Francisco: North Point Press, 1983), p. 36.

8. Guillaume Faye, Le systéme a tuer les peuples (Paris: Copernic, 1981), p. 144.

9 .Alain de Benoist, La Europe sous tutelle, in Eléments 59 (Summer 1986); Philippe Malaud, La révolution libérale (Paris: Masson, 1976).

10.Alain de Benoist, Idéologies: c'est la lutte finale (1984), in La Ligne de mire. Discours aux citoyens europeens 1972–1987 (Paris: Le Labyrinthe, 1995); Pierre Joannon, Pavane pour une Europe difunte, in Eléments 19 (December 1976); Alain de Benoist, Die Religion der Menschenrechte, in Mut zur Identitat, ed. by Pierre Krebs (Struckum: Verlag f. Ganzheitl. Forschung u. Kultur, 1988). See also Pierre Thuillier, La grande implosion: Rapport sur lé effrondrement de l'Occident 1999–2002 (Paris: Fayard, 1995); Benjamin R. Barber, Jihad vs. McWorld: How Globalism and Tribalism Are Reshaping the World (New York: Ballantine Books, 1996).

11 .Martin Heidegger, An Introduction to Metaphysics, tr. by R. Manheim (New Haven: Yale University Press, 1959), p. 37; Alain de Benoist, Orientations pour les années décisives (Paris: Le Labyrinthe, 1982), pp. 29–31, and L'ennemi principal, in Eléments (March–April 1982); Guillaume Faye, Pour en finir avec la civilisation occidentale, Eléments 34 (April 1980); Marco Tarchi, La colonisation subtile: American way of life: dynamique sociale, in Le défi de Disneyland: Actes du XXe colloque national de la revue Eléments (Paris: Le Labyrinthe, 1987); Jordis von Lohausen, Main basse sur l'Europe, in Eléments 84 (February 1996). Cf. Julius Evola, Americanisme et Bolchevisme (1929), in Le visionnaire foudroye, ed. by Jean Mabire (Paris: Copernic, 1977); Gerd Lundestad, Empire by Integration: The United States and European Integration, 1945–1997 (Oxford:Oxford University Press, 1998); Jacques Thibau, La France colonisé (Paris: Flammarion, 1980).

12. Raymond Ruyer, Les cent prochains siécles: Le destin historique de l'homme selon la Nouvelle Gnose américaine (Paris: Fayard, 1977), p. 320; Alain de Benoist, Vers l'indépendence! Pour une Europe souveraine et libére des blocs!, in La ligne de mire, op. cit.; Guillaume Faye, Nouveau discours a la nation européenne (Paris: Eds. Albatros, 1985)

13. Although the Grécistes acknowledge the European roots of modernity, they claim European modernity lacked the truly universal impulse which Americans (former colonials shallowly rooted in the Western tradition and without a homogeneous cultural heritage) have imparted to it –– somewhat in the way socialism was European in origin, but not in the totalizing/universalizing manner of the Soviets. See Guillaume Faye, Les nouveaux enjeux idéologiques (Paris: Le Labyrinthe, 1985), p. 56. Cf. Jean Baudrillard, America,tr. by C. Turner (London: Verso, 1988), p. 73; Eric Werner, L'avant–guerre civile (Lausanne: L'Age d'Homme, 1998), pp. 27–29

14. Alain de Benoist points out that the English word -people is not the equivalent of the Freench peuple or the German Volk, but closer in meaning to gens or Leute –– i.e. terms denoting an indeterminate plurality of not necessarily related individuals. There is, moreover, no English equivalent for patrie, and home for the American is where -he hangs his hat. See Démocraie: Le probléme (Paris: Le Labyrinthe, 1985), pp. 30 and 40; and Robert de Herte(Alain de Benoist) and Hans–Jürgen Nigra (Giorgio Locchi), Il était une fois l'Amérique, in Nouvelle Ecole 27–28 (January 1976). See also Herman Keyserling, America Set Free(New York: Harper and Bros., 1929), and Robert Aron and Arnaud Dandieu, Le cancer américain(Paris: Rieder, 1931), two works informing much of the GRECE's anti–Americanism. Cf. Jacob Burkhardt, Reflections on History, tr. by M. D. Hottinger (Indianapolis: Liberty Classics,1979), p. 39; Stendhal et les Etats–Unis de Amérique, in Etudes et recherches 4–5 (January 1977); J. G. Jatras, Rainbow Fascism at Home and Abroad, in Chronicles(June 1998).

15. The vocation of the human race, they [Americans] believe, is American. See Thomas Molnar, The Emerging Atlantic Culture (New York: Transaction Publishers, 1994), p. 22. In this vein, Robert Kennedy spoke of America's right to the spiritual direction of the planet; George H. W. Bush, in announcing the New World Order, proclaimed the inexorability of America's global leadership; and William J. Clinton, as the latest exemplar of his nation's moral superiority, designated America as the world's "indispensable nation." See Claude Julien, " America's Empire, tr. by R. Bruce (New York: Pantheon Books, 1971), p. 31; Pierre–Marie Gallois, Le soleil d'Allah aveugle l'Occident(Lausanne: L'Age d'Homme, 1995), p. 25; and Zbigniew Brzezinski, The Great Chessboard: American Primacy and Its Geostrategic Imperatives(New York: Basic Books, 1997), p. 195. See also Jean Cau, Le triomphe de Mickey, in Etats–Unis: Danger –– Actes du XXVe colloque national du GRECE(Paris: GRECE, 1992); Henri Gobard, La guerre culturelle: logique du désastre(Paris: Copernic, 1979), pp. 62–92. As to America's new–found mania for multiculturalism, it has less to do with cultural sensitivity than with globalist and managerial imperatives hostile to all forms of indigenous culture. See Paul Edward Gottfried, After Liberalism: Mass Democracy in the Managerial State (Princeton: Princeton University Press, 1999), p. 103. Not unrelatedly, the GRECE's anti–Americanism is accompanied by a similar coolness to the English. The only Anglophones contributing to its cultural arsenal have been the Irish, whose lovers and dancers long incurred the wrath of what W. B. Yeats called Cromwell's murderous crew –– i.e. the Puritan–mercantile forces of the Anglo–American world.

16. Benoist, Vers l'indépendence, op. cit. See also Alain de Benoist, Europe, Tiers monde,méme combat(Paris: Robert Laffont, 1980); Pierre Bérard, Ces cultures queon assassine, La cause des peuples: Actes du XVe collogue national du GRECE(Paris: Le Labyrinthe, 1982)To the degree they resemble Russian, Indian, and Chinese critics of America's universalist pretensions, the Grécistes are a good example of what Samuel P. Huntington refers to as "the mainenemy" in The Clash of Civilizations and the Remaking of the World Order(New York: Simon and Schuster, 1996).

17. Quoted in The Nature of the Right: American and European Politics and Political Thought since 1789, ed. by Roger Eatwell and Noél Sullivan (Boston: Twayne Publishers, 1989), p.181. See also Jean Cau, Discours de la décadence(Paris: Copernic, 1978), pp. 176 and 188; Alain de Benoist, Quest–ce que l'identité: Réflexions sur un concept–clef, in Eléments (n.d. [Spring 1993?]); Pierre Krebs, Das Thule–Seminar: Geistesgegenwart der Zukunft (Horn: Burkhart Weecke Verlag, 1994), pp. 23–24. Cf. Richard Bessel, "European Society in the Twentieth Century," in The Oxford Illustrated History of Modern Europe, T. C. W. Blanning, ed. (Oxford: Oxford University Press, 1996), pp. 252

18. Jean Varenne,Le héritage indo–européen, in Eléments 40 (Winter 1982); Benoist, Orientations pour les années décisives, op. cit. pp. 52–53; Pierre Krebs, Im Kampf um das Wesen(Horn: Burkhart Weecke Verlag, 1997), pp. 16–20; Faye, Le systéme a tuer les peuples, op. cit.,pp. 164–77; Friedrich Nietzsche, Untimely Meditations, tr. by R. J. Hollingdale (Cambridge: Cambridge University Press, 1983), p. 63. Cf. Hellmut Diwald, Mut zur Geschichte(Bergisch Gladbach: LoGbbe Verlag, 1983), p. 8.

19. By its very nature, culture aspires toward self–sufficient unity in its representational modes. Because its centripetalism tolerates only limited amounts of the foreign, culture is inherently exclusive.This makes its members part of a living whole, distinct from others. See Alain de Benoist, Culture, in Nouvelle Ecole 25–26 (Winter 1974–75); Richard M. Weaver, Visions of Order: The Cultural Crisis of Our Time (Bryn Mawr: Intercollegiate Studies, 1995), pp. 3–21; Claude Lévi–Strauss, Le regard eloignée (Paris: Plon, 1983), pp. 24–30. Given culture's inherent exclusiveness, the GRECE's critics consider its culturalism a sophisticated form of traditional racism –– in that it allegedly replaces notions of biological inferiority with those of cultural difference –– little concerned that culturalism and racism partake of radically different realms. For a typical example of this confusion, see Alain Bihr, Le Actualité de un archaísme: La pensée de extréme droite et la crise de la modernité (Paris: Eds. Page Deux, 1998), pp. 15–40; see also Pierre–André Taguieff, Le néo–racisme différentialiste. Sur le ambiguité de une evidence commune et ses effets pervers, in Langage et Société 34 (December 1985). These critics also dismiss the GRECE's advocacy of le droit a ladifférence and la cause des peuples. See Alain de Benoist, Le droit a la différence, and Gilbert Destrées, Différentialisme contre racisme, in Eléments 77 (n.d. [Spring 1993?]). Ironically, the GRECE's culturalism is profoundly equalitarian and hence modernist, stemming from the Enlightenment's programmatic affirmation of the equality of all peoples and cultures – an affirmation which Grécistes philosophically oppose but tend to accept in cultural practice. Relatedly, Paul Piconne links the GRECE's critique of left–liberal anti–racism to the critique of anti–Semitism made by Max Horkheimer and Theodore W. Adorno in Dialectic of Enlightenment, tr. by John Cumming (New York: Seabury Press, 1972 [1944]). By today's hyper–liberal standards, Horkheimer's and Adorno's defense of Jewish identity, like the culturalism of the French New Right, would be considered racist, because it opposes a homogenizing universalism threatening particularisms with extermination. See Confronting the French New Right, in Telos 98–99 (Winter 1993–Fall 1999).

20. Selections from the Prison Notebooks of Antonio Gramsci,ed. and tr. by Q. Hoare and G. N. Smith (New York: International Publishers, 1971), pp. 3–13; Pour un Gramscisme de droite: Actes du XVIe colloque national du GRECE (Paris: Le Labyrinthe, 1982); Pierre Vial, Die Weltbewegende Kraft der Ideen, in Elemente für de europaische Wiedergeburt 2 (January 1987).

21. For the relationship between conservatism, traditionalism, and Christianity, see Gerd Klaus Kaltenbrunner, ed., Antichristliche Konservative: Religionkritik von rechts (Munich: Herderb Gecherei, 1982).

22. Alain de Benoist, La religion de l'Europe,in Eléments 36 (Fall 1980); Louis Rougier, Celse contre les chretiens, with an introduction by Alain de Benoist (Paris: Le Labyrinthe, 1997). Cf. Prudence Jones and Nigel Pennick, History of Pagan Europe (New York: Barnes and Noble, 1999), pp. 59–77. For a critique of the GRECE's anti–Christianism, see Daniel Cologne, Nouvelle droite et subversion (Paris: Collection Métapolitique et Tradition, 1979); Georges Hourdin, Le nouvelle droite et les chrétiens (Paris: Eds. du Cerf, 1980). Grécistes acknowledge Christianity's syncretistic character: it absorbed many traditional pagan elements and ultimately adapted itself to the Indo–European world view. Yet, they claim it never fully conquered Europe, and that the greatest European achievements, whether in the form of the Gothic Cathedrals or the music of Bach, were essentially pagan in inspiration. See Patrick de Plunkett, Analyses, in Nouvelle Ecole 27–28 (January 1976); Pierluigi Locchi, La musique, le mythe, Wagner et moi, in Etudes et recherches 3 (June 1976). Despite their recognition of its syncretistic character, the GRECE's anti–Christianism (or, more accurately, its anti–Catholicism) emphasizes Christianity's Hebraic rather than European roots and underplays the powerful Europeanizing influences exerted by traditional Catholicism, which, unlike its post–Vatican II counterpart or its Protestant offshoots, bore little resemblance to the oriental forms of early Christianity. Cf. James C. Russell, The Germanization of Early Medieval Christianity: A Sociohistorical Approach to Religion (New York: Oxford University Press, 1994). Given the GRECE's implicit Islamophilism, its strident anti–Catholicism seems curiously inconsistent, if not duplicitous, especially considering Islam's more faithful distillation of Near Eastern monotheism. See Dossier: Les Arabes, in Eléments 53 (Spring 1985); Alexander del Valle, Islamisme et Etats–Unis: Une alliance contre Europe , 2nd ed. (Lausanne: L'Age d'Homme, 1999), p. 53; and Guillaume Faye, La colonisation de l'Europe: Discours vrai sur le immigration et l'Islam (Paris: L'Aencre, 2000), pp. 73–85, 329–36.

23. Alain de Benoist, Les idées a la endroit (Paris: Hallier, 1979), pp.167–84. Cf. Burton L. Mack, Who Wrote the New Testament? The Making of the Christian Myth (San Francisco: Harper Collins, 1995), pp. 19–31; Mircea Eliade, A History of Religious Ideas, tr. by W. Trask (Chicago: University of Chicago Press, 1981), vol. 2, p. 413.

24. Louis Pauwels, Comment devient–on ce que le on est? (Paris: Stock, 1978), p. 145. Cf. Richard Fletcher, The Barbarian Conversion: From Paganism to Christianity (New York: Henry Holt, 1997), pp. 30–31; Egon Haffner, Der Humanitaraismus und die Versuch seiner FÀberwindung bei Nietzsche, Scheler und Gehlen (Weigrzburg: Konigshausen u. Neumann, 1988), p. 75.

25. Guillaume Faye, La problématique moderne de la raison ou la querelle de la rationalité, in Nouvelle Ecole 41 (November 1984); Louis Rougier, Du paradis a la utopie(Paris: Copernic, 1979), p. 60. Cf. Rudolf Otto, The Idea of the Holy, 2nd ed. (Oxford: Oxford University Press, 1950).

26. Louis Dumont, La genése chrétienne de l'individualisme moderne, in Le Débate 15(September 1981); Pierre Bérard, Louis Dumont: Anthropologie et modernité, in Nouvelle Ecole 39 (Fall 1982). Also Friedrich Nietzsche, Daybreak: Thoughts on the Prejudices of Morality, tr. by R. J. Hollingdale (Cambridge: Cambridge University Press, 1997); Marcel Gauchet, Le désenchantement du monde (Paris: Gallimard, 1985), p. 77.

27 . Tomislav Sunic, Against Equality and Democracy ,op. cit., p. 74.

28. Thomas Molnar and Alain de Benoist, Le éclipse du sacré : discours et réponses(Paris: La Table Ronde, 1986), pp. 131–47; Sigrid Hunke, Was Tresgt aber den Untergang des Zeitalters?, in Elemente für die europaische Wiedergeburt 1 (July 1986).

29. H. H. Gerth and C. Wright Mills, eds., From Max Weber: Essays in Sociology (New York: Oxford University Press, 1946), pp. 51–52; Alain de Benoist, Le empire intérieur(Paris: Fata Morgana, 1995), pp. 32–38; Guillaume Faye, Heidegger et la question du depassement du Christianisme, in Nouvelle Ecole 39 (Fall 1982).

30. Sigrid Henke, Europas andere Religion: Die Àeberwindung der religiosen Krise (Dusseldorf: Econ Verlag, 1969), pp. 27–39.

31. Benoist, Le empire intérieur, op. cit., p. 31.

32. D. H. Lawrence, Apocalypse (New York: Viking, 1931), p. 59. (Emphasis in the original, as in all subsequent uses of it).

33. Alain de Benoist, Sacré païen et déscralisation judéo–chrétienne du Monde, in Quelle religion pour le Europe, ed. by Démetre Theraios (Paris: Georg, 1990). In Catholicism, especially among its former peasant adherents, this progressive sense was mitigated by liturgical time, whose sacred calendar annually repeated the historical time of Jesus. Liturgical time has, though, like other pagan encrustations, been largely demoted in the modern church. See Alain de Benoist, Le nouvelle calendrier liturgique, in Nouvelle Ecole 12 (March–April 1970).

34. Mircea Eliade, Myth and Reality, tr. by W. Trask (New York: Harper and Row, 1963), pp. 134–35. Cf. Karl Lewith, Meaning in History (Chicago: University of Chicago Press, 1949); Oscar Cullmann, Christ and Time: The Primitive Christian Conception of Time and History, tr. by F. V. Filson (New York: Harper and Row, 1967). The teleological is by no means foreign to the Ancients; it is, for example, central to Aristotle's thought. But Aristotle, like Plato and Socrates before him, anticipated the Christian/modernist metaphysics opposed by Grécistes–– Christianity being, in Nietzsche's phrase, a "Platonism of the masses." The Indo–European world view that is lost and lamented here, to use Greek examples, refers to the age of Homer, the pre–Socratics, and the tragedians.

35. Rougier, Du paradis a la utopie, op. cit.,p. 125; Pierre Chassard, La philosophie de l'histoire dans la philosophie de Nietzsche (Paris: GRECE, 1975), pp. 26–40. See also Carl Schmitt, Political Theology, tr. by G. Schwab (Cambridge: MIT Press, 1985), pp. 36–52; Martin Heidegger, Hegel's Phenomenology of Spirit, tr. by P. Emard and K. Maly (Bloomington: Indiana University Press, 1994)

36. Heidegger, Contributions to Philosophy, op. cit.,

37. The social revolution . . . cannot draw its poetry from the past, but only from the future." Karl Marx, The Eighteenth Brumaire of Louis Bonaparte (1852), in Selected Works (Moscow: Progress Publishers, 1969), vol. 1, p. 400. Like those adhering to the biblical, liberal, and Freudian traditions, Marxists conceive of origins in purely negative terms: the long detour that began with the abandonment of primitive communism (analogous to the expulsion from Eden/the natural state/the patricidal act). Hence the Marxist effort to escape history.

38. Alain de Benoist, "Une bréve histoire de l'idée de progrés," in Nouvelle Ecole 51 (2000).

39. Friedrich Nietzsche, On the Genealogy of Morals, tr. by W. Kaufmann and R. J. Hollingdale (New York: Vintage, 1967), Essay I, 3

40. Pierre Vial, Servir la cause des peuples, in La cause des peuples,op. cit.,p. 67; Guillaume Faye, Warum Wir Kampfen, in Elemente für die europaische Wiedergeburt 1(July 1986).

41. Pierre Vial, Aux sources de l'Europe, in Eléments 50 (Spring 1984); Christian Lahalle, Le peuplement de la Gréce et du basin Àegeen aux hautes époques, in Nouvelle Ecole 43 (December 1985). A recent, though dilettantish variation of the "ex oriente lux" thesis appears in Martin Bernal, Black Athena: The Afroasiactic Roots of Classical Civilization, 2 vols. (New Brunswick: Rutgers University Press, 1987–91).

42. Théme central, in Nouvelle Ecole 17 (March–April 1972); Krebs, Das Thule–Seminar, op. cit., p. 88.

43. Vial, Aux sources de l'Europe, in op. cit.; André Cherpillod, La écriture en Europe a la époque préhistorique,in Nouvelle Ecole 50 (1998). Also Colin Renfrew, Before Civilization: The Radiocarbon Revolution and Prehistoric Europe (New York: Cambridge University Press, 1979); Marija Gimbutas, The Goddesses and Gods of Old Europe, 6500–3500 B.C. (London: Thames and Hudson, 1982); Richard Rudgley, The Lost Civilization of the Stone Age (New York: The Free Press, 1998); Chris Scarre, Exploring Prehistoric Europe (Oxford: Oxford University Press, 1998); Barry Cunliffe, ed., Prehistoric Europe: An Illustrated History(Oxford: Oxford University Press, 1994). These recent discoveries had long been suspected; see Geoffrey Bibby, The Testimony of the Spade (New York: Merton, 1957).

44. The evidence should, but does not necessarily discredit the old diffusionist view. For example, J. M. Roberts, in a typical display of the "ex lux oriente" influence among AngloSaxon historians, acknowledges the recent evidence that puts Europe's civilizational origins on a par with Near Eastern ones, yet nonetheless roots Europe's identity in the Holy Lands. See A History of Europe (New York: Allen Lane, 1996), pp. 12–20, 54.

45. Itinéraire, in Nouvelle Ecole 21–22 (Winter 1972–73); Marco Tarchi, Prolégomones a la unification de l'Europe, in Crepuscule des blocs, aurore des peuples: XXIIIe colloque national du GRECE (Paris: GRECE, 1990); Charles Champetier, Anti–utilitarisme: de nouveau clivages, in Eléments 74 (Spring 1992); Alain de Benoist, Les Indo–Européens: A la recherche du foyer d'origine, in Nouvelle Ecole 49 (1997). Grécistes do not view the Indo-Europeans as a racial group, but solely as a linguistic–cultural one. The question of race, contrary to the claims of their critics, is irrelevant here, for all the peoples of archaic Europe, whether Indo–European or non–Indo–European, were Europid ("white"). What is at stake is cultural identity, not biology, though liberal universalists (recognizing "humanity" only as an abstract zoological concept) have had trouble following the logic of this distinction. See Alain de Benoist, Comment peut–on étre païen? (Paris: Albin Michel, 1981) p.174; Claude Lévi Strauss, Race et historie (Paris: Denoe, 1987 [1953]), p. 23. Moreover, given the GRECE's opposition to the former Soviet Union and its on–going opposition to the US, it rejects all notions of racial unity with the so–called "white world." See Guillaume Faye, Il ne a pas de "Monde Blanc", in Eléments 34 (April 1980). This distinction between race and culture would seem, however, to concede too much to the dominant ideology. For a trenchant critique of the implicit equalitarianism undergirding the GRECE's culturalism, see Guillaume Faye, La colonisation de l'Europe, op. cit.,pp. 74–84, a work that not only revises Faye's earlier position, but one that has brought down the state's judicial terror on this most eminent of former Grécistes.

46. Benoist, Les Indo–Européens, op. cit.

47. On Georges Dumézil, see C. Scott Littleton, The New Comparative Mythology: An Anthropological Assessment of the Theories of Georges Dumézil, 3rd ed. (Berkeley: University " of California Press, 1982). See also Jean–Claude Riviere, ed., Georges Dumézil en la découverte des Indo–Européens(Paris: Copernic, 1979); Jean Varenne, Le héritage de Georges Dumézil, in Eléments 62 (Spring 1987). For a critique of his work, see Wouter W. Belier, Decayed Gods: Origin and Development of Georges Dumézil's idéologie Tripartite(Leiden: Brill, 1991).

48. C. Scott Littleton, Je ne suis pas . . . structuraliste: Some Fundamental Differences between Dumézil and Lévi–Strauss, in Journal of Asian Studies 34 (November 1974).

49. On the tripartite ideology, see Georges Dumézil, La idéologie tripartite des Indo–Européens (Brussels: Latomus, 1958); Jean Haudry, La religion cosmique des Indo–Européens (Milan: Arché, 1987); J. P. Mallory, In Search of the Indo–Europeans: Language, Archaeology and Myth (London: Thames and Hudson, 1989), pp. 130–34.

50. Jean–Claude Riviére, Pour un lecture de Dumézil, in Nouvelle Ecole 21–22 (Winter 1972–1973); Jean Maibre, Les dieux mandits: Récits de mytholgie nordique (Paris: Copernic, 1978), pp. 21–27.

51. J. H. Griswald, Trois perspectives medievales, in Nouvelle Ecole 21–22 (Winter 1972-1973). Cf. Georges Duby, The Three Orders: Feudal Society Imagined, tr. by A. Goldhammer(Chicago: University of Chicago Press, 1980).

52. Georges Dumézil répond aux questions de Nouvelle Ecole, in Nouvelle Ecole 10(September 1969); Itinéraire, in Nouvelle Ecole 21–22; Jean Haudry, Die indoeuropaische Tradition als Wurzel unserer Identität, in Mut zur Identität, op. cit. The non political Dumézil paid dearly for his discoveries. In the 1980s, a full–scale witchhunt was launched against him, initiated by UCLA historian Carlo Ginsburg, who, in Mythologie germanique et nazisme. Sur un ancien livre de Georges Dumézil, in Annales ESC (July 1985), accused him, in so many words, of Nazism. The charge was then taken up by Libération and made the rounds of several politically–correct Parisian journals. The falseness of the charge and the readiness of certain intellectuals to use it to smear one of the century's great scholars, because his work happened to lend credence to non–conformist ideas, has been fully documented in Didier Eribon, Faut–il bréler Dumézil? Mythologie, science et politique (Paris: Flammarion,1992). On the "fascist" epithet as a political ploy for discrediting new ideas, see Hans Helmuth Knutter, Die Faschismus Keule. Das letzte Aufgebot der deutschen Linken(Frankfurt/M: Ullstein, 1993). On the living past, see R. G. Collingwood, An Autobiography (Oxford: Oxford University Press, 1978), pp. 96–98.

53. Alain de Benoist, La ordre,in Etudes et recherches 4–5 (January 1977); Jean Haudry,Linguistique et tradition indo–européenne, in Nouvelle Ecole 45 (Winter 1988–89).

54. See Benoist, La religion de l'Europe, op. cit.; Alain de Benoist and La Commission Traditions et Communauté, Les Traditions d'Europe, 2nd ed. (Paris: Le Labyrinthe, 1996). More generally, see David L. Miller, The New Polytheism: Rebirth of the Gods and Goddesses(New York: Harper and Row, 1974); and R. Faber and R. Schlesier, eds., Die Restauration de Àtter. Antike Religion und Neo–Paganismus(Würzburg: Konigshausen u. Neuman, 1986).

55. Benoist, L'empire intérieur, op. cit.,p. 9; Jacques Marlaud, Le renouveau païen dans la pensée francaise(Paris: Le Labyrinthe, 1986), p. 24; Giogio Locchi, Die Zeit der Geschichte, in Elemente für die europaische Wiedergeburt 1 (July 1986).

56. So claims not only the numinous school of comparative mythology (Mircea Eliade, Walter F. Otto, Jean–Pierre Vernant et al., to whom the GRECE is close), but also structuralists around Claude Lévi–Strauss and neo–Kantians associated with Ernst Cassirer. See Kurt Hubner, La recherche sur le mythe: une révolution encore méconnue, in Krisis 6 (October 1990). On logical unphilosophical character and its problematic principle of identity, see Heidegger, Introduction to Metaphysics, op. cit.,pp. 21–36, 170–79, and 165–90; Friedrich Nietzsche,The Gay Science, tr. by W. Kaufmann (New York: Vintage, 1974), 111; and Alain de Benoist,Les fausses alternatives, in La ligne de mire, op. cit.

57. Itinéraire, in Nouvelle Ecole 19 (September 1969); Paul Veyne, Did the Greeks Believe in their Myths? An Essay on the Constitutive Imagination, tr. by P. Wissing (Chicago: University of Chicago Press, 1988); Nietzsche, The Gay Science, op. cit., 344. Even science, whose knowledge of nature is similarly mediated, is a form, however sophisticated, of mythic thought. See Thomas Kuhn, The Structure of Scientific Revolutions, 2nd ed. (Chicago: University of Chicago Press, 1970), in which the problem of competing paradigms is posed ultimately as an aesthetic one, based less on the procedures of normal science than on culturally–shaped appeals. Cf. J. McKim Malville, The Fermenting Universe: Myths of Eternal Change (New York: Seabury Press, 1981); Martin Heidegger, What is Metaphysics? (1929), in Basic Writings, tr. by D. F. Krell (New York: Harper and Row, 1977). At any rate, mythos and logos were originally interchangeable terms. See Benoist, L'empire intérieur, op. cit. pp. 9, 54.

58. Roger Caillois, Le homme et le sacré, 2nd ed. (Paris: Gallimard, 1950), pp. 132–36.

59. Mircea Eliade, Myths, Dreams and Mysteries, tr. by P. Mairet (New York: Harper and Row, 1960), pp. 14–15.

60. Kurt Hübner, Die Wahrheit des Mythos (Munich: Beck, 1985), pp. 257–70; Alain de Benoist, Un mot en quatre lettres, in Eléments 95 (June 1999).

61. Alain de Benoist, Les mythes européens (1984), in Le grain de sable: Jalons pour une fin de siécle (Paris: Le Labyrinthe, 1994); Benoist, Les idées a la endroit, op. cit., pp. 115–21.

62. Gilbert Durand, Les structures anthropologiques de l'imaginnaire, 10th ed.(Paris: Dunod,1984), pp. 323–24; Julien Freund, Une interprétation de Georges Sorel,in Nouvelle Ecole 35 (Winter 1979–1980).

63. Benoist, Le empire intérieur, op. cit., pp. 14–15. Cf. José Ortega y Gasset, Historical Reason, tr. by P. W. Silver (New York: Norton, 1984), pp. 17–21.

64. Alain de Benoist, Réflexion sur l'identité nationale, in Une certain idée de la France: Actes du XIXe colloque national du GRECE (Paris: Le Labyrinthe, 1985).

65. Marlaud, Le renouveau païen, op. cit., p. 30; Vial, Servir la cause des peuples, op. cit.

66. Friedrich Nietzsche, The Birth of Tragedy, tr. by W. Kaufmann (New York: Vintage Books, 1967), 23; Marlaud, Le renouveau païen, op. cit., p. 29.

67. Mircea Eliade, The Sacred and the Profane: The Nature of Religion, tr. by W. Trask (San Diego: Harcourt Brace Javanovich, 1959), p. 68. Also Friedrich Nietzsche, Human, All Too Human: A Book for Free Spirits, tr. by M. Faber (Lincoln: University of Nebraska Press, 1984), 96.

68. Veyne, Did the Greeks Believe in their Myths?, op. cit.,pp. 3, 14–15; Les Grecs croyaient " leurs mythes: entretien avec Jean–Pierre Vernant, in Krisis 6 (October 1990).

69. Friedrich Nietzsche, Beyond Good and Evil, tr. by W. Kaufmann (New York: Vintage, 1966), 56; The Gay Science, op. cit., 285 and 341; Thus Spoke Zarathustra, tr. by R. J. Hollingdale (London: Penguin, 1961), The Vision and the Riddle and The Convalescent. And Also Phillippe Granarolo, le individu éternal: La expérience nietzschéenne de la éternité (Paris: Vrin, 1993), p. 37. Cf. M. C. Sterling, Recent Discussions of Eternal Recurrence: Some Critical Comments,in Nietzsche Studien 6 (1977).

70. Nietzsche, Human, All Too Human, op. cit., 24; Benoist, Les idées a la endroit, op. cit., p. 74; Armin Mohler, Devant l'histoire, in Nouvelle Ecole 27–28 (Winter 1974–1975).

71. Paul Chassard, Nietzsche: Finalisme et histoire (Paris: Copernic, 1977), p. 174; Clément Rosset, La force majeure (Paris: Minuit, 1983), pp. 87–89; Jean–Pierre Martin, Myth et cosmologie, in Krisis 6 (October 1990).

72 . Granarolo, L'individuél éternal, op. cit., pp. 34–52.

73. Friedrich Nietzsche, The Will to Power, tr. by W. Kaufmann and R. J. Hollingdale (New York: Vintage, 1967), 1032.

74. Nietzsche, The Will to Power, op. cit., 706; Chassard, La philosophie de l'histoire dans la philosophie de Nietzsche, op. cit., pp. 114–18

75. Eugene Fink, Nietzsches Philosophie (Stuttgard: Kohlhammer, 1960), pp. 75–92

76. Nietzsche, The Will to Power, op. cit., 639.

77. Nietzsche, Thus Spoke Zarathustra, Of the Vision and the Riddle, op. cit. Origins for Nietzsche do not bear the timeless essence of things, but rather the unencumbered expression of their original being, the "Herkunft" that serves as "Erbschaft." See Nietzsche, Genealogy of Morals, Essay II, 12; The Gay Science, op. cit., 83. Cf. Michel Foucault, Nietzsche, Genealogy, History,in Language, Counter–memory, Practice: Selected Essays and Interviews,tr. by D. F. Boucard and S. Simon (Ithaca: Cornell University Press, 1977).

78. Nietzsche, Will to Power, op. cit., 552; also 70; Giorgio Locchi, Ethologie et sciences sociales, in Nouvelle Ecole 33 (Summer 1979).

79. Mircea Eliade, The Myth of the Eternal Return or, Cosmos and History, tr. by W. Trask (Princeton: Princeton University Press, 1965), pp. 36, 85–86, 117; also Eliade,The Sacred and the Profane, op. cit., pp. 108.

80. Chassard, La philosophie de l'histoire dans la philosophie de Nietzsche, op. cit., pp. 121–22.

81. Nietzsche, The Gay Science, op. cit. 109.

82. Alain de Benoist, Vu de droite: Anthologie critique des idées contemporaires(Paris: Copernic, 1979), pp. 298–99.

83. Nietzsche, Thus Spoke Zarathustra, Of the Great Longing, op. cit. [Translation modified.]

84. Nietzsche, The Gay Science, op. cit., 233; Martin Heidegger, Nietzsche: The Eternal Recurrence of the Same, trans. D. F. Krell (San Francisco: Harper and Row, 1984), p. 245; Benoist, Les idées a la endroit, op. cit.,pp. 38–40.

85. Alain de Benoist, Fondements nominalistes d'une attitude devant la vie, in Nouvelle Ecole 33 (June 1979); Itineraire, in Nouvelle Ecole 24 (Winter 1973–1974).

86. Nietzsche, Thus Spoke Zarathustra, Of Redemption, op. cit.

87. Giorgio Locchi, L'histoire, in Nouvelle Ecole 27–28 (January 1976); and, from the same author, Nietzsche, Wagner e il mito sovrumanista (Rome: Akropolis, 1982).

88. Nietzsche, Thus Spoke Zarathustra, The Convalescent, op. cit.

89. Nietzsche, The Gay Science, op. cit., 34.

90. Granarolo, L'individu éternal, op. cit., pp. 133–44; Itinéraire, in Nouvelle Ecole 15 (March–April 1971). Cécile Guignard–Vanuxem probably best captures the civilizational significance of these different concepts of time in Vercingetorix, le défi des druides(Paris: Eds. Cheminements, 1997).

91. Lectures de Heidegger, in Nouvelle Ecole 37 (April 1982). For those inclined to follow the fraudulent argumentation of Victor Farias and approach Heidegger as pre–eminently a Nazi thinker, they might consult Silvio Vietta, Heidegger, critique du national–socialisme et du technique, tr. by J. Ollivier (Paris: Pardés, 1993); Jean–Pierre Blanchard, Martin Heidegger, philosophe incorrect (Paris: L'Aencre, 1997); and Alexander Schwan, Politische Philosophie im Denken Heideggers, 2nd ed. (Opladen, 1989).

92. Martin Heidegger, The Concept of Time, tr. by W. McNeill (Oxford: Blackwell, 1992), p. 19.

93. Martin Heidegger, Being and Time, tr. by J. Macquarrie and E. Robinson (New York: Harper and Row, 1962), 79.

94. Heidegger, Hegel's Phenomenology of Spirit, op. cit., 13b.

95. Heidegger, Being and Time, op. cit., 79; Benoist, Un mot en quatre lettres, op. cit.

96. Heidegger, Being and Time, op. cit., 65.

97. Heidegger, Being and Time, op. cit., 69 and 72; Benoist, Comment peut–on étre païen? op. cit., p. 26.

98. Martin Heidegger, On Time and Being, tr. by J. Stambaugh (New York: Harper and Row, 1972), pp. 11–15; Benoist, La religion de l'Europe, op. cit.

99. Heidegger, Introduction to Metaphysics, op. cit., p. 44.

100. Heidegger, Being and Time, op. cit., 65.

101. Heidegger, Being and Time, op. cit., 72, 76, and 79. The distinction between the selective character of memory, in its function as a people's cult of remembrance, and the scientific impulse of history, as it breaks with moral or ideological judgement, is emphasized in Alain de Benoist's Communisme et nazisme: 25 réflexions sur le totalitarisme au XXe siécle(Paris: Le Labyrinthe, 1998), pp. 9–13. In pointing out that memory demands affiliation and history distance, Benoist sides with history whenever the argument turns on the "facts" –– the objective truth –– of an issue. This, however, is a point whose problematic relation to an identitarian philosophy of history Grécistes have failed to clarify. As Heidegger argues, the objective truth" of the professional historian is usually an evasion of historical understanding insofar as this truth based on scientific methods and rules of procedures is mainly an expression of modernity's calculative logic: i. e. the factual explanation of "what is" is not necessarily the same as a knowing understanding –– or, said differently, what is scientifically correct may not be historically/ontologically true. Although Heidegger's distinction between correctness (in the sense of correspondence) and truth (as enowning being) is relatively unambivalent (see Contributions to Philosophy, op. cit., 76), Benoist often marshalls the "facts" against the selective memory of those with whom he polemicizes, assuming that memory based on distortion, ignorance, or repression is, ipso facto,at odds with history, and that "facts" and "history" ought to be understood in the conventional, i.e., objectivist, sense. While this suggest that the GRECE's historical philosophy is not to be confused with an identitarian solipsism, it still leaves unanswered the question of how "truth" relates to fact. Heidegger and the anti–empiricist tradition holds that truth, expressing being which is neither subjective nor objective but a "happening unfolding" in the world, alone orders "fact." Benoist, though, seems to hedge his argument here, conflating fact and truth in ways that would be unacceptable to Heidegger. This is especially evident in the various articles devoted to "Mémoire et histoire" in L'écume et les galet: 10 ans d'actualité vue d'ailleurs(Paris: Le Labyrinthe, 2000).

102. Robert Steuckers, Conception de l'homme et Révolution conservatrice: Heidegger et son temps,in Nouvelle Ecole 37 (April 1982); Charles Champetier, Homo Consumans: Archéologie du don et de la dépense(Paris: Le Labyrinthe, 1994)p. 98.

103. Martin Heidegger, The Word of Nietzsche, in The Question Concerning Technology and Other Essays, tr. by W. Lovitt (New York: Harper and Row, 1977).

104. Gianni Vattimo, The End of Modernity, tr. by J. R. Synder (Baltimore: John Hopkins University Press, 1985), pp. 51–64.

105. Heidegger, Being and Time, op. cit., 5; Miller, The New Polytheism, op. cit., p. 48.

106. Heidegger, The Concept of Time, op. cit., pp. 12–13; Guillaume Faye and Patrick Rizzi, Pour en finir avec le nihilisme,in Nouvelle Ecole 37 (Spring 1982).

107. R. G. Collingwood, The Philosophy of History(1930), in Essays in the Philosophy of History, ed. by William Debbins (New York: Garland, 1985), p. 138. Heidegger, though, goes a step farther than Collingwood: each generation must not only confront the heritage of its past, but appropriate what it finds essential in it in order to establish the upon which it projects its being. See Heidegger, Being and Time, op. cit., 65.

108. Heidegger, Being and Time, op. cit., 5.

109. Heidegger, Being and Time, op. cit., 29; Contributions to Philosophy,op. cit., 120 and 255. To see Dasein as pure existence, stripped of all security and standing,causes many commentators to misread Heidegger. For example, Karl Löwith, The Political Implications of Heidegger's Existentialism (1946), in New German Critique 45 (Fall 1988).

110. Heidegger, Being and Time, op. cit., 65

111. Heidegger, Contributions to Philosophy, op. cit., 92.

112. Heidegger, Being and Time, op. cit., 6 and 79.

113. Heidegger, Being and Time, op. cit., 74; Itinéraire, in Nouvelle Ecole 17 (March–April 1972).

114. Heidegger, Being and Time, op. cit., 75.

115. What is it is not current events and neither is it what is present right now. What is it is what approaches from what has–been and, as this, is what approaches.The inability to discern this difference between now and what is is linked to the present era's flight from history. See Martin Heidegger, The Principle of Reason,tr. by R. Lilly (Bloomington: Indiana University Press, 1991), pp. 80–81. The development of modern historical studies and what Nietzsche facetiously terms the historical sense has, relatedly, occurred in a period that has almost entirely divested the past of any realÀ meaning and made a hedonistic cult out of the moment.

116. Only a God Can Save Us: Der Spiegel Interview with Martin Heidegger(1966), in The Heidegger Controversy,ed. by Richard Wolin (Cambridge: Cambridge University Press, 1993), p. 106; also Heidegger, Being and Time, op. cit., 74.

117. Martin Heidegger, The Onto–theo–logical Nature of Metaphysics(1957), in Essays in Metaphysics, tr. by K. F. Leidecker (New York: Philosophical Library, 1960), p. 44; Contributions to Philosophy, op. cit., 91.

118. Eliade, Myth and Reality, op. cit., p. 92.

119. Heidegger, Being and Time, op. cit., 76.

120. Heidegger, Contributions to Philosophy, op. cit., 3 and 20.

121. Martin Heidegger, The Origin of the Work of Art(1935), in Basic Writings, pp. 149Ü and 187; Molnar and Benoist, Le éclipse du sacré, op. cit.,p. 215. In Diwald's epic history of the German nation, the "narrative" begins with the Yalta Conference of 1945 and "runs" backwards" to the founding of the first Reich, in what is the most extraordinary historiographical illustration of this key Heideggerian idea. See Helmut Diwald, Geschichte der Deutschen (Frankfurt/M: Ullstein, 1978).

122. Benoist, le empire intérieur, op. cit., p. 18.

123. Heidegger, Being and Time, op. cit., 65; Benoist, Le empire intérieur, op. cit. p. 17.

124. Martin Heidegger, The Anaximander Fragment(1946), in Early Greek Thinking, tr. by D. F. Krell and F. A. Capuzzi (San Francisco: Harper Collins, 1984), p. 18.

125. Benoist, La religion de l'Europe, op. cit.

126. Heidegger, Introduction to Metaphysics, op. cit., p. 39; Eliade, The Sacred and the Profane, op. cit., pp. 31 and 95; Benoist, La religion de lEurope, op. cit.

127. Heidegger, Introduction to Metaphysics, op. cit.,p. 6; Contributions to Philosophy, op. cit., 117 and 184.

128. Faye, Les nouveaux enjeax idéologiques, op. cit.,pp. 68 and 78; Heidegger, Being and Time, op. cit., 74.

129. Heidegger, Being and Time, op. cit., 74

130. Heidegger, Contributions to Philosophy, op. cit., 11.

131. Heidegger, Introduction to Metaphysics, op. cit., p. 152.

132. Heidegger, Being and Time, op. cit., 74.

133. Heidegger, Being and Time, op. cit., 74; Benoist, L'empire intérieur, op. cit., pp. 23–26. This merger of individual fate and collective destiny, it might be noted, intends not the sublation of the individual ego, but rather its enrootment and growth.

134. "Archeofuturism" is a term that Grécistes have yet to embrace. See Guillaume Faye, L'Archéofuturisme(Paris: L'Aencre, 1998), a landmark work of the new European nationalism.

135. Nietzsche, Thus Spoke Zarathustra, op. cit., Prologue, 5; cf. Francis Fukuyama, The End of History, National Interest 16 (Summer 1989).

136. Claude Lévi–Strauss, Anthrologie structurale(Paris: Plon, 1973), ch. 2. Cf. Giorgio Locchi, Histoire et société: critique de Lévi–Strauss,in Nouvelle Ecole 17 (Match 1972). Benoist has accordingly called America a cold society, frozen in an eternal present, without a past or a future. See Herte and Nigra, Il a était un fois l'Amerique, op. cit.,p. 92

137. Benoist, Les idées a l'endroit, op. cit., p. 41; Robert de Herte, Le retour des dieux, Eléments 27 (Winter 1978).

138. Alain de Benoist, Recours au paganisme, in Dieu est–il morte en Occident?, ed. by Daniéle Masson (Paris: Eds. Guy Trédaniel, 1998). In a related vein, Michel Marmin points out that Yeats, Joyce, Synge, and other luminaries of the Celtic Twilight –– arguably the greatest of all identitarian movements –– attempted no return to Eden or recourse to provincialism. Joyce, for example, in replenishing Irish roots . . . sought to nurture such thick and prodigious forests in Ireland that their shadows would be cast upon the whole world. See Les piége des folklore,in La cause des peuples, op. cit. See also Philip O'Leary, The Prose Literature of the Gaelic Revival, 1881–1921: Ideology and Innovation University Park: Pennsylvania State University Press, 1994).

139. Alain de Benoist, Horizon 2000: Trois entretiens(Paris: GRECE Pamphlet, 1996), p. 15; Heidegger, Introduction to Metaphysics, op. cit., p. 39; Contributions to Philosophy, op. cit., 5.

140.Whoever wants to go very far back . . . into the first beginning –– must think ahead to and carry out a great future. Heidegger, Contributions to Philosophy, op. cit., 23.

141. Martin Heidegger, Basic Concepts, tr. by G. E. Aylesworth (Bloomington: Indiana University Press, 1993), p. 17. Cf. also Russell Kirk, The Question of Tradition (1989), The Paleoconservatives: New Voices of the Old Right, ed. by Joseph Scotchie (New Brunswick: Transaction Publishers, 1999).

142. Maistra, Renaissance de l'Occident? (Paris: Plon, 1979), p. 295. The GRECE's recent qualified support of multiculturalism (see Eléments 91 [March 1998]) would seem to render this conclusion purely rhetorical. Yet, if Grécistes have begun to imbibe the universalism of the dominant ideology and retreat from the political implications of their historical philosophy, opposed in principle to any balkanization of the lands their forefathers settled, archeofuturism has nonetheless become part of the intellectual arsenal of other, more steadfast Europeanists. Guillaume Faye, for one, continues to uphold it and in several recent books has applied it to many of the most grievous European problems, doing so in ways that have renewed and radicalized it.

25 juni 2006

The rediscovery of ethnic identity door Dario DURANDO in Telos, issue 97.

The monumental events following the tall of the Berlin Wall (November 9, 1989) and the formal dissolution of the Soviet Union (December 25, 1991) brought about a radically new geopolitical order. They meant not only the end of the bipolar world and the partition of Europe as a result of the Yalta and Postdam agreements, but also the exhaustion of a turbulent cycle more than 70 years old, which defined a century of unprecedented violence. The end of this terrible period does not mean the "end of history" or the disappearance of force in relations between states. It does imply, however, a redefinition of those geopolitical relations leading to a more general evolution of thought and custom.


What is developing in social and political relations -- especially at the international level -- is a trans-modern Weltanschauung which approaches problems of state and society very differently from the way they have been dealt with in the 20th century. One of the characteristics of this new Weltanschauung is the rediscovery of values linked to "ethnic" identity (understood primarily in a cultural as opposed to a biological sense).



A New Trans-Modern International System

These new developments have been described as "a civilization of international politics."[l] While this characterization conceals questionable utopian features, it corresponds to actual international developments:

The growing abrogation of the traditional principle of international law concerning unlimited sovereignty within state borders. Specifically, there is a tendency by the international community to exercise a kind of stewardship to safeguard human rights.
Efforts to constitute a "new world order" based on the consensus of all the subjects of international relations, all having their own intrinsically "democratic" legitimacy. The US seems to have relatively clear ideas about the configuration of a "new world order." It is unlikely that these ideas, which presuppose the retention and strengthening of American hegemony, will be appreciated by the Europeans and the Japanese. It is clear, however, that the disintegration of the old bipolar order will have to be followed by a new system of international relations.
The use of collective military force (within the framework of the UN, EC or CSCE) for peace-keeping. The fact that European political elites have proven pathetically unequal to the task in the former Yugoslavia does not rule out the need for military intervention in various situations to prevent violations of human rights and contain violence.
The displacement of the narrow concept of national security -- the legacy of 18th and 19th century power politics -- infavor of collective defense or, rather, collective security (since it is inconceivable that today any state other than the US could meet its security requirements by itself or within the context of a system of traditional alliances).
Finally, the gradual shift of sovereignty from national states to supra-national organizations, and an attendant acceptance of limitations of a contractual nature on the exercise of sovereignty.
During the last few years there has been a transformation of the international community from a Hobbesian array of entities permanently on a war-footing to a "society" of states sharing some principles and seeking, even if very gradually, to impose normative behavioral standards. Although the dissolution of a 40-year old order creates more problems than it solves and is a slow and difficult process, it now seems irreversible. This is because it is a process determined not by endogenous causes of the international system but by a more general and pervasive evolution that could be designated as the shift to the trans-modern age.[2]

This trans-modern age does not recognize social and political dogma --great collective objectives based on mythical-symbolic foundations ("the fatherland" or "the proletariat") and focused on limited areas of human experience related to individual behavior: well-being, hedonistic concerns and, more generally, the tree development of the individual personality. It involves things which in various ways are crucial precisely because they are the presuppositions of pressing individual concerns, i.e., ecological awareness, the needs of the weak, the rejection of imperialism and belligerent attitudes, the overbearing desire for "good administration" and more direct political participation. This explains, among other things, the explosive electoral growth of the Northern League in Italy.



The Threat of a Universal Standardization

The other side of this coin is the absolute emptiness of "postmodernity" and the dissolution of monadic states armed against each other. This process goes hand in hand, not only with a growing internationalization of the economy but with the globalization of culture (in turn generated by a growing interpenetration of axiological constellations). The result is the often denounced threat[3] of the global adoption of the prevailing cultural model -- the American model, which is hegemonic to the extent that it emanates from the richest society and the most prosperous economy.[4] This adoption translates into a "cosmopolitan" homogeneity in Spengler's sense: empty, false and superficial.[5] To use an abused but vivid metaphor, it translates into a "global EuroDisney," i.e., the triumph of that abstract ahistorical universalism roofed in the Enlightenment.[6]

The result is a world reduced to an immense market unified by the flow of goods, services and capital. It is culturally standardized because it is permeated by a global informational network that is a product of the hegemonic Anglo-Saxon culture industry, and it transmits with enormous symbolic impact the values of a consumer society. Politically, it is structured hierarchically with the US at the head always ready to brandish Theodore Roosevelt's famous big stick.



Ethnic Differences as Sources of Identity,

The shift towards trans-modernity constitutes an irreversible historical process of the same magnitude as industrialization (which it mirrors, to the extent that the main characteristic of trans-modernity on the socio-economic level is the centrality of services based on information). The opposite can be said of the subjugation of the entire planet to a post-modem ideology that sees the economy as the foundation of the human condition, and differences or cultural specifities as minor and bizarre deviations from a global social "normality." These differences and specificities, however, constitute the most powerful obstacle to the diffusion of the universalist and economistic ideology, and to the transformation of the world in its image.

Cultural specificity is ethnic in character and must be approached in the context of an organized opposition to universal standardization. Here the anthropological and biological component of ethnicity is secondary, because it is irrelevant in social interactions. What is important is something else: the sense of ethnic belonging, i.e., an ethnic identification generated by a specific system of cultural production, cemented by a common language among the members of an ethnic group.[7] What is important about the ethnic dimension within the context of the contemporary global society is its ability to provide a "source of identity" -- a mechanism of identification based primarily on cultural and linguistic belonging, and only secondarily on a "blood-community." In other words, ethnic belonging is the ultimate form of generalized interpersonal solidarity and therefore the utmost instance of the "communitarian" and organic type of link described by Ferdinand Tonnies.[8]

The rooting of the individual within a "communitarian" environment characterized by strong linguistic and cultural ties represents the most effective antidote to the atomization and "anomie" typical of societies that Tonnies and Durkheim classified as "mechanistic" and which today could be called post-modern: unified at a global, artificial level because grounded in a sell-producing society, directed from the center of production of culture and information. In this global society the individual is increasingly alone. He is lost in the immensity of the social environment and exposed to an uninterrupted flow of information -- usually the product of other information. He is becoming less and less able to determine his own destiny and remains manipulated by those who hold the supreme power: the circulation of information.

The communitarian bonds peculiar to ethnic belonging are radically opposed to all these aspects of the globalized society. The experience of ethnicity reestablishes the individual at the center of a network of direct and immediate social relations -- immediate as the community of culture, tradition and language. It allows the recovery of contact with reality, beyond the mediating veil of self-perpetuating global information. It minimizes the influence of extraneous decisional powers to the ethnic communion and therefore allows for a more substantial participation by the single individual in processes of collective will formation.

Consequently, the so-called ethnic revival, the reappropriation by various ethnic groups of their own identity, the reevaluation of the "roots" of people and communities (i.e., the distinctive traits of their specific cultures), constitutes the most powerful weapon against global levelling -- the obliteration of differences, the depersonalizing fusion typical of "the melting pot" of global society. It is a powerful weapon against the universalist ideology of post-modernity, mythologized by the followers of so-called "weak thought."

Furthermore, it the rediscovery of the ethnic dimension means bringing the individual back in the center of social relations (as the actor of richer interpersonal relations, the subject interacting with a reality in fieri, and as the "citizen" actively involved in the decision-making process of his own community), how can it be denied that he is in step with the tendency of trans-modernity to center all aspects of reality around individual experience and to minimize, if not suppress, external conditioning? The specific line of development of a trans-modern approach can be seen as constituted precisely by the rediscovery of ethnicity: the "ethnic" -- and therefore federalist and autonomist --revolution as a global alternative to the crisis of the old order and to the threat of a new "post-modern" order that would obliterate all differences.



The Ethnic Revolution and the Shift to Trans-Modernity

Thanks to the resources they distribute, contemporary systems stimulate in individuals and groups the need for self-realization, communication and appropriation of the meaning of action, but they also expose them to fragmentation and conformity.[9] Traditional solidarity, ethnic identification and the particularism of language and culture can satisfy the needs of individuals and groups to assert their own difference in a context characterized by strongly impersonal social relations governed by the logic of organizations. Primary belonging and "birthplace" are brought into play in opposition to mass culture. Ethnic identity offers individuals and groups considerable certainty in an uncertain world. If territory is added to ethnicity, together they constitute the deepest dimensions of human experience. Birthplace not only has the power of tradition on its side, it counts on an even deeper bond in which biology and history combine. This is why the combination of ethnicity and territory has the explosive power to mobilize the innermost energies. While the other criteria of belonging weaken and recede, ethnic solidarity answers a need for a primarily symbolic identity. It provides roofs that have all the consistency of language, culture, and ancient history. The innovative component of national-ethnic identity has a peculiarly cultural character because the ethnic-territorial appeal challenges complex society concerning fundamental questions such as the direction of change as well as the production of identity and meaning.

Rooted in a heritage of relations and social symbols, difference addresses the whole of society about one of its radical dilemmas: how to save the meaning of human actions and the richness of diversity in a global context. Traditional language opposes the aseptic functionality of technological language and the newspeak of informatic language and advertisement. It articulates the many facets of human experience, the various nuances that have been sedimented in the deepest layers of human culture. The loss of this wealth is the loss of humanity as such. To this extent, national-ethnic movements speak for everyone --fortunately, still in their own language.

A broad survey of the different approaches to the problem of ethnicity has recently concluded that the classical view, according to which ethnicity is nothing but a "residual phenomenon in the transition from tradition to modernity" and is therefore destined to succumb to the inexorable advance of "secularization," is wrong and should be abandoned. On the contrary, "divisions, political mobilization and broad forms of social organization predicated on ethnic bases are not a residual phenomenon but will continue to have an important role in processes of collective mobilization and in systems of action. Their importance in industrialized society will increase. They must be considered as constitutive elements of these societies."[10] Thus it is necessary to start thinking in terms of ethno-territorial pluralism. It is illogical to go from the state, the nation and the "people" to the individual and to say that the ethnic communities within them do not count. It is unfair to accept or assume status and rights for states, nations and "peoples," and refuse them to historically-grounded ethnic communities.[11]

The goal must be to preserve, redefine and empower concrete and visible reference points -- ethnic formations as sources of symbolic identity and of a strong sense of belonging -- between the individual and the vast "uniform" expanse of global society.



Ethnic Groups and Abstract Jacobinism

The term "ethnic group" is used here to designate certain biological, linguistic, cultural and territorial realities in order to avoid the word "nation" -- a concept vitiated by terminological ambiguities. These ambiguities are a result of the fact that during the 19th and 20th centuries bourgeois ideologies have abusively applied the label of nation (which could be regarded as a synonym for "ethnic group" since the etymology refers simply to birthplace) to something other than the single ethnic group or nation. The nation of the Jacobins, the romanticists and finally the nationalists refers to the majoritarian ethnic group, or the hegemonic one which, through military power, conquers, dominates and often assimilates other ethnic groups. This was not just the case in France, but also in Spain, where for centuries what passed as Spanish (i.e., Castilian) was actually Galician, Catalan or even Basque.

Things are more complex, but it is sufficient to point out that ethnic groups here mean communities founded primarily on cultural, linguistic and territorial ties -- the culture of Bretons and not the one which, emanating over the centuries from the Ile de France, became hegemonic in Bretagne; the language spoken in Barcelona, not the one still imposed by law as recently as 15 years ago; the territory of the island called Ireland, not the two distinct sections in which it is still divided today.

In some cases, of course, an ethnic group may indeed correspond to a nation in the 19th century Jacobin sense (such as, e.g., Portugal and Denmark). One must, however, keep in mind that the relation between an ethnic group and the nation, and therefore the relation between an ethnic group and the unitary nation-state, is not obvious. not only can a state be multiethnic (e.g., Switzerland), but it can be so without admitting it (as in the case of France which, until very recently, did not even recognize the diversity of Corsica[12]), or admit it without drawing any consequences (as in the case of the United Kingdom, which does not deny the existence of a distinct Scottish and Welsh ethnic group, but would never dream of granting them any kind of autonomy).



Federalism, Regionalism and Independence

The rediscovery of a sense of ethnic belonging that reflects the individual's need for identity in today's atomized society is the first and most important step in contraposing the culture of differences and specificities to the universalistic and standardizing ideology of post-modernity (exemplified by the ubiquity of American audiovisual production). But where and how does the rediscovered and revitalized (or simply preserved) ethnic dimension fit in relations between states, nations and peoples? What place should ethnic groups occupy in the context of the new inter-state order that sooner or later will have to be built on the ruins of the old one?

The preservation of ethnic identity does not necessarily mean self-determination. It does not mean the uncontrolled proliferation of state entities predicated on mono-ethnic bases so as to turn the entire planet into an immense patchwork of small states, more or less ethnically "pure" and protected by external barriers and reciprocal defenses. This would not be a world society, global in dimensions and objectives but richly articulated with a flourishing of different experiences and particularities. Rather, it would be a bad replica of the 19th century system of nation-states, suspicious of each other and ready to go to war whenever border disputes arise.

Every ethnic group has to occupy its place in the community of peoples -- the place which history, geography and the dynamics of inter-cultural relations has reserved for it. More concretely, there are (and they are the most numerous) ethnic groups that constitute historically and culturally the hegemonic core (i.e., the nation in the Jacobin sense) of a "national unitary state" whose 19th century model still prevails.

French ethnic groups (Bretons, Flemish, Alsatians, Provencals) and Italian ones (Sardinians, Northerners belonging to the Italo-Gallic dialec, Ligurians, Piedmontese, Lombards, Northerners belonging to the Venetian group with Friulan -- South Tyrollans being something entirely different) clearly can only be located within the state to which they actually belong, whose structure has to be transformed in a federalist direction in order to allow each of them to preserve their cultural and linguistic characteristics (which, among other things, translates into a contribution to the cultural wealth and diversity of "French people," "Italian people" etc.).

Within the context of the existing unitary states, federalism is the most advisable solution for the protection and development of ethnic specificities. It is a matter of a development particularly suitable for Italy, where the aquisition of a common language (obtained probably at the price of a substantial cultural impoverishment) cannot hide the significant differences among the various ethnic components of the "Italian Nation." These are the result of the thousands of years that preceded the hasty centralist unification modeled on the the French experience. However, while an openly federalist proposal is always preferable in the abstract, it is clear that in countries such as France -- with a multi-secular centralizing tradition -- it does not have any chance of being considered for many generations to come. There, the proper model must be different and less ambitious: it will be a matter of regionalism -- a concept much more advanced than the actual division of the "Hexagon" in regions predicated merely on administrative decentralization. It will require an effort to make regions coincide with actual cultural and historical realities. There has recently been a proposal from groups extraneous to Savoyard autonomist groups to reunite the two departments of Savoy as an autonomous region which would reconstitute the territorial unity that lasted until 1860. It would also involve a transfer of power to the regions, no less important than that enjoyed by the Italian regions with special status.

A third and still different situation: ethnic groups that, because of anthropological, cultural and linguistic characteristics profoundly different from those of the hegemonic nation of which they historically have been a part, and because of the strength of their roofs in a given territory, can and must legitimately aim toward some form of self-government within a continuum that ranges from being part of a federal state (renouncing sovereignty only in foreign policy and security) to a confederation of sovereign states, to pure and simple independence. The Scots and the Basques belong in this category (in the same way that Slovenians, Croats and Slovaks have opted for total independence). As in the case of France, a note of caution is in order here. Since independence is highly unlikely, the defense and development of ethnic identity should be entrusted to less extreme means -- a hypothetical federal status for the Basque region, a semi-federal regional autonomy for Scotland (the devolution conservative governments stubbornly oppose).

There is yet another typology: trans-frontier cooperation among ethnic entities within the context of federal or at least regionalized states. It is a matter of relegating to local self-government, based on partial federal sovereignty or regional autonomy, further power to regulate matters through norms generated by "trans-frontier" agreements with federal states or regions belonging to other sovereign subjects.[13] At issue are those matters with trans-frontier relevance, i.e., major infrastructures, particularly in transportation, the environment, the exploitation of water resources, etc. Such an institutional framework is already provided by the "European General Covenant Convention," signed in Madrid May 21, 1980 dealing with trans-frontier or territorial collectivities and authorities promoted by the Council of Europe.[14]



The European Federation as a Common House of European Peoples

For Europeans the only institutional framework within which the recovery of ethnic belonging can take place is a federal one. The present evolution towards such an order undoubtedly will not produce immediate results because of considerable internal opposition. Yet this evolution ultimately will overcome (probably well into the 21 st century) all obstacles because only a broad continental aggregation with enormous economic, financial and cultural resources will be able in the future to compete successfully with other poles of world politics, such as the Pacific Rim and North America.

The future European federation will be founded on the principle of subsidiarity and will have to delegate not only to "nation-states," but also and above all to regional authorities, the necessary power to protect the ethnic identity of the various groups of European citizens. Within this framework a specific representation of single ethnic or regional subdivisions (including cases in which the regions have merely administrative objectives) will find a place next to the parliamentary organ elected by means of representative, direct and universal suffrage of all citizens without distinction (today's European parliament). The Committee of Regions projected by the Maastricht Treaty will lead to a real "Senate of the Regions of Europe" designated by parliaments, assemblies and councils of all the ethno-regional identities existing within EC member states.

* Originally published in Diorama Letterario No. 171 (Sept. 1993), pp.1-8. Translated by Franco Sacchi.



Notes:

1.Hanns W. Maull, "Zivilmacht Bundesrepublik Deutchland. Vierzehn Thesen fur eine neue deutsche Aussenpolitik," in Europa-Archiv, No. 10 (1992), p. 269ff.
2.Here "trans-modern" refers to the predicament resulting from the collapse of "modernity" (based on Enlightenment bourgeois values, all industrial economy and political and economic liberalism); while "post-modern" designates those social and cultural phenomena that are the end product of "modern civilization" and not part of its overcoming. On "post-modernity" as the mere dissolution of modernity, see Gianfranco Morra, ll Quarto uomo. Postmodernita o Crisi della Modernita (Rome: Armando, 1992), p. 22:
3.See Serge Latouche, L'Occidentalizzazione del Mondo. Sagaio sul Significato, la Portata e i Limiti dell'Uniformazione Planetaria (Turin: Bollart Boringhieri, 1992).
4.On symptoms of US cultural, economic and social decline, see Roberto Menotti, "I1 Dibattito sul 'Declino Americano'," in Politica Internazionale, Nos. 1-2 (1992) p. 115 ff.
5.See Oswald Spengler, ll Tramonto dell'Occidente (Milan: Longanesi, 1981), p. 922.
6.See Carlo Gambescia, "Comunitarismo contro Universalismo. Per una Critica del Paradigma Occidentale della Modernizzazione," in Trasgressioni, No. 14 (January-April 1992), p. 22ff.
7.Although somewhat dated, Anthony Smith's definition of"ethnic community," originally formulated in 1981, remains useful. See ll Revival Etnico (Bologna: 11 Mulino, 1984) p. 114.: "A social group whose members share a sense of common origins, claim an historical past, and a common and distinctive destiny, possess one or more peculiar attributes, and perceive a sense of collective unity and solidarity." Naturally, one of the "primordial" bonds for the formation of a sense of ethnic community is language. On "ethno-politics," see James Kellas, Nazionalismi ed Ernie (Bologna: I1 Mulino, 1993).
8.Recall the distinction between community and society outlined at the beginning of the second chapter of his famous work: "The theory of society moves from the construction of a group of men who, as in the community, live and dwell peacefully one next to other, no longer essentially bound, but separated. They are separated despite all the bonds. In the community they remain bound despite all the separations." See Ferdinand Tonnies, Comunita e Societal (Milan: Comunita, 1963), p. 83.
9.Paraphrased from Alberto Melucci and Mario Dani, Nazioni senza Stato. I Movimenti Etnico-Nazionali in Occidente (Milan: Feltrinelli, 1992) p. 184-96. The two authors have grasped with remarkable lucidity the liberating essence of the ethnic revival.
10.Daniele Petrosino, Stati Nazioni Elnie. ll Pluralismo Etnico e Nazionale nella Teoria Sociologica Contemporanea (Milan 1991), pp. 19 and 173.
11.V. Van Dyke, "The Individual, the State, and the Ethnic Communities in Political Theory," in World Politics, Vol. XXIX (1977), p. 369. Cited in Petrasino, op. cit., p. 203.
12.France still officially rejects the concept of"Corsican people within the context of the French people." See the decision of the Conseil Constitutionel n. 91-290 DC of May 9, 1991, that struck down as unconstitutional Article 1 of a bill on Corsican autouomy (now law n. 91-428, May 13, 1991), which used this designation. See Edmond Jouve, Relations lnternationales (Paris 1992) p. 170 ff.
13.It is quite normal that confederate states maintain "sovereign" powers even in matters of international relations, as in the case of the Swiss Cantons, according to Article 9 of the federal constitution.
14.With regard to the cultural roofs of the political and institutional concept of "trans-frontier cooperation," an obvious case is that of the Western Alps. It is appropriate to quote here an academic with no "separatist" sympathies, who was also a member of the Italian Parliament for the Italian Republican Party: "The long common vicissitudes which brought together Piedmont and Savoy demonstrates that the real Europe, the one of the people, can be created. A Europe beyond treaties and parliaments, which would become a meeting place in mutual dignity and freedom for all the small homelands of the West, which the national states have coerced with considerable violence." See Luigi Firpo, Genre di Piemonte (Milan 1993), p. 8.

[Telos, Fall93, Issue 97]

20 juni 2006

Rechts denken in Nederland - Zaaien op brakke grond door Erik van GOOR op OpenOrthodoxie, 20 juni 2006.

Op verzoek van de redactie van www.HetVrijeVolk.com mocht ik onlangs als redacteur van www.OpenOrthodoxie.nl iets over onze webstek zeggen. Iets wat meteen een mooie gelegenheid was om iets over rechts denken en rechtse discoursvorming in Nederland te zeggen.


Nu zijn verschillende lezers misschien wel benieuwd naar wat Open Orthodoxie is. Voor onszelf is het interessanter om in te gaan op de vraag naar het veld waarin Open Orthodoxie wil opereren. Daarom heb ik ervoor gekozen, om na een inleiding over Open Orthodoxie iets over de noodzaak van een rechts Nederlands discours te zeggen, een discours waarin zowel Open Orthodoxie als Het Vrije Volk een plek hebben.

Begin 2004 startten enkele orthodoxe conservatieven het project OpenOrthodoxie - podium voor weerbare burgers. Zonder organisatie wilden we een paleoconservatieve evenknie neerzetten naast de diverse neoconservatieve geluiden die er al in ons land te horen zijn, niet in het minst (begin 2004) bij de Edmund Burke Stichting. Met weinig middelen en zonder al teveel pretentie wilden we beetje bij beetje bouwstenen verzamelen die nodig zijn bij het ontwikkelen, ontdekken en vastleggen van een gedachtegoed dat we "'Open Orthodox" noemden: voor ons een verzamelterm voor orthodox, conservatief en klassiek.

Wat is Open Orthodoxie? De naam suggereert op z’n minst een orthodoxe missie. Dit was vooral voor de start slechts ten dele waar. Want vlak na de start van de website merkten we al vrij snel dat de orthodoxie in Nederland allesbehalve rechts, conservatief is en zich nauwelijks identificeert met de belangen van het Nederlandse volk. En ook: onze lezers en medewerkers waren van meet af aan vaak helemaal niet zo orthodox. Wat ze wel hadden was een voorkeur voor conservatief, klassieke en gezond denken. En wat – ironischerwijze - veel mensen die weerzin hadden tegen ons project waren, wisten we ook al vrij snel: die waren vaak orthodox (protestants en evangelicaal).

Waar we dus achter kwamen, was dat er in ons land niet zozeer behoefte was aan een zoveelste christelijke club, maar dat er behoefte was aan een paleoconservatieve club die weliswaar wortelt in de christelijke traditie van ons land, maar die zich niet bezig houdt met vragen rond persoonlijk geloof en bekeringsijver, maar met vragen rond constitutie, volk, de menselijke natuur en het verband tussen deze “natuur” en zaken als cultuur en religie. Wat we dus voorstonden was eigenlijk een vorm van “objectief” christendom waar ook niet-christenen in konden participeren. En dat niet om als niet-gelovige de orthodoxe kern maar volgzaam na te wandelen. Want al vrij snel zagen we in dat (juist) een paleoconservatieve aanpak vaak gepaard gaat met fundamentele kritiek op een christendom dat behalve veel goeds, ook veel ziekelijks heeft geïncorporeerd in onze cultuur: een barmhartigheidsfetisjisme en een obsessie voor solidariteit met vreemdelingen.

Orthodoxie: haat en liefde
En we konden niet anders dan stellen dat om onze cultuur te verstaan weliswaar het christendom nodig is, maar dat dit ook opging om de zwakke en rotte plekken van onze westerse cultuur te kennen en te doorgronden. Want die cultuur was en is volgens ons behoorlijk ziek. Er zijn zeker voldoende zaken om als orthodox trots op te zijn: de traditie van weerbare zelfredzaamheid en constitutionalisme in de antirevolutionaire traditie bijvoorbeeld, of het feit dat constitutionalisme, mensenrechten en vrije markt door Spaanse theologen is ontwikkeld (als reactie op een eveneens christelijke contrapraktijk). En wat ons als paleoconservatieven van Open Orthodoxie met name aansprak was de traditie van vrijheid, gelimiteerde macht, recht van afscheiding en bottom up denken bij – meest orthodoxe - confederale cq. republikeinse denkers als Althusius, Calhoun en Rutherford.

De non-utopische en anti-idealistische traditie van landen als de vroege Verenigde Staten, de Hollandse Republiek en van Zwitserland voor de Franse interventie kon wel eens de remedie zijn tegen een Staat die in onze tijd steeds meer totalitaire en alomvattende trekken krijgt – zo al niet reeds heeft. In het licht van deze mannen die nog zo duidelijk het gevaar van de Staat als Leviathan zagen die de oude rechten en vrijheden zou elimineren, is de houding van het westerse christendom beschamend. En is juist die van andere – niet gelovigen – vaak meer een voorbeeld, zoals die van de Duits-Amerikaanse paleolibertariër Hans Hermann Hoppe.

De kernpunten van Open Orthodoxie verschoven dus steeds meer richting zaken als “paleoconservatisme”, “republikanisme”, “confederalisme” en “constitutionele vrijheden”. Dat we daarom de vraag hebben stellen of de vlag – de naam Open Orthodoxie – nog wel de lading dekt, hoeft dus niemand te verbazen. En nog minder dat in de loop van dit jaar deze naamswijziging doorgevoerd zal worden.

Rechtse armoede en versplintering
Door onze blik steeds verder uit te werpen, merkten we al snel de desolate toestand van het gezonde, rechtse denken in ons land. Want wie met rechtse ogen naar de wereld kijkt en toevallig ook nog in Nederland woont, heeft geen best leven. Is de situatie in alle westerse landen beroerd, in

Nederland is die waarschijnlijk het beroerdst. En de vraag is: wat kunnen mensen met een rechts hart daaraan doen?
Zo op het eerste gezicht weinig tot niets. Elke actie wordt immers in de kiem gesmoord. Want is het niet zo dat wie zich in Nederland rechts, nationalistisch, conservatief of paleo-libertarisch noemt, hiermee politieke, intellectuele, culturele en religieus/morele zelfmoord pleegt? En wie is bereid zijn nek uit te steken wanneer dit het einde betekent van iemands carrière? Het gevolg is vaak versplintering en deze splinter blijken vaak speelbal voor radicalisering en laten zich bovendien vrij makkelijk uit elkaar spelen door linkse media en actieclubs.

Deze vijandige sfeer ten aanzien van het rechtse denken is in ons land een gecultiveerd en openlijk gebeuren. Aan de tand voelen van deze misstanden heeft dus weinig tot geen zin. Je riskeert er hoogstens mee dat je eveneens in verkeerd hoek wordt weggezet. Bovendien is de elite van ons land ook nog trots op deze beklemmende atmosfeer – een twijfelachtige eer die we overigens delen met enkele Scandinavische landen.

Hoe doorbreken we deze situatie? Nog afgezien van de vraag naar de mogelijke kans van slagen? Open Orthodoxie denkt niet het wiel te hebben uitgevonden, maar door naar vergelijkbare situaties in andere landen te kijken, kunnen we wel wat leren. Bijvoorbeeld naar landen waar langzamerhand een rechtse c.q. conservatieve tegenbeweging op gang is gekomen: Frankrijk, België en de Verenigde Staten. Door hun aanpak leren we als het ware onze eigen misère kennen.

Analyse
Een belangrijk iets dat we dan leren is dat onze misère voornamelijk hierin bestaat dat het ons ontbreekt aan de benodigde kanalen. Ten eerste ontbreekt het aan rechtse media. Ten tweede aan grote rechtse partijen van belang. En ten derde ontbreekt het aan een draagvlak op de gevestigde academies. Wie boeken leest over de Amerikaanse context, zoals The Conservative Intellectuel Movement van George Nash, The Conservative Movement van Paul Gottfried en America the Virtuous van Claes G. Ryn, valt op hoe breed en gelaagd de analyse van de Amerikaanse conservatieven is en hoe gelaagd hun aanpak. Deze aanpak is allesbehalve louter en alleen intellectueel, maar ook allesbehalve louter en alleen politiek-pragmatisch. Verder valt op hoezeer men in de Verenigde Staten in staat is van de nood – het ontbreken van de kanalen – een deugd te maken.

Maar wat we vooral van de VS kunnen leren is dat we niet buiten de volgende drie zaken heen kunnen: 1) een sterke interne debatcultuur van rechtse en conservatieve instellingen onderling; 2) uiteenlopende en botsende rechtse en conservatieve componenten met een eigen heldere, politiek en intellectueel onderbouwde werkelijkheidsvisie en identiteit; en 3) een aanpak en een wil om de situatie te durven bestempelen als een “culture war” die om een alomvattende, brede en integrale visie en aanpak vraagt.

Wie dus in een land – in ons land - wil zorgen voor een rechtse cultuuromslag moet daarom rekening houden met deze drie velden. Het begin in de oscillatie tussen gedachtegoed enerzijds en opinie/informatie anderzijds – die moet leiden tot de vorming van een discours. Dit discours – denkklimaat – moet zich nestelen in de maatschappij en kan – en moet – resulteren in vormen van organisatie zoals een politieke partij. Als het goed is ontstaat er dan ook een oscillatie – wisselwerking – tussen denkklimaat en ”partijvorm”.

Dit klinkt vrij abstract. Maar het volgende moet klip en klaar zijn: organisatievormen zoals politieke partijen zijn in ons land van levensbelang – dit bij gebrek aan – echt sterke – instituties zoals monolithische – die zich als één blok kunnen opstellen - locale en regionale gemeenschappen, kerken en culturele lagen van de bevolking (bijv. een conservatief blue collar proletariaat zoals in de VS, of een klassiek georiënteerde elite zoals in Groot-Brittannië).

Problemen
In een vijandig cultureel klimaat als het Nederlandse is het daarnaast van levensbelang als partij gedragen te worden door een achterland van diverse groepen en instellingen. Hier komen enkele levensgrote problemen aan het licht. “Rechts” Nederland kent in haar versnippering geen gemene deler. De media en de academies die hiervoor zouden kunnen zorgen, zijn er niet (meer) en de groepen die elders nog voor enig gewicht in de schaal zouden kunnen zorgen (regionale en religieuze pressiegroepen) zijn in ons land òf volkomen irrelevant, òf staan volkomen vijandig ten opzichte van het rechtse denken.

Bij gebrek aan eigen academies en media zoals kranten en omroepen, is het rechtse discours in Nederland, net als in landen als de Verenigde Staten, België en Frankrijk, dus aangewezen op particuliere initiatieven zoals denktanks, studieclubs en alternatieve media op internet. Deze landen laten zien dat rechtse politiek zich kan ontwikkelen buiten de gevestigde media en zelfs buiten de academies om. (Of een beweging op langere termijn wel kan overleven zonder media en academie is een gerechtvaardigde vraag die overigens in de VS o.m. door Claes G. Ryn wordt gesteld. [1])

De voorwaarde van de juiste mindset
Noodzakelijke voorwaarde voor een alternatieve tegenbeweging is de mindset van een volk. In zowel de Verenigde Staten, Frankrijk als in België is er een volksmentaliteit die weinig tot geen waarde hecht aan officiële instellingen op politiek, universitair en media-gebied. De vijandige houding van de burger ten aanzien van de Staat in Frankrijk moge genoegzaam bekend zijn, maar vergelijkbare attitudes kun je aantreffen in landen als Italië, België en de VS [2].

Deze houding komt echter niet uit de lucht vallen. Deels is ze het gevolg van een politieke cultuur en traditie die in geval van landen als Frankrijk en Italië sterk Machiavelliaans is gekleurd en kan worden getypeerd door het type machtspolitiek. Deels is ze gevormd door sterke historische en levende tradities die doorwerken in het zelfbewustzijn van de gewone man en die onder meer politieke, culturele, morele en staatkundige implicaties hebben. In dit geval kunnen we denken aan landen als België en de Verenigde Staten.

In beide laatstgenoemde landen wordt een traditie van een gezaghebbende volkscultuur (met vormen van civil religion [3]) gecombineerd met – resten van – een traditie van confederalisme (historisch en/of actueel) en weerbaar burgerschap. In België kunnen we daarnaast ook denken aan de zogenaamde “Vlaamse kwestie” waarvan een partij als VlaamsBelang van profiteert, zeker nu partijen als CD&V en N-VA deze kwestie minder uitdragen als voorheen. Wie deze levende realiteiten meent te lijf te kunnen gaan met een Francofone politiek in België, hetzij met neoconservatief Hobbesianisme zoals in de VS [4] voedt juist de weerstand die er vanuit de reserves van sterk volksbewustzijn en dito burgerschap opkomen.

En het is nog maar de vraag of deze basisvoorwaarde – die voor het opzetten van vitale alternatieve media en academische denktanks – in een land als Nederland wel voldoende aanwezig is om landen als de VS succesvol na te bootsen. De overheid heeft in Nederland weliswaar veel overgenomen, maar als we dat vergelijken met landen als België en Frankrijk is dat niet de enige reden waarom het uitgangspunt in Nederland minder rooskleurig is voor rechtse bewegingen als in genoemde landen. Wan wat voor een vitale rechtse cultuuromslag van belang is, zijn niet alleen de componenten “partij” en “discours”, maar is ook datgene waar een volk op terug kan grijpen – als het moet tegen de gevestigde orde in, en dat zonder naar eigen besef disloyaal te zijn aan het historische nationale belang. In Amerika is dat de Constitution, in Vlaanderen de Vlaamse taal en cultuur, in Frankrijk en Italië zijn dat de regio’s die zich verzetten tegen de centralistische machtsstaat vanuit Parijs of Rome.

En Nederland dan?
Bestaat er zo’n element in Nederland? Zijn wij in staat iets dergelijks op te noemen waarmee ons volk vertrouwen kan krijgen in eigen kracht – genoeg om desnoods tegen de heersende politieke en culturele klimaat in te gaan? Het lijkt er niet op. De mindset van de Nederlander is dualistisch en weinig productief voor een rechtse beweging in spé. Er is in ons land enerzijds een levensgroot vertrouwen in "His Masters Voice", hetzij in de vorm van kranten en opinieleiders, hetzij in de vorm van specialisten, wetenschappers, vakbondsleiders, geestelijken en politici. In weerwil van ons losgeslagen, vrijgevochten, geseculariseerde en autonome cultuurtje doet vermoeden zijn we juist (en juist daarom?) een zeer gedwee volkje wat alles slikt wat anderen ons voorschotelen. Anderzijds leeft er in ons volk een sterke neiging tot rebellie en doorslaan in het volgen van de tijdgeest [5]. Niet zo vreemd als men bedenkt dat de keerzijde van de “januskop” onderworpenheid vaak die van de (tijdelijke) opstandigheid is. Onderworpenheid lokt als vanzelf rebellie uit en rebellie slaat vanzelf van de weeromstuit om in onderworpenheid.

Opstand en rebellie zijn niet alleen ongevaarlijk wanneer er geen onomstotelijke, onvervreemdbare basis aan ten grondslag ligt; ongefundeerde rebellie is zelfs productief voor de tegenstander. De Volkskrant-medewerker Hans Wansink stelt in zijn dissertatie naar aanleiding van het "Geval Pim Fortuyn" dat het huidige systeem elke bedreiging na een periode van afweer en verweer uiteindelijk in zich opneemt en zodoende zichzelf versterkt ten aanzien van eventuele toekomstige aanvallen op het systeem [6]. Fortuyn werd eerste genegeerd. Toen dat niet hielp probeerde men hem weg te honen tot aan scherpe aanvallen toe. Na het onomstotelijke “succes” van zijn inzet, presteerde men echter om als Haags gebeuren zogenaamd met Fortuyn’s ideeën aan de haal te gaan en deze te incorporeren in het bestaande systeem om zodoende haar macht, en daarmee tegelijkertijd de onmacht van de burgers en de critici, te versterken.

De organische Staat die Wansink beschrijft, “gebruikt” rebellie en opstandigheid om zich sterker te maken. Opstandige mensen geven zich immers bloot, zijn kwetsbaar en laten de (veelal negatieve) gevolgen zien van onconformistisch gedrag. Deelname aan partijen als de Centrumpartij of aan de LPF is niet goed voor je cv wanneer je bijvoorbeeld een academische loopbaan verkiest. De gevestigde orde van politici, duizenden ambtenaren, beleidsmedewerkers, onderzoekers en journalisten eigent zich ondertussen “de vondst” toe en het effect is niet alleen weg – de nieuwe situatie is nog uitzichtlozer dan voorheen.

Superlegaliteit en autonomie
De omgeving voor rechtse politiek en gedachtevorming is niet alleen vijandig, maar ook effectief in haar vijandigheid. Het is dus nodig om rekening mee te houden met het mechanisme dat Wansink beschrijft. Dit rekening houden met de organische Staat kan op twee manieren. Ten eerste moet er in Nederland, net als in landen als de VS en België, een superlegale [7] basis worden geformuleerd op basis waarvan iedere Nederlander zich kan verweren tegen de overheersende politieke en culturele atmosfeer in dit land, zonder daarmee – naar eigen inzicht – in te gaan tegen datgene waar dit land voor staat of voor dient te staan. Deze “superlegaliteit” dient te fungeren als gemeenschappelijke noemer in een te vormen rechts kamp.

Ten tweede zal het vormen van een rechts "discours" ook werkelijk moeten betekenen: voorrang geven aan het rechtse discours. Tot nu toe is veel “rechtse” geluiden vaak niet veel meer dan reacties op datgene wat de (linkse) media en cultuur ons aanreiken. We zullen eigen thema’s moeten ontwikkelen waarvan het onmogelijk is dat links ze toeëigent! We zullen ons bijvoorbeeld moeten afvragen of het begrip integratie niets anders is dan een linkse truc om ons haar eigen maakbaarheidsdenken (integratie) toe te eigenen. Voorrang geven aan het “rechtse discours” betekent dat “rechtse” standpunten per definitie veel interessanter zijn dan “linkse”. Bijvoorbeeld: een pleidooi voor wapenbezit is dan per definitie interessanter dan het veiligheidsvraagstuk dat ook links zich kan toeëigenen (en deels ook gedaan heeft). De houding die we met het tweede punt voorstaan, is die van de “autonomie” van het rechtse denken.

Rol en betekenis Open Orthodoxie
Open Orthodoxie kiest er daarom voor om niet louter en alleen in te zetten op de vormen van alternatieve internetmedia, partijorganisatie en discoursvorming. Behalve deelname aan deze drie elementen lijkt het ons van levensbelang om te komen tot een zogenaamde “superlegale basis”. Deze superlegale basis hebben wij gevonden in het samengaan van een aantal fundamentele elementen, die van “constitutie”, “natuur”, “historie” en “verbond”. Dit uitgangspunt brengt ons ertoe om te stellen dat de werkelijkheid – ook de politieke – niet louter en alleen rationeel is. Datgene dat wordt aangevoeld door de gewone man heeft ook recht van bestaan. Deze waardering van het populisme betekent niet een opgaan in het populisme. Net als rationalisme is populisme makkelijk te beïnvloeden door hetzij onmogelijkheden voor te schotelen, hetzij met een minimum aan tegemoetkoming te komen om zodoende de kritische massa (rationele) kritiek of (populistische) onvrede te neutraliseren.

Maar net zoals we onze oren niet mogen sluiten voor rationele kritiek, mogen we onze ogen sluiten voor populistische uitingen, al zijn deze niet altijd “constructief” of “mooi”. Maar allereerst moeten we beide zaken funderen in zaken als “natuur” en “historie”. Rationaliteit of (om iets geheel anders te noemen) morele esthetische overgevoeligheid leidt altijd tot defaitisme. Zonder commons senses en common beliefs – die wijzen op de superlegale basis – is de burger speelbal voor de blinde machten. Deze burger moet weerbaar worden gemaakt en worden bevrijd van de technieken van de moderne politiekcorrecte totalitaire staat die zich diep in onze psychologie heeft in genesteld.

Om weerbaar te worden, zullen we zo nu en dan onze blik moeten afwenden van de linkse omgeving. De verschillende onderdelen van het rechtse denken hebben tijd, luwte en rust nodig om uit te kristalliseren. Want niet iedere rechtse Nederlander is bijvoorbeeld een conservatief. Niet iedere conservatief weet dat hij of zij er één is. En niet iedere conservatief is er ook daadwerkelijk één (maar is bijvoorbeeld een neoconservatief of een neoliberaal). Deze benadering doet volgens ons recht aan het feit dat bijvoorbeeld Het Vrije Volk en Open Orthodoxie niet op één hoop zijn te gooien. En dat hoeft ook niet.

Maar als we de “superlegale basis” kunnen beschrijven en kunnen delen, is het mogelijk om de samenhang tussen de dingen te ontdekken. Dan zien we dat het bewaken van de eigen (westerse) relatieve welstand tegenover de massa’s buiten Europa niet moreel verwerpelijk is omdat we inzicht hebben gekregen in de menselijke natuur. En dan gaan we aan de lopende band nieuwe dingen ontdekken die we kunnen toepassen in een “rechts” denk- en leefklimaat. Om daar blijvend politieke munt uit te slaan. Zij het dat dit alleen mogelijk is binnen een partij (en partijstructuur) die recht doet aan bovengenoemde elementen: de republikeinse structuur.

Tot die tijd blijft rechts denken in Nederland zaaien op brakke grond.

Noten
[1] Claes G. Ryn, America the Virtuous - The Crisis of Democracy and the Quest for Empire, New Brunswick, NJ/London, 2003.
[2] Bruce Bawer, “Niet informeren, maar opvoeden”, in Trouw d.d. 10/06/2006.
[3] Bas Hengstmengel, Geen liberale staat zonder christendom, op Open Orthodoxie d.d. 19/06/2006.
[4] Arend Jan Boekestijn, “Met Thucydides op oorlogspad”, in Trouw d.d. 22 maart 2003.
[5] Zie voor dit “typisch Nederlandse verschijnsel”, namelijk het moeiteloos en snel aanpassen aan en meegaat met de “tijdgeest”, de dissertatie van James C. Kennedy, Nieuw-Babylon in aanbouw - Nederland in de jaren zestig, Amsterdam/Meppel 1995.
[6] Hans Wansink, De erfenis van Fortuyn: de Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers, Amsterdam, 2004.
[7] Zie voor het begrip “superlegaliteit” Bart Jan Spruyt, De toekomst van de stad, Zoetermeer 2005.

Bron: Open Orthodoxie

30 april 2006

"The Widening Gyre" a review door Michael O'MEARA, 2005

Book-Review of La convergence des catastrophes by Guillaume Corvus, Paris: Diffusion International, 2004, 221 Pages.

Michael O'Meara



I

Nearly three hundred years ago, the early scientistic stirrings of liberal modernity introduced the notion that life is like a clock: measurable, mechanical, and amenable to rationalist manipulation. This modernist notion sought to supplant the traditional one, which for millennia held that life is organic, cyclical, and subject to forces eluding mathematical or quantifiable expression. In this earlier view, human life was understood in terms of other life forms, being thus an endless succession of seasons, as birth, growth, decay, and death followed one another in an order conditioned by nature. That history is cyclical, that civilizations rise and fall, that the present system will be no exception to this rule -- these notions too are of ancient lineage and, though recognized by none in power, their pertinence seems to grow with each new regression of the European biosphere. With Corvus' Convergence des catastrophes, they assume again something of their former authority.

"For the first time in its history," Corvus writes, "humanity is threatened by a convergence of catastrophes." This is his way of saying that the 18th-century myth of progress -- in dismissing every tradition and value distinct to Europe -- is about to be overtaken by more primordial truths, as it becomes irrefutable evident that continued economic development creates ecological havoc; that a world system premised on short-term speculation and financial manipulation is a recipe for disaster; that beliefs in equality, individualism, and universalism are fit only for a social jungle; that multiculturalism and Third World immigration vitiate rather than re-vitalize the European homelands; that the extension of so-called republican and democratic principles suppress rather than supplant the popular will, etc. In a word, Corvus argues that the West, led by the United States, is preparing its own irreversible demise.

II

Though Convergence des catastrophes takes its inspiration from the distant reaches of the European heritage, its actual theoretical formulation is of recent origin. With reference to the work of French mathematician René Thom, it first appeared in Guillaume Faye's L'archéofuturisme (Paris: L'aencre, 1998), arguably the most important work of the "new European nationalism." Indeed, those familiar his style and sentiments are likely to suspect that "Corvus" is Faye himself.

Anticipating today's "chaos theory," Thom's "catastrophe theory" endeavored to map those situations in which gradually changing circumstances culminate in abrupt systemic failure. Among its non-scientific uses, the theory aimed at explaining why relatively smooth changes in stock markets often lead to sudden crashes, why minor disturbances among quiescent populations unexpectedly explode into major social upheavals, or why the Soviet Union, which seemed to be surpassing the United States in the 1970s, fell apart in the 1980s. Implicit in Thom's catastrophe theory is the assumption that all systems -- biological, mechanical, human -- are "fragile," with the potential for collapse. Thus, while a system might prove capable of enormous expansion and growth, even when sustaining internal crises for extended periods, it can, as Thom explains, suddenly unravel if it fails to adapt to changing circumstances, loses its equilibrium, or develops "negative feedback loops" that compound existing strains.

For Corvus -- or Faye -- the liberal collapse, "the tipping point," looks as if it will occur sometime between 2010 and 2020, when the confluence of several gradually mounting internal failures culminate in something more apocalyptic. Though the actual details and date of the impending collapse are, of course, unpredictable, this, he argues, makes it no less certain. And though its effects will be terrible, resulting in perhaps billions of dead, the chaos and violence it promises will nevertheless prepare the way for a return to more enduring truths.



III

What is this system threatening collapse and what are the forces provoking it? Simply put, it is the technoeconomic system born of 18th-century liberalism -- whose principal exemplar has been the United States and Europe, but whose global impetus now holds most of the world in its grip.

Faye's work does not, however, focus on the system per se. There is already a large literature devoted to it and, in several earlier works, he has examined it at length. The emphasis in Convergence des catastrophes is on delineating the principal fault lines along which collapse is likely to occur. For the globalization of liberal socioeconomic forms, he argues, now locks all the world's peoples into a single complex planetary system whose fragility increases as it becomes increasingly interdependent. Though it is difficult to isolate the catastrophes threatening it (for they overlap with and feed off one another), he believes they will take the following forms:

- The cancerization of the social fabric that comes when an aging European population is deprived of its virile, self-confident traditions; when drug use, permissiveness, and family decline become the norm; when a dysfunctional education system no longer transmits the European heritage; when the Culture Industry fosters mass cretinization; when the Third World consolidates its invasion of the European homelands; and, finally, when the enfeebling effects of these tendencies take their toll on all the other realms of European life.

- The worsening social conditions accompanying these tendencies, he predicts, will be exacerbated by an economic crisis (or crises) born of massive indebtedness, speculation, non-regulation, corruption, interdependence, and financial malpractices whose global ramifications promise a "correction" more extreme than that of the 1930s.

- These social and economic upheavals are likely to be compounded by ecological devastation and radical climatic shifts that accelerate deforestation and desiccation, disrupt food supplies, spread famine and disease, deplete natural resources (oil, along with land and water), and highlight the unsustainability of the world's present overpopulation.

- The scarcity and disorders these man-made disasters bring will not only provoke violent conflicts, but cause the already discredited state to experience increased paralysis, enhancing thus the prospect of global chaos, especially as it takes the form of strife between a cosmopolitan North and an Islamic South.

These catastrophes, Faye argues, are rooted in practices native to liberal modernity. For the globalization of Western civilizational forms, particularly American-style consumerism, has created a latently chaotic situation, given that its hyper-technological, interconnected world system, dependent on international trade, driven by speculators, and indifferent to virtually every non-economic consideration, is vulnerable to a diverse range of malfunctions. Its pathological effects have indeed already begun to reach their physical limit. For once the billion-plus populations of India and China, already well embarked on the industrializing process, start mass-producing cars, the system will simply become unfit for human habitation. The resource depletion and environmental degradation that will follow are, though, only one of the system's tipping points.

No less seriously, the globalizing process creates a situation in which minor, local disputes assume planetary significance, as conflicts in remote parts of the world are imposed on the more advanced parts, and vice versa. ("The 9/11 killers were over here," Pat Buchanan writes, "because we were over there.") In effect, America's "Empire of Disorder" is no longer restricted to the periphery, but now threatens the metropolis. Indeed, each new advance in globalization tends to diminish the frontier between external and internal wars, just as American sponsored globalization provokes the terrorism it ostensively resists. The cascading implication of these developments have, in fact, become strikingly evident. For instance, if one of the hijacked Boeings of 9/11 had not been shot down over Pennsylvania and instead reached Three-Mile Island, the entire Washington-New York area would have been turned into a mega-Chernobyl -- destroying the U.S. economy, as well as the global order dependent on it. A miniature nuke smuggled into an East Coast port by any of the ethnic gangs specializing in illegal shipments would have a similar effect. Revealingly, speculation on such doom-day scenarios is now seen as fully plausible.

But even barring a dramatic act of violence, catastrophe looms in all the system's domain's, for it is as much threatened by its own entropy (in the form of social-racial disorder, economic crisis, and ecological degradation), as it is by more frontal assaults. This is especially the case with the global economy, whose short-term casino mentality refuses the slightest accountability. Accordingly, its movers and shakers think nothing of casting their fate to fickle stock markets, running up bankrupting debts, issuing fiat credit, fostering a materialistic culture of unbridled consumption, undermining industrial values, encouraging outsourcing, de-industrialization, and wage cutting, just as they remain impervious to the ethnocidal effects of international labor markets and the growing criminality of corporate practices.



IV

Such irresponsible behaviors are, in fact, simply another symptom of the impending crisis, for the system's thinkers and leaders are no longer able to distinguish between reality and their virtualist representation of it, let alone acknowledge the folly of their practices. Obsessed with promoting the power and privileges sustaining their crassly materialist way of life and the progressive, egalitarian, and multicultural principles undergirding the global market, they see the world only in ways they are programmed to see it. The ensuing "reality gap" deprives them, then, of the capacity both to adapt to changing circumstances or address the problems threatening the system's operability. (The way the Bush White House gathers and interprets "intelligence," accepting only that which accords with its ideological needs, is perhaps the best example of this). In this spirit, the system's leaders tirelessly ensure us that everything is getting better, that new techniques will overcome the problems generated by technology, that unbridled materialism and self-gratification have no costs, that cultural nihilism is a form of liberation, that the problems caused by climatic changes, environmental degradation, overpopulation, and shrinking energy reserves will be solved by extending and augmenting the practices responsible for them. These dysfunctional practices are indeed pursued as if they are crucial to the system's self-legitimacy. Thus, at the very moment when the system's self-corrective mechanisms have been marginalized and the downhill slide has become increasingly immune to correction, the charlatans, schemers, and careerists in charge persist in propagating the belief that everything is "hunky-dory."

Karl Marx spilt a great deal of ink lambasting ideologues who thought capitalism arose from natural principles, that all hitherto existing societies had preordained the market's triumph, or that a social order subordinate to economic imperatives represented the highest stage of human achievement. Today, the "new global bourgeoisie" gives its euronationalist critics even greater cause for ridicule. Paralyzed by an ideology that bathes itself in optimistic bromides, the system's rulers "see nothing and understand nothing," assuming that the existing order, in guaranteeing their careers, is a paragon of civilizational achievement, that the 20,000 automobiles firebombed every year in France by Muslim gangs is not sign of impending race war, that the non-white hordes ethnically cleansing European neighborhoods will eventually be turned into peaceful, productive citizens, that the Middle East will democratize, that the spread of human rights, free-markets, and new technologies will culminate in a consumer paradise, that limitless consumption is possible and desirable, that everyone, in effect, can have it all.

Nothing, Faye argues, can halt the system's advance toward the abyss. The point of no return has, indeed, already been passed. Fifteen years of above average temperatures, growing greenhouse gases, melting ice caps, conspicuous biological deterioration, and the imminent peaking of oil reserves, combined with an uncontrolled Third World demographic boom, massive First World indebtedness, social policies undermining the state's monopoly on our loyalties, and a dangerous geopolitical realignment -- each of these potentially catastrophic developments is preparing the basis of the impending collapse. Those who think a last minute international agreement will somehow save the day simply whistle pass the graveyard. Washington's attitude (even more pig-headed than Beijing's) to the modest Kyoto Accords -- which would have slowed down, not halted greenhouse emissions -- is just one of the many signs that the infernal machine cannot be halted. The existing states and international organizations are, in any case, powerless to do anything, especially the sclerotic "democracies" of Europe and United States, for their corrupt, short-sighted leaders have not the slightest understanding of what is happening under their very noses, let alone the will to take decisive action against it. Besides, they would rather subsidize bilingual education and Gay Pride parades (or, on the conservative side, ban Darwin) than carry out structural reforms that might address some of their more glaring failures. For such a system, the sole solution, Faye insists, is catastrophe.

V

The ecological, economic, demographic, social, civilizational, and geopolitical cataclysms now in the process of converging will bring about the collapse of liberalism's technoeconomic civilization. In one of the most striking parts of his book, Faye juxtaposes two very different TV images to illustrate the nature of the present predicament: one is of a troubled President Bush, whose Forest Gump antics left him noticeably perplexed on 9/11; the other is of the traditionally-dressed, but Kalachinokov-bearing Bin Laden, posing as a new Mohammed, calmly and confidently proclaiming the inevitable victory of his rag-tag jihadists. These two images -- symbolizing the archaic violence that promises to disturb the narcoticized sleep of a sickened modernity -- sum up for Faye the kind of world in which we live, especially in suggesting that the future belongs to militant traditionalists rooted in their ancestral heritage, rather than high-tech, neo-liberal "whimps" like Bush, who are alienated from the most elementary expressions of Europe's incomparable legacy.

Though rejecting liberalism's monstrous perversion of European life, Faye does so not as a New Age Luddite or a left-wing environmentalist. He argues that a technoeconomic civilization based on universalist and egalitarian principles is a loathsome abnormality -- destructive of future generations and past accomplishments. But while rejecting its technological, bureaucratic, cosmopolitan, and anti-white practices, he fully accepts modern science. He simply states the obvious: that the great technological and economic accomplishments of Europe cannot be extended to the world's six billion people -- let alone tomorrow's ten billion -- without fatal consequence. For this reason, he predicts that science and industry in a post-catastrophe world will have no choice but to change, becoming the province of a small elite, not the liberal farce that attempts to transform all the world's peoples into American-style consumers. Similarly, Faye does not propose a restoration of lost forms, but rather the revitalization of those ancient spirits which might enable our children to engage the future with the confidence and daring of their ancestors. Thus, as befits a work of prophecy, Faye's survey of the impending tempests aims at preparing us for what is to come, when the high flood waters and hurricane winds clear away the system's ethnocidal illusions and create the occasion for another resurgence of European being. It aims, in a word, at helping Europeans to resume the epic course of their history.

[Michael O'Meara, Ph.D., studied social theory at the Ecole des Hautes Etudes in Sciences Sociales and modern European history at the University of California. He is the author of New Culture, New Right: Anti-Liberalism in Postmodern Europe (2004)]

EUROPE’S ENEMY: ISLAM OR AMERICA? door Michael O’MEARA in The Occidental Quarterly nr.3 - 2005.

Le coup d’Etat mondial: Essai sur le Nouvel Impérialisme Américain (Global Coup d’Etat: An Essay on the New American Imperialism) door Guillaume Faye
Paris: L’Æncre, 2004. 311 pages.

Reviewed by Michael O’Meara


Fas est ab hoste doceri. (It is permitted to learn from the enemy.)
Ovid


This past spring, for the sixth time in six years, Guillaume Faye has published a book that redefines the political contours of European nationalism (“nationalism” here referring not to the defense of the nineteenth-century “nation-state,” but of Magna Europa). Like each of his previous works, Le coup d’Etat mondial speaks to the exigencies of the moment, as well as to the perennial concerns of the European ethnos. In this spirit, it offers a scathing critique of the “new American imperialism” and the European anti-Americanism opposing it, while simultaneously contributing to a larger nationalist debate over Europe’s destiny. Framed in terms of Carl Schmitt’s Freund/Feind designation, this debate revolves around the question: Who is Europe’s enemy? For Schmitt, this question is tantamount to asking who threatens Europe’s state system and, by implication, who threatens its unique bioculture.

During the Cold War, the more advanced nationalists rejected the conventional view that Soviet Communism was the principal enemy and instead designated the United States. This is evident in the works of Francis Parker Yockey, Jean Thiriart, Adriano Romualdi, Otto Strasser, Alain de Benoist, and in the politics of the sole European statesman to have defended Europe’s independence in the postwar period: Charles de Gaulle.

It was not, however, America’s occupation of postwar Europe that alone aligned these nationalists against the U.S.—though this was perhaps cause enough. Rather, it was the liberal democratic basis of America’s postwar order, whose deculturating materialism was seen as corrupting the biocultural foundations of European life. The Soviets’ brutal occupation of Eastern Europe may therefore have broken the bodies of those opposing them, but America, for nationalists, threatened their souls.

Today, this anti-American opposition persists, but has come to signify something quite different. What has changed, and this starts to be evident in the late 1980s and even more so in the ‘90s, is Third World immigration, which puts the American threat in an entirely altered perspective. In nationalist ranks, Faye stands out as the principal proponent of the view that Islam and its nonwhite immigrants now constitute Europe’s enemy and that America, though still an adversary, has become a less threatening menace.

For Faye, the New American Imperialism (NAI) associated with the Bush administration supplants the earlier, more implicit imperialism of the Cold War era. This imperialism, though, is not specifically Bush’s creation, for it arose in the Cold War’s wake and took form in subsequent aggressions on Somalia, Bosnia, Kosovo, Afghanistan, and now Iraq.

The older imperialism had a Wilsonian facade, legitimated with moral pronouncements and a naive, but occasionally sincere, effort to regulate the world according to its liberal principles. By contrast, the NAI rejects this “softer” (and actually more effective) variant of American power for a policy that aggressively asserts U.S. military might irrespective of “world opinion.” It ceases thus to pursue its interests through international organizations embodying its liberal world view and instead embraces a militaristic unilateralism that defies international convention in the name of America’s “vital interests.”

Against the arguments of its apologists, Faye claims the NAI is not the hard-headed, morally clear assertion of American power that they make it out to be, but rather a puerile, utopian, and unrealistic one based on the notion that tout est permis!— anything goes. The United States may be the world’s dominant power, but it lacks what Aristotle and the conservative tradition of statecraft understood as the enduring basis of power: prudence. For in confusing dominance with omnipotence, the NAI’s neoconservative executors, like all who draw the wages of hubris, inadvertently earn themselves—and America—the likelihood of a tragic fall.

In this vein, U.S. vital interests (what the present administration defines in Zionist, militarist, and globalist terms) are treated as the sole permissible
basis of national sovereignty. A state—”rogue” or otherwise—that exercises its autonomy, fabricates weapons of mass destruction (i.e., weapons capable of ensuring its sovereignty), or resists Washington’s dictates is deemed an enemy and risks reprisal. Implicit in this redefinition of America’s world role is the assumption that the United States is the world’s gendarme, its lone sovereign power, obliged to uphold a law which is synonymous with its own strategic interests.

Moreover, the NAI’s assumption that the United States has the capacity to dominate the planet is, if nothing else, simpleminded. Its proponents might think they are breaking with the legalistic or Kantian postulates of liberal internationalism by pursuing hegemonist objectives with military methods (which, in itself, would be unobjectionable), but this readiness to substitute raw power for other forms of power (that is, for power exercised in the “thieves’ den” of the United Nations or through international regulatory agencies the United States created after 1945) is informed by the Judeo-Protestant illusion that America does God’s work in the world. This cannot but disconnect them from all they seek to dominate, for in applying their illusory principles to an intractable reality, they cannot but lurch from disaster to disaster.

The NAI’s peculiar mix of political Machiavellianism and millennial Calvinism has been especially prominent in Iraq, the conquest of which was to be a cakewalk. Not only did Bush and his advisers have no idea of what they were getting into, they completely misread the capacities of American power. If the U.S. Air Force possesses unparalleled firepower, the modern American soldier cannot fight on the ground. With half its army occupying a country with no military capacity and its helicopter gunships, Bradley Fighting Vehicles, and body-armored ground troops arrayed against lightly armed and untrained insurgents, it is stretched to the breaking point. Despite its imperialist ambitions, America is not Rome. Faye argues that it is more like a house of cards—an ephemeral economic-political enterprise—lacking those ethnic, religious, and cultural traits that go into making a great people and a great power.

As any white Californian will attest, there is, in fact, no longer anything particularly American about America, only people like the turbaned Sikh who drives the local cab, the Mexican illegal who mows our neighbors’ lawn, the Indian programmer who replaces his higher-paid white counterpart, the Chinese grocer who sells us beer and cigarettes late at night, the African who empties the bedpans in our nursing homes, the Africans of American birth who run our cities and public agencies, and the white zombies insulated in distant, manicured suburbs, where the voices of children are rarely heard. For Faye, this disparate hodgepodge is not a nation in any historical sense, only an artificial social system, whose members, as Lewis Lapham has written, are “united by little else except the possession of a credit card and password to the internet.” Why, it seems almost unnecessary to ask, would an American Gurkha risk his life for such an entity?

The military technology of Imperial America undoubtedly lacks an equal, but its centrality to U.S. power, Faye claims, testifies to nothing so much as the enfeebled cognitive abilities of its elites, who think their computerized gadgetry is a substitute for those primordial human qualities that go into making a people or a nation—qualities such as those that steeled not just Rome’s republican legions, but the Celtic-Saxon ranks of the Confederacy, the gunmen of the IRA, the indomitable battalions of the Wehrmacht, and the Red Army of the Great Patriotic War. In the absence of these qualities forged by blood and history, the NAI’s space-age military (whose recruiters now slip beneath the border to find the “volunteers” for its imperial missions) is a paper tiger, no match for a nation in arms—not even a pathetic, misbegotten nation like Iraq.

The hubris-ridden neoconservatives leading America into this costly adventure from which it is unlikely to recover did so without the slightest consideration of the toll it would take on the country’s already stressed and overtaxed institutions. Fighting for objectives that are everywhere challenged and with troops that are not only afraid to die, but have no idea of what they are dying for, the only thing they have actually accomplished is what they set out to combat: For they have inflamed the Middle East, enhanced Islam’s prestige, augmented bin Laden’s ranks, accelerated the proliferation of weapons of mass destruction, and turned the whole world against them.

Finally, Faye depicts the NAI as America’s last bloom. Both domestically and internationally, the signs of American decline, he observes, are more and more
evident. For all that once distinguished America is now tarnished. Its melting pot no longer assimilates, its mixed-race population is inextricably Balkanized, its state is increasingly maniacal in its antiwhite, antifamily, anticommunity policies, and its market, the one remaining basis of social integration, is in serious difficulty, burdened by massive trade imbalances, unable to generate industrial jobs, hampered by astronomical debts and deficits, and increasingly dependent on the rest of the world. Even the country’s fabled democracy has ceased to work, with elections decided by the courts, fraudulent polling practices, and a pervasive system of spin and simulacrum. The virtuality of the political process seems, actually, to reflect nothing so much as the increasingly illusory authority of its reigning elites, whose oligarchic disposition and incompetent management necessitate a system of smoke and mirrors.

Internationally, America faces a no less bleak situation. Faye points out that the almighty dollar, for sixty years the world’s reserve currency, is now threatened by the euro (which means the country will soon no longer be able to live on credit); the European Union and Asia’s rising economic colossus are undermining its primacy in world markets; it faces the wrath of a billion Muslims worldwide and does nothing to stem the Muslim immigration to the United States; its occupation of Iraq is causing it to hemorrhage monetarily, morally, and militarily; and, not least, its image and integrity have been so damaged that raw power alone sustains its fragile hegemony.

Unlike the implicit imperialism of the Cold War era, the NAI is openly anti-European. In this vein, it opposes the continent’s political unification; treats its allies, even its British poodle, with contempt; practices a divide and conquer tactic which pits the so-called New Europe against the Old; and pursues a strategic orientation aimed at containing Europe and keeping it dependent on the U.S. security system.

In parallel with this anti-Europeanism, there has developed in Europe what Faye calls an “obsessional and hysterical anti-Americanism” (OHAA). He sees this development as so destructive of Europe’s self-interest that he factitiously suggests that it is probably subsidized by the CIA. For this anti-Americanism bears little relation to earlier forms of French anti-Americanism, which sought to defend France’s High Culture from the subversions of America’s culture industry. Nor are its right-wing proponents firmly in the pale of the “new revolutionary nationalism,” which designates liberalism’s cosmopolitan plutocracy as the chief enemy and resists its denationalization of capital, population, and territory. Instead, this OHAA not only does nothing to advance the European project, its fixation on the NAI inadvertently contributes to the Islamization and Third Worldization of the continent, hastening, in effect, its demise as a civilizational entity.

Touching the government and numerous nationalist tendencies, in addition to the perennially anti-identitarian Left, this OHAA is informed by a simpleminded Manichaeanism, which assumes that America’s enemy (Islam) is Europe’s friend. By this logic, America is depicted as a source of evil and Islam as a possible savior. In effect, these anti-Americans adopt not just Islam’s Manichaean world view, but that of the Judeo-Protestants who make up Bush’s political base. For like the neoconservative publicists and propagandists advising the administration and like the mullahs shepherding their submissive but fanatical flocks, they too paint the world in black and white terms, the axis of good versus the axis of evil, with the enemy (America or Islam) seen as the source of all evil and our side (America or
Islam) as the seat of all virtue.

And just as the liberal/neocon image of America is Hebraic, not Greco-European, these European anti-Americans carry in their demonstrations the flags of Iraq, Palestine, Algeria, and Morocco, shout Allah Akbar, and affirm their solidarity with Islam—all without the slightest affirmation of their own people and culture. This simple-minded Manichaeanism influences not only left-wing immigrationists bent on subverting Europe’s bioculture, but French New Rightists around Alain de Benoist, revolutionary nationalists around Christian Bouchet, traditionalists around the Austrian Martin Schwartz and the Italian Claudio Mutti, and various Eurasianists, as well as many lesser known tendencies. Worse, the politicians catering to this anti-Americanism oppose the NAI less for the sake of Europe’s autonomy than for that of its large Muslim minority. They thus refuse to be an American protectorate, but at the same time display the greatest indifference to the fact that they are rapidly
becoming an Islamic-Arabic colony: Eurabia.

The economic and cultural war the United States wages on Europe, Faye stresses, ought to warrant the firmest of European ripostes, but to feel the slightest solidarity with Islam, even when “unjustly” attacked, is simply masochistic—for, if the last 1,400 years is any guide, it seeks nothing so much as to conquer and destroy Europe. American plutocratic liberalism may be responsible for fostering transnational labor markets that import millions of Third World immigrants into the white Lebensraum, but if the latter are ignored for the sake of resisting the former, the end result may soon be that there will be no Europeans left to defend. (Medically, this would be equivalent to fighting typhoid by ignoring the infectious bacillus assaulting the sufferer and instead concentrating exclusively on eliminating the contaminated food and water that transmit it —in which case the disease would be eradicated, but the patient not live to appreciate it).

The OHAA’s simpleminded politics, Faye argues, ends up not just misconceiving Europe’s enemy, but sanctioning its colonization, including the colonization of its mind. Like the “poor African” who is routinely portrayed as the victim of white colonialism, this sort of anti-Americanism makes the European the victim of U.S. imperialism. As we know from experiences on our side of the Atlantic, such a mentality takes responsibility for nothing and attributes everything it finds objectionable to the white man, in this case the American.

More pathetically still, in designating the United States as an irreconcilable enemy and Islam as a friend, these anti-Americans inadvertently dance to Washington’s own tune. Based on his La colonisation de l’Europe: Discours vrai sur l’immigration et l’Islam (2000) and in reference to Alexander del Valle’s Islamisme et Etats-Unis: Une alliance contre l’Europe (1999), Faye contends that since the early 1980s U.S. policy has aggressively promoted Europe’s Third Worldization—through its ideology of human rights, multiculturalism, and multiracialism, through its unrelenting effort to force the European Union to admit Turkey, but above all through its intervention on behalf of Islam in the Yugoslavian civil war. In all these ways fostering social, religious, cultural, and ethnic divisions that neutralize Europe’s potential threat to its own hegemony, it seeks to subvert European unity.

Looking to the Arab world to counter U.S. imperialism can only lead to national suicide. Those who advocate Europe’s alliance with the Third World are thus for Faye not simply naive, but neurotic. America may be a competitor, an adversary, a culturally distorting force, it may even be the principal international force for liberal cosmopolitanism, but in relation to the ethnocidal threat posed by Islam it is almost entirely innocuous. Europeans can always recover from the deculturation that comes from American domination, but not from the destruction of their genetic heritage, which Islam promises. Faye suggests that this anti-American neurosis, like the classic textbook pathology, designates America as its enemy for fear of acknowledging the danger looming under its very nose. As such, the anti-American Islamophiles refuse to see what’s happening in Europe, whose soft, dispirited white population is increasingly cowed by Islam’s conquering life-force. For however much American policy assaults Europe, it does not constitute the life-and-death danger which the invading Islamic colonizers do. To think otherwise is possible only by ignoring the primacy of race and culture. Instead, then, of pursuing chimerical relations with people whose underlying motive is the destruction of Europe as we know
it, it would be wiser, Faye claims, for Europeans to view what’s happening in Iraq as the Chinese and Indians do: with cynical detachment and an eye to their own self-interest.

The greatest danger to Europe, and this idea is the axis around which Faye’s argument revolves, comes from the Islamic lands to the “South,” whose nonwhite immigrants are presently colonizing the continent, assuming control of its biosphere, and altering the foundations of European life. For European nationalists and governments to treat America, with its shallow, provisional power, as the enemy and Islam, with its nonwhite multitudes pressing on Europe’s borders, as its friend is the height of folly. Not coincidentally, such an anti-Americanism is first cousin to the antiwhite sensibility one finds in American liberal and neoconservative ranks. For just as those who try to convince us that America is a “creed,” not a white nation, these anti-Americans allying with Islam to fight the Americains betray their patrie—treating it as an abstraction and not a people. If Americans would be better off using their troops to defend their porous border instead of playing cowboy in Mesopotamia, as we white nationalists believe, Europeans loyal to their heritage would do better, Faye advises, to resist rather than to make common cause with those who are presently invading their lands.

To Faye, there can never be a total rupture between Europe and white America, given the blood bonds linking them. They might pursue divergent interests, over which dispute is inevitable, but the racial and cultural differences separating Europe from the Islamic world are insurmountable. In this spirit, he predicts that “the great clashes of the 21st century will not pit the United States against the rest of the world, but rather the Whitemen of the North against all the other racial-civilizational blocs.” The culturally noxious effects of the liberal-democratic order of money imposed on Europe after 1945 caused European nationalists to define themselves in opposition not just to American-style liberalism, but to America as a nation. For those nationalists who continue to uphold this line, Third World immigration (which they do not favor) is viewed as an offshoot of a techno-economic system that dismisses biocultural qualities for the quantifying ones of the liberal market.

Only in fighting this system, and its chief sponsor, the United States, will Europe, they believe, be able to defend its heritage and its destiny. The Third World immigrants experiencing the deracination that comes with transnational labor markets cannot, then, be Europe’s enemy, for they too are its victim. Besides, their traditionalist, premodern culture makes them prospective allies in what is seen as a common struggle against America’s “cultureless civilization.”

But even in granting that there is a certain logic—even a certain justice—to this position, it rests upon two false premises, which Guillaume Faye has been almost alone in Europe in polemicizing: 1) that culture trumps race and 2) that race is unrelated, if not irrelevant, to culture.

His Le coup d’Etat mondial offers, then, a powerful antidote to this false and potentially fatal reasoning. It demystifies the new American imperialism, revealing its tenuous character. It exposes the self-destructive character of an opposition refusing to recognize Europe’s real enemy. And, most important, in designating this enemy—the nonwhite colonizers who hope to turn Europe into a dar-al-Islam—it designates what is the single, most unavoidable, and absolutely necessary duty of white people everywhere: the defense of their homelands.

Michael O’Meara, Ph.D., studied social theory at the Ecole des
Hautes Etudes in Sciences Sociales and modern European history
at the University of California. He is the author of New Culture,
New Right: Anti-Liberalism in Postmodern Europe (2004)

16 april 2006

IDENTITEIT: DE GROTE UITDAGING VAN DE 21STE EEUW door Alain DE BENOIST in TeKoS nr.117

HET RECHT OP ANDERS ZIJN IS ONAANTASTBAAR !

1.

Het is altijd moeilijk over identiteit te spreken, omdat het gaat om een in wezen zeer problematisch begrip. Identiteit omvat vooreerst een vraag, eerder dan een antwoord of een bevestiging. Ze wordt op vragende manier uitgedrukt. De problematiek van de identiteit wordt maar duidelijk als men zich de vraag: “Wie ben ik?” kan voorstellen, een vraag die, in tegenstelling tot wat men zou denken, niét van alle tijden is. Het is dus niet overdreven met Zymunt Bauman te stellen dat de problematiek van de identiteit eigenlijk vooral opdoemt als een probleemstelling, als de uiting van een probleem: “Op geen enkel moment is identiteit een probleem “geworden” – ze kon eigenlijk maar bestaan in de hoedanigheid van probleem, ze wàs probleem reeds bij haar geboorte, ze ontstond als probleem” (1). Elk nadenken over identiteit impliceert dus een onderzoek naar de omstandigheden van het ontstaan van dit vraagstuk en naar het proces dat toeliet dat de vraag naar identiteit gesteld werd en kon gesteld worden.


Gelegen op het snijpunt van psychologie, sociologie en antropologie is de identiteitsvraag in feite een moderne vraag. In de traditionele gemeenschappen stelde die vraag zich niet en kon ze eenvoudigweg niet gesteld worden. De individuele identiteit vormt er namelijk als dusdanig geen voorwerp van geconceptualiseerd denken, vermits het individu moeilijk voorstelbaar is buiten de groep en vanuit zichzelf geen voldoende bron van bevestiging kan zijn. “De term ‘identiteit’ zelf, schrijft Charles Taylor, is voor de premoderne culturen anachronisch, wat niet betekent dat de nood aan een morele of geestelijke oriëntatie voorheen minder absoluut was, maar wél dat het probleem niet kan gesteld worden in beschouwende termen, zoals het zich nu aan ons stelt, met betrekking tot de persoon” (2).

In de premoderne gemeenschappen is wat wij nu identiteit noemen – maar dat niemand toen zo noemde – vooral een probleem van afstamming, zowel in de private ruimte als in het openbare, publieke domein. Identiteit wordt afgeleid van de plaats die aan ieder wordt toegekend door geboorte, afstamming of lidmaatschap. In Griekenland bvb. heeft ieder individu een dubbele identiteit: de ene persoonlijk, uitgedrukt door een naam vaak gevolgd door een geslachtsnaam; de andere, gemeenschappelijk, verbonden met de stad, verwijzend naar de familiale, sociale of politieke aanhorigheid. Maar de twee soort identiteit stonden niet op voet van gelijkheid. “In de antieke wereld werd de eerste identiteit, bedoeld om het individu te onderscheiden, lange tijd achtergesteld ten voordele van de tweede, de communautaire identiteit, en heeft eigenlijk maar weinig historische sporen achtergelaten: de individuele identiteit is eigenlijk maar zeer laat echt persoonlijk geworden” (3). De individuele eigen-aardigheid wordt niet geloochend, maar slechts als vertrekpunt gesteld vanuit het communautair behoren tot een bepaalde groep. De subjectieve identiteit organiseert zich rond een zijnsgevoel dat zich uitdrukt in de taal van de oorspronkelijke mythe. Voor de Grieken betekent “naar het theater gaan” in zekere mate aanwezig zijn bij een her-voorstelling van wat hen eigenlijk specifiek maakt.

Zelfverwezenlijking bestaat er dan in, uitmuntendheid te zoeken in de conformiteit aan de orde van de zaken. En wat de identiteit van anderen aangaat, ze komt gewoon voort uit de zeden en gebruiken die de reiziger ver van huis leert kennen. Elk volk weet dat er ook andere volkeren bestaan.

Zo gaat het ook in de Middeleeuwen. De identiteitsvraag laat zich slechts erg onvolmaakt stellen in een maatschappij van orden en staten, omdat daar de horizonten vast liggen. Voorgesteld als objectieve feiten bepalen ze de essentie van de sociale cultuur. De wettelijke erkenning van het individu, dat is de bevestiging van zijn status als lid van het sociaal lichaam dat geniet van een aantal gewaarborgde vrijheden of gewaarborgde garanties, vertrekt vanuit deze vaste status. In de middeleeuwse maatschappij komt daar bovenal de waarde van de loyaliteit bij. De vraag is dan niet te weten wie ik ben, maar wel tegenover wie ik loyaal moet zijn. Aan wie ik trouw verschuldigd ben. Mijn identiteit komt voort uit deze trouw. Dit is dus een gefragmenteerde maatschappij, samengesteld uit segmenten die het ene in het andere passen, maar tegelijk fundamenteel van elkaar verschillen. Deze scheiding perkt de vijandigheid tussen kasten en staten in, een vijandigheid die zal losbarsten als de natie-staat zich begint te positioneren en probeert de verscheidenheid te homogeniseren (4).

Men begrijpt dus dat de vraagstelling omtrent identiteit steeds sterker wordt enerzijds vanuit het ontbinden van de sociale banden en de vernietiging van herkenningstekens door de moderniteit, en anderzijds in rechtstreeks verband staat met de ontwikkeling van het begrip van “de persoon” in het Westen. Zowel in de 18de eeuw als vandaag betekent van iemand zeggen dat hij een “persoon” is, dat hij beschikt over een individuele vrijheid, en dat hij terecht mag worden beschouwd als onafhankelijk van het behoren tot andere groepen. Er bestaat dus een relatie tussen de kwesties van persoonlijke identiteit en de ontwikkeling van het individualisme, begrip dat men in twee verschillende richtingen moet begrijpen: de waarde die men aan het individu in relatie tot de groep toekent, en de intensiteit van de betrekkingen van zichzelf tot zichzelf (5). Het begrip identiteit laat zich meteen herkennen als een typisch westers begrip.



2.


Vanaf de 17de en vooral vanaf de 18de eeuw valt het begrip “vrijheid” samen met de individuele vrijheid van het individu, dat recht heeft op de eigen keuze voor een eigen doelstelling. Elk individu wordt verondersteld zijn eigen wel en wee te bepalen door het louter volgen van zijn eigen wil en rede. De opstanding van het individu gebeurt onder een dubbele richting: de devaluatie van verbanden die in het verleden liggen en de opkomst van de ideologie van de Gelijke.

De moderniteit, die zich aan het ontwikkelen is, zal nooit ophouden organische gemeenschappen te bestrijden: ze worden regelmatig gediskwalificeerd omdat ze onderworpen zouden zijn aan het gewicht van tradities en verleden, en omdat ze dus de menselijke emancipatie zouden belemmeren. In deze optiek betekent het ideaal van de “autonomie” – haastig omgetoverd tot het beginsel van de onafhankelijkheid – het verwerpen van elke verworteling, maar ook van elke overgeërfde sociale band. “Vanaf de Verlichting, stelt Zygmunt Bauman vast, heeft men het feit dat de emancipatie van de mens, het vrijmaken van het echt menselijk potentieel het afbreken eiste van de gemeenschapsbanden én dat de individuen vrij zouden worden gemaakt van de omstandigheden van hun geboorte, als een waarheid van het gezond verstand beschouwd” (6).

De moderniteit wordt dan opgebouwd op de radicale ontwaarding van het verleden en dat in naam van een optimistische kijk op de toekomst, die verondersteld wordt een radicale breuk met wat haar voorafging, te betekenen (de ideologie van de vooruitgang). Het overheersend model is dat van een mens die zich moet emanciperen van zijn verbanden, van zijn relaties, niet alleen omdat die op een gevaarlijke wijze zijn ‘vrijheid’ inperken, maar vooral omdat ze niet worden aangezien als te behoren tot de dragende elementen van zijn “ik”.

Datzelfde individu – onttrokken uit zijn context van behoren tot verschillende groepen – wordt tegelijk voorgesteld als ten gronde gelijkend op elk ander, wat één van de voorwaarden is voor zijn totale onderdompeling in een markt die zich aan het vormen is. Vooruitgang wordt verondersteld het verdwijnen van gemeenschappen te veroorzaken. En zo slaat de menselijke emancipatie niet op de erkenning van ieders persoonlijke identiteit, maar op de assimilatie van allen aan een overheersend model. Tenslotte eist de natie-staat meer en meer het monopolie op inzake het creëren van sociale banden. Het is in de moderne wereldvisie zoals Patrick Savidan schrijft “de ander wordt neergezet als de Gelijke. Dit betekent dat de andere, net als ik, een subject is, een persoon, en dat wij daarom ook voorzien zijn van dezelfde rechten. Wij zijn met andere woorden gelijk, d.w.z. dat het menselijk wezen als menselijk wezen voor mij verschijnt als mijn gelijke. In dit perspectief vormt zich een soort reductie van de verschillen en een bevordering van de gelijkheid” (7).

De moderne liberale dynamiek rukt de mens los uit zijn natuurlijke relaties en verbanden, omdat ze abstractie maakt van zijn inplanting in een welbepaalde gemeenschap. Ze draagt een nieuwe antropologie aan, waarin het de mens toekomt zich los te rukken uit zijn voorouderlijke gewoonten en zijn organische verbanden, teneinde zijn vrijheid te verkrijgen. Het zich losmaken van zijn natuurlijke omgeving wordt als kenmerkend beschouwd voor wat eigenlijk mens-zijn betekent.

Het ideaal is niet meer zoals in het klassieke denken, zich aanpassen aan de natuurlijke orde, het ligt integendeel in het vermogen zich ervan te bevrijden (8). Het moderne liberale perspectief steunt dus op een atomistische benadering van de maatschappij, een optelling van in beginsel vrije en rationele wezens, verondersteld onbeschreven bladen, zonder vooraf bepaalde richting, vrij van elke a priori beslissing, en verondersteld de doeleinden en de waarden die hun handelen leiden, zelf te kiezen. “Wat ook de meningsverschillen waren”, schrijft Justine Lacroix, “alle liberale theorieën delen een universalistisch postulaat, ze trachten namelijk abstractie te maken van elk proefondervindelijk element teneinde zich te verheffen tot de bovenmenselijke voorwaarden voor een rechtvaardige maatschappij, geldig voor elke zinnige gemeenschap” (9). In dit nieuwe ideologische landschap komt identiteit overeen met de liberale en burgerlijke identiteit. Gelijktijdig scheidt de moderniteit de afzonderlijke en de collectieve identiteit en plaatst de laatste in een vaag compartiment. “Het is deze erkenning van een onduidelijkheid in het recht, stelt Bernard Lamizet vast, die het in de geschiedenis mogelijk maakte het fundamentele verschil te maken tussen individuele identiteit, gegrondvest op afstamming en oorsprong, en de ‘onduidelijke’ collectieve identiteit, gesteund op de aanhorigheid en de vormen van vertegenwoordiging van de samenleving. In die zin poneert de universaliteit van het recht een radicale invraagstelling van de problematiek van de identiteit” (10).

De afstamming wordt dan teruggedrongen naar de private sfeer: “Van het ogenblik af dat het institutioneel model steunt op de erkenning van de onduidelijkheid heeft afstamming geen zin meer in het structureren van de politieke identiteiten die de openbare ruimte structuur geven” (11).
Omdat ze tradities en geloofsovertuigingen van in den beginne aanvalt – en ze in het beste geval seculariseert – onttrekt de moderniteit het vraagstuk van de identiteit aan elke “natuurlijkheid”, om ze voortaan in het kamp van de politieke en economische praktijken te plaatsen, die de publieke ruimte sindsdien op een andere manier structureren. Ze scheidt tot in de kern de biologische orde van het bestaan van de institutionele orde. De moderne publieke ruimte stelt zich op als een ruimte van vaagheid, d.w.z. als een ruimte waarin de natuurlijke onderscheiden van aanhorigheid en afstamming als onbeduidend worden beschouwd. In die publieke ruimte bestaan wij niet als personen, maar als burgers met omwisselbare politieke mogelijkheden. Die publieke ruimte wordt beheerd door de wet. Zich naar de wet voegen, betekent het sociaal onduidelijke deel van onze identiteit opnemen (men zal toch wel opmerken dat die onduidelijkheid relatief is, omdat ze zich beperkt tot de grenzen binnen dewelke ze haar burgerschap uitoefent. Door de ene staatsopvatting van de andere te onderscheiden, maakt het politieke leven ook een onderscheid tussen soorten aanhorigheid en de mogelijkheden van samenleven).

Zodra de publieke ruimte beheerst wordt door onduidelijkheid, kan de identiteit er slechts een symbolisch karakter hebben. “Als men zich in het kamp van de geschiedenis, de politiek of van de sociale feiten plaatst”, stelt Bernard Lamizet vast, “kan de identiteit alleen maar symbolisch zijn, omdat de individualiteiten versmelten in de vaagheid”….”Terwijl wij in de private ruimte alleen maar de vormen en praktijken laten zien, die onze afstamming hebben opgebouwd, laten wij in de publieke ruimte de vormen en praktijken zien van onze aanhorigheid en onze sociabiliteit, die daardoor een symbolische consistentie en een betekenis krijgen… Zodra ze zich in een symbolische dimensie inschrijft, stelt de identiteit zich bemiddelend op: ze laat niet de eigenheid van het subject ontluiken, maar zijn dialectische consistentie als voorwerp van aanhorigheid en van samenleven” (12)
Moderniteit wordt dus niet gekenmerkt door het alleen maar verbannen van organische relaties en van hiërarchische waarden, met als logisch gevolg het vervangen bvb. van het begrip “eer” door “waardigheid”. Ze beperkt er zich niet toe om het lidmaatschap van traditionele gemeenschappen – die ze bestempelt als archaïsche overblijfsels of irrationele krampen – te verwijzen naar de “private sfeer”, waarin ze niet kunnen open bloeien, omdat de plaats van erkenning juist de publieke sfeer is. Ze bouwt zichzelf op op de uitsluiting van de “Derde” en de beperking van de diversiteit.

Opheffing van de kasten en de Staten tijdens de Revolutie, homogeniseren van rechts- en taalregels, geleidelijke ontworteling van specifiek aan woonomstandigheden, aan beroep, sociaal milieu of geloof gebonden levenswijzen, groeiende vervaging van de sociale rollen van man en vrouw: geheel de geschiedenis van de moderniteit kan gelezen worden als de onophoudelijke ontplooiing van de gelijkheidsideologie. In alle domeinen stelt men de groei vast van de onduidelijkheid, recent nog binnen de ruimte van de verwantschap. Dit proces bereikt zijn hoogtepunt nu met de globalisatie. De moderniteit heeft overal de verscheidenheid in levenswijzen doen verdwijnen. Oude organische verbanden raakten los. Het onderscheid tussen de geslachten werd minder groot. De rollen binnen de familie worden zelfs volledig door elkaar geworpen. Alleen kwantitatieve ongelijkheden – de koopkracht – blijven over, die steeds in relatie staan met de mogelijkheden om een overheersende levensstijl te bereiken. Het gevolg werd door Marcel Gauchet als volgt beschreven: “Een behoren tot een bepaalde collectiviteit wordt voor individuen een ondenkbaar iets, in hun wil om individuen te zijn, hoewel ze er meer dan ooit van afhangen” (13). Wie ben ik? Wie zijn wij? Dat zijn fundamentele vragen waarop de moderniteit voortdurend het antwoord heeft bemoeilijkt of onduidelijk heeft gemaakt.

Uiteraard heeft deze opgang van de onduidelijkheid reacties opgeroepen. Differentiëring van onderwerpen en voorwerpen, die onvermijdelijk de perceptieruimte structureren, de onduidelijke maatschappij, dit alles doet onbehagen ontstaan omdat het als chaotisch en zinloos wordt aangevoeld. Het is daarom dat de gelijkheidsideologie – net als de globalisatie – tegelijk de culturen nivelleert, ook ongeziene fragmentaties genereert en een identitaire vraagstelling deed ontstaan, die ze achteraf ook voortdurend bleef stimuleren. Tijdens de twee voorbije eeuwen heeft deze vraagstelling verschillende vormen aangenomen. De Romantiek bvb. was vooreerst een “expressivistische” revolte, die een zoektocht naar authenticiteit liet ontstaan. We verwijzen ook naar de manier waarop sociale en nationale bindingen op die vraag konden antwoorden.

De waardering van de arbeid, in den beginne gesteund door de burgerij als reactie op de adel die gekenmerkt was door haar aanhorigheid aan de waarden van de kosteloosheid en dus onproductief was, bood een eerste vervangmiddel voor identiteit. De individuele verwezenlijking in het kader van een industrieel georganiseerde arbeidsverdeling zal inderdaad het voorwerp uitmaken van een verlangen naar erkenning, meer bepaald gebaseerd op het uitoefenen van een beroep, met de fierheid van “een goed werk” (14). Maar de nieuwe sociale binding zal ook de sociale klassen omvormen tot substituut van de collectieve identiteit. In de 19de eeuw speelt de klassenstrijd een identitaire rol die vaak ondergewaardeerd wordt.

Het behoren tot een klasse dient als statuut (het statuut is de identiteit van het subject zoals het voorkomt uit een instelling), en de klassen voorzien zich van een kenmerkende structuur. De klassenstrijd laat nieuwe identiteiten toe een vaste vorm aan te nemen, in de mate waarin een klasse zich niet alleen bepaalt door socio-economische activiteiten, maar ook door een verwijzing naar de natuurlijke grondslagen van de maatschappij. “Het bestaan van klassen”, schrijft Bernard Lamizet, “stelt het conflictueel en dialectisch karakter vast van het verschil tussen de verschillende aanhorigheden of lidmaatschappen binnen de publieke ruimte” (15).

Los van het feit of het nu al dan niet geënt is op de klassenstrijd, laat het politiek leven in gelijke mate aan individuen toe als burgers een vervangingsidentiteit aan te nemen. De politieke identiteiten zeker in een eerste periode gaan ook het leven schenken aan specifieke culturen, die het licht zien in de schoot van bepaalde sociologische families. De instelling van het algemeen stemrecht is zélf een antwoord op een identitaire vraag: “Je stem uitbrengen is niets anders dan de politieke identiteit, waarvan je drager bent, samenhang bieden” (16). En wat de politieke strijd en conflicten aangaan, ze hebben een duidelijk identitaire dimensie “want ze leggen de identiteit van de sociale actoren op de proefbank van de publieke ruimte” (17).

Net als de politieke en ideologische zijn ook de klassen-identiteiten ook maar sectoriële identiteiten en wedijveren ze met elkaar. Naast en boven hen vormen zich méér omvattende collectieve identiteiten: de nationale. Jean-Pierre Chevènement, die vaststelde dat de evolutie van het kapitalisme een massificatie opgeleverd heeft, merkte al 30 jaren geleden op dat “het sociaal wezen behoefte heeft aan vormgeving, zoals de persoon nood heeft aan een lichaam” (18). In de 19de eeuw liet deze nood aan “vormgeving” de nationaliteitenbeweging ontstaan, evenals alle moderne vormen van nationalisme, gebaseerd op de idee dat “politieke eenheid en nationale eenheid congruent moeten zijn” (Ernest Gellner).

Zo verschijnt het nationalisme als één van die typische vruchten van de moderniteit. Maar het nationalisme is niet alleen een politiek fenomeen. Het voedt zich middels de verbeelding waarin geschiedenis, cultuur, godsdienst en volkse legenden zich vermengen. Al die factoren worden herontdekt, geïdealiseerd, verheerlijkt, om te komen tot een samenhangend en rechtmatig verhaal (19). Zoals Chantal Delbol schrijft: “Elk volk vereenzelvigt zich in de geschiedenis met waarden of karakteristieke modellen. Indien die waarden of modellen ineenstorten, voelt de identiteit zelf zich bedreigd” (20). Waarden en modellen gaan dus een rol spelen als verstrekkers van identiteit, parallel met de ‘grote verhalen’, die zich gingen ontwikkelen in de tijd van de “gedisciplineerde maatschappijen” (Michel Foucault): het verhaal van de natie-staat, het verhaal van de emancipatie van het arbeidende volk, het verhaal van de religie van de vooruitgang en zo verder. Het klassieke onderscheid tussen “burgerlijke naties” en “etnische naties” of, om de termen van Friedrich Meinecke te gebruiken, “politieke” en “culturele” naties, lijkt in dat opzicht eerder kunstmatig, niet alleen omdat de meeste nationale gemeenschappen de beide begrippen in een wisselend aandeel met elkaar vermengen, maar ook omdat de Staat vooral betrekking heeft op de maatschappij, en alle menselijke gemeenschappen culturele gemeenschappen zijn (21). Wat overigens de eigen aard van nationaliteiten ook moge geweest zijn, geen énkele heeft ooit nagelaten zich op nationale mythen te beroepen. Onder de monarchie hebben de Fransen zich achtereenvolgens erfgenamen genoemd (of gevoeld) van de Trojanen, de Franken en de Galliërs. Na de Revolutie, als de natie zichzelf in louter politieke termen bepaalde, en elk prepolitiek aspect ander dan het burgercontract ontkende, heeft het scheppend geloof van de nationale identiteit al zijn krachten behouden. In het tijdperk van de secularisatie vormde de natie-staat een compensatie voor de afzwakking van de louter religieuze overtuigingen, die soms echte seculiere religies baarden (22).

Het hedendaags “nationisme” kan zich nog zo goed steunen op het politiek ideaal van de Staat en de burgerschap, het ware verkeerd te geloven dat abstracte politieke waarden volstaan om een gemeenschappelijke identiteit te vormen, en vooral, dat ze volstaan om van de leden van de maatschappij de offers te vragen, die ze soms moeten brengen. Zo’n eisen kunnen maar gesteld worden als de banden van de burgerschap als een “actueel gemeen-goed” wordt aangevoeld op basis van identificatie met een historische gemeenschap, die op haar beurt op welbepaalde waarden steunt (23).

Mythen, legenden, epen en stichtingsverhalen spelen steeds dezelfde rol: ze betekenen even zoveel modellen van symbolische bemiddeling, die het samenleven steunt op een gemeenschappelijk “weten” of op een gedeeld geloof. Overigens bevat dit “gemeenschappelijk weten” een flink deel aan hersenschimmen. Meestal ent het zich op historische, onweerlegbare realiteiten van interpretaties die valoriseren, die waarderen, op perfect willekeurige, idealiserende projecties (24). De ergste hersenschim is die van de oorsprong, ook een fantasme van zuiverheid: bij de aanvang was alles helder en eenvoudig, nog niet bezwaard door de complexiteit van de écht gebeurde geschiedenis. Verzinsels over de “Gouden Eeuw”. Dezelfde hermeneutiek vormt de gebeurtenissen of de stichtende helden om. Arminius en Vercingetorix, Karel Martel, Clovis of Jeanne d’Arc – om alleen die te vermelden – hebben in werkelijkheid uiteraard nooit de centrale rol gespeeld noch het beslissend belang gehad dat de moderne verbeelding hen toedichtte. De veldslagen van Poitiers, Bouvines of Valmy waren in werkelijkheid niet die grote evenementen die de loop van de geschiedenis zouden veranderd hebben, wat niet verhinderde dat ze toch als “geschiedenis-scheppend” worden beschouwd.

In die omstandigheden hebben criticasters van de nationale identiteit het gemakkelijk “ de historische waarheid” te herstellen. Hun vergissing bestaat er namelijk in, niet te willen inzien dat ook als de nationale identiteit al eens uit de verbeelding durft voort te komen, die verbeelding onmisbaar is in het voortleven van de groep. De vergissing bestaat er ook in te geloven dat men het identitair gevoel kan uitdoven gewoon door te suggereren hoeveel waanvoorstellingen deze identiteit bevat. Het “waanbeeld” in kwestie zou eerder moeten vergeleken worden met een mythe. De mythe werkt, niet omdat ze maar een mythe zou zijn, maar integendeel omdàt ze een mythe is. Geloof kan verkeerd zijn wat zijn object betreft, het is niet minder “waar”, “echt” omdat het bij het individu of in de groep iets teweegbrengt, of omdat het hem iets biedt. Daar ligt bvb. de vergissing van een Marcel Detienne, als hij de spot drijft met de wil om autochtoon te zijn en dit in een boekje dat zelfs als het Fernand Braudel op de korrel neemt, zover gaat de oude Grieken als voortijdige discipelen van Maurice Barrès te bestempelen (25). Nu heeft Detienne het niet moeilijk om aan te tonen hoe de Grieken zich door ingewikkelde mythen en schunnige verhalen een ingebeeld voorouderschap voorstelden. Maar hij vergist zich als hij denkt dat hij iets bewezen heeft. Want als het waar is dat niemand als autochtoon kan worden beschouwd als men maar ver genoeg in de tijd terug gaat, blijft het eveneens waar dat de overtuiging al dan niet autochtoon te zijn, gewetens kan structureren en aan de gedragingen bepaalde normen kan opleggen. Zoals Leszek Kolakowski noteert: “Als de Grieken, de Italianen, de Indiërs, de Kopten of de Chinezen vandaag het oprecht gevoel hebben tot dezelfde etnische gemeenschap als hun verste voorouders te behoren, dan kan men hen er niet van overtuigen dat dit niet zo is” (26).




3


Hegel was de eerste die in 1807 het belang van het begrip herkenning onderstreepte: het volkomen bewust zijn van zichzelf, roept de herkenning van anderen op en passeert ook via de herkenning van de ander. De notie van herkennen is inderdaad essentieel vanuit het standpunt van de identiteit, of dat nu op persoonlijk dan wel op collectief vlak gebeurt. “Of het nu gaat om het samenstellen van de eigen persoonlijkheid bij het experiment van zelfherkenning in een spiegel of de herkenning van de ander door de ervaring van communicatie, stelt Bernard Lamizet, het is het proces van herkenning dat de symbolische dimensie van de identiteit vastlegt” (27). Die noodzakelijkheid heeft altijd bestaan, maar ze werd nog scherper aangevoeld door de opgang van de moderniteit, want identiteit die zich niet meer in een hiërarchische positie versmelt, hangt nog meer af van de herkenning door anderen. Identiteit valt niet te verwarren met herkenning door anderen, want er bestaan ook heel wat niet erkende identiteiten. Toch zijn beide nauw verbonden. Zoals Patrick Savidan, die hierin Hegel volgt, terecht schrijft, moet men niet geloven “dat er eerst een identiteit bestaat, en zich daarna de vraag stellen over het al dan niet erkennen van de identiteit, maar dat de erkenning al tussenkomt in de bepaling zélf van die identiteit, in de zin van hoe ze ‘identiteit’ verwezenlijkt’ (28). Erkenning vervolledigt de identiteit. Ze is er de natuurlijke correlatie van: men kan maar van volledige identiteit spreken, als die (h)erkend is. Het is daarom dat Ch. Taylor ze omschrijft als “voorwaarde tot een geslaagde identiteit”.

De ander (h)erkennen betekent hem niet alleen als ander erkennen, maar ook toegeven dat als wij op de ander lijken, dat alleen is in hoeverre wij en zij van elkaar verschillen. Het komt er niet op aan de erkenning op te vatten in de zin van een Levinas, voor wie de ander erkennen, neerkomt op hem zijn anders zijn te ontnemen, hem assimileren aan ‘hetzelfde’ waaraan ik evenals hij deel hebben, maar wel in de zin van een erkend anders zijn. In dit perspectief is de gelijkheid van rechten niet de herleiding van de ander aan “dezelfde”. Integendeel, zij omvat het recht op anders zijn. Ze geeft aan de ander zijn verschil, zijn onderscheid terug, wat betekent dat ze gelijkheid niet opvat als identiek zijn. Ze stelt het universele, niet als datgene wat overblijft als men de verschillen heeft doen verdwijnen (want in zo’n geval blijft er niets meer over), maar als iets wat zich voedt met verschillen en bijzonderheden. De menselijke natuur laat zich altijd vatten onder tal van modaliteiten, zij is nooit unitair maar steeds gedifferentieerd geweest. De juridische en politieke vertaling van dit gegeven leidt er toe, een regime dat de verschillen respecteert, te verkiezen boven een regime dat gesteund is op gelijkheid. Emile Durkheim spiegelde ons al een solidariteit voor die gesteund was op onze verschillen, liever dan een die op onze gelijkenissen steunt. Dit voorstel kan – in meer actuele begrippen – gemakkelijk overgedragen worden op de hedendaagse idee dat de erkenning van onze verschillen juist die is, welke ons het beste kan verenigen.

Het vraagstuk van het erkennen van identiteiten is juist één van die die vandaag het krachtigst opduiken wegens de crisis van de Westerse natie-staten. In de postmoderne tijd wordt het groot ‘modern’ project van een verenigde ruimte, gecontroleerd en opgebouwd van bovenaf, radicaal is vraag gesteld. “De grote identiteiten, die de natie-staten zo keurig ineengeknutseld hadden, storten in elkaar”, merkt Zygmunt Bauman op. (…) “De opbouw van de identiteit en vooral het behouden ervan, is in die omstandigheden vooral een zaak van geknutsel, maar dan zonder werkplaatsen en zonder manifest aanwezige bedrijfsleiders. Men zou kunnen stellen dat de productie van identiteit, net als de rest van de industrie, ontregeld en geprivatiseerd werd” (24).

In een algemene context van vervaging van herkenningstekens komt de natie-staat er niet meer toe, groepen te integreren, noch een sociale band te smeden. Hij biedt de leden van de maatschappij geen gevoel van eenheid meer, geen reden om te leven en te sterven, d.w.z. hun persoonlijk belang en soms hun leven op te offeren aan de een of andere realiteit die hun eigen individualiteit overstijgt. De natie-staat komt over als een abstracte, bureaucratische, ver van het leven staande structuur. Dergelijke ontwikkeling geeft alle vormen van particularistische beweringen de vrije teugel. “Identitaire noden hebben vandaag de neiging zich steeds feller (en meer ontbindend dan in het verleden), te laten voelen, als gevolg van de steeds duidelijker mislukking van de natie-staten in hun rol als producenten en verschaffers van identiteit” (30). De nationale identiteiten raken in ontbinding, maar dat gaat wel ten voordele van andere vormen van identiteit. Hoe meer de “nationale gemeenschap” verzwakt, des te meer zoeken de maatschappijen identiteitsvervangende identiteiten in ruil op.

Het vraagstuk van de identiteit stelt zich echter vooral op het politieke vlak. De eis tot erkenning – het streven dus zich door eenieder te laten erkennen wat men eigenlijk is – kan zich maar afspelen op de publieke ruimte. Identiteit wordt dan het geheel van praktijken en handelingen waardoor onze plaats politiek kan worden erkend in de publieke ruimte. Het is daarom dat de verdediging van identiteiten - taalkundige, culturele, godsdienstige, seksuele, enz.- wat Irving Fleitscher “het recht om zichzelf te blijven” noemde (31), een essentiële rol speelt in de huidige sociale en politieke conflicten. De eis tot erkenning wil uit een toestand geraken waar het verschil, dat teruggedrongen werd tot de private sfeer, zich daardoor onvermijdelijk overheerst en onderdrukt voelt door de openbare machten. Ze vertaalt het verlangen in de ruimte van de communicatie en van het samenleven een identiteit in te schrijven die zich tot dan toe de bevoegdheid en de machten van een politieke identiteit ontzegd zag. “Identiteit heeft maar relevantie en dus meer institutionele rechtsgeldigheid”, aldus Bernard Lamizet, “vanaf het moment dat ze het voorwerp uitmaakt van een erkenning, van een accreditatie in de publieke ruimte. Ze heeft slechts institutionele waarde in zoverre ze ook het gezag heeft van iets met betekenis” (32). Dat is dus goed en wel de bepaling van de publieke ruimte als plaats van onduidelijkheid, die door de identitaire eisen op de korrel wordt genomen. De identitaire eis stelt tegenover een ‘neutrale’ publieke ruimte die geen enkele specifiek lidmaatschap of ‘behoren tot’ kent, in de plaats daarvan een nieuwe publieke ruimte, die integendeel gestructureerd is volgens de aanhorigheden of ‘het behoren tot’. Zo’n eis onthult meteen een egalitarisme, dat vijandig staat tegenover verschillen en dat drager is van een uniformiserende visie op de wereld. Die visie kan alleen maar een cultureel beginsel zijn, vermomd in een universeel beginsel.

Anders geformuleerd stelt de identitaire eis niet tevreden met een moreel en politiek universalisme, dat al te vaak het masker droeg van overheersingspractijken, wat wel ontkend werd. Een echte politiek van erkenning van verschillen moet worden geïncorporeerd in de organisatie van de maatschappij, want erkenning ligt aan de basis van de sociale banden. Sociale rechtvaardigheid gaat niet alleen over herverdeling maar ook over erkenning (33). Ze roept een politiek van erkenning door de overheden op (34). En zo’n politiek kan men zich niet anders voorstellen dat uit het oogpunt van wederzijdse erkenning. Wie in zijn anders zijn wordt erkend, moet op zijn beurt diegene erkennen, die hem erkende. Elke erkenning impliceert wederkerigheid – uiteraard op essentiële punten. Overigens is een politiek van erkenning niet te verstaan als alibi voor relativisme. Het recht op verschil erkennen, betekent niet dat elke mogelijkheid tot moreel oordeel over dit anders zijn zou verworpen worden – stellen dat àlle waarden gelijk zijn, komt erop neer te stellen dat niets waarde heeft – maar alleen dat men zichzelf verbiedt dat oordeel te universaliseren en men zichzelf de onontbeerlijke voorzichtigheid oplegt om vanuit rechtskundig gezichtspunt een oordeel te vellen.


(Vertaling: Karel Van Vaernewijck)



(1) Zygmunt Bauman, La vie en miettes, Expérience postmoderne et moralité, Le Rouerge/Chambon, Rodez, 2003, pag. 34
(2) Charles Taylor, Les sources du moi. La formation de l’identité moderne, Seuil, Paris, 1998, pag. 65
(3) Christel Adler, Francis Prost, Identités et cultures dans le monde méditerranéen antique, Publication de la Sorbonne, Paris, 2002, p. 9. Deze idée hield stand tot in onze dagen in traditionele maatschappijen.
(4) Zygmunt Bauman, Modernité et Holocauste, La Fabrique, 2002, pag. 72-77. Hij toonde aan dat de joden bij de eerste slachtoffers van dit homogeniseren moeten gerekend worden, in die mate dat de moderne wereld geen particularisme meer kon verdragen, wat wel kon – paradoxaal toch – door een middeleeuwse beschaving, die eigenlijk maar een optelsom was van particularismen. De moderniteit heeft dus, in andere termen, een geheel van afstanden gesloopt, die zowel bevrijdend van aard waren als ook indirect beschermend. Of om het nog anders te stellen, in de Middeleeuwen verhinderde het anders zijn, niet de integratie
(5) Cfr. Hubertus G. Hubbeling, Some Remarks on the Concept of Person in Western Philosophy in Hans G. Kippenberg, Yme B. Kuiper en Andy F. Sanders, Concepts of Person in Religion and Thought, Walter de Gruyter, Berlin, 1990, pag. 9-24
(6) La vie en miettes, op. cit., p. 372
(7) Patrick Savidan, La reconnaissance des identités culturelles comme enjeu démocratique, in Ronan Le Coadic, Identités et démocratie. Diversité culturelle et mondialisation: repenser la démocratie, Presses Universitaires de Rennes, Rennes, 2003, pag. 234. Axel Honneth merkt op dat “de vermenging van de wettelijke erkenning en de hiërarchische orde van waarde – wat min of meer beantwoordt aan de morele fundering van alle traditionele maatschappijen – werd overtreden met de komst van het burgerlijk kapitalisme en met de normatieve verandering van de wettelijke betrekkingen onder druk van de markten in groei en van de simultane invloed van posttraditionele manieren van denken” (ibid., pag. 216-217)
(8) Cfr. Robert Legros, L’idée d’humanité. Introduction à la phénoménologie, Grasset, Paris, 1990
(9) Justine Lacroix, Communautarisme versus libéralisme. Quel modèle d’intégration politique?, Editions de l(Université de Bruxelles, Brussel, 2003, pag. 79
(10) Bernard Lamizet, Politique et identité, Presses Universitaires de Lyon,Lyon, 2002, pag. 302-204
(11) Ibid., pag. 109
(12) Ibid., pag. 11-12
(13) Marcel Gauchet, La démocratie contre elle-même, Gallimard,-tel, Paris, 2002, pag. XXI
(14) “Het individualistisch principe van de verwezenlijking is in feite de enige normatieve bron die de burgerlijke en kapitalistische maatschappij bezit om moreel de extreem ongelijke verdeling van levensverwachtingen en goederen te justifiëren. Omdat het feit tot een bepaalde staat te behoren, niet de sociale achting, waarvan men geniet, en de draagwijdte van wettelijke en economische privileges regelt, suggereren de ethisch religieuze waardering samengaand met de arbeid en de instelling van een kapitalistische markt de afhankelijkheid van dergelijk aanzien ten opzichte van de individuele verwezenlijking”. Axel Honneth, La reconnaissance, art. cit., pag. 220
(15) Op. cit., pag. 13
(16) Ibid., pag. 205
(17) Ibid., pag. 192
(18) Jean-Pierre Chevènement, Le vieux, la crise, le neuf, Flammarion, Paris, 1974, pag. 210. De toekomstige minister van nationale verdediging voegde er op dat moment nog aan toe dat “de natie-staat zich in Frankrijk in de loop van de eeuwen als gevolg van culturele genocides, die we eerst nu kunnen beginnen meten, heeft opgebouwd” en dat “nationaliteitseisen, verre van “passéistes”, zeer populair zijn”, stellingen die nogal verschillen van die stellingen die hij later zou innemen.
(19) Cfr. Ernest Gellner, Nations and Nationalism, Cornell University Press, Ithaca, 1983
(20) Chantal Delsol, La République.Une question française, PUF, Paris, 2002, pag. 98
(21) Cfr. Alain Dieckhoff, La nation dans tous ses états. Les identities nationals en mouvement, Flammarion, Paris, 2000, pag. 41-43
(22) Over dit onderwerp, zie Anthony D. Smith, Chosen Peoples, Sacred Sources of National Identity, Oxford University Press, Oxford, 2003
(23) Cfr. Wayne Norman, Les paradoxes du nationalisme civique in Guy Laforest en Philippe de Lara, Charles Taylor et l’interprétation de l’identité moderne, Cerf, Paris, 1998, pag; 155-170. Zie ook Claude Nicolet, La fabrique d’une nation. La France entre Rome et les Germains, Perrin, Paris, 2003
(24) Cfr. in het bijzonder Benedict Anderson, Imagined Communities. Reflections on the Origin and Spread of Nationalism, Verso, London, 1983; Wolfgang Bialas, Die nationale Identität der Deutschen. Philosophische Imaginationen und historischen Mentalitäten, Peter Lang, Bern-Frankfurt/M, 2002
(25) Marcel Detienne, Comment être autochtone. Du pur Athénien au Français enraciné, Seuil, Paris, 2003
(26) Leszek Kolakowski, On Collective Identity in Partisan Review, winter 2002-2003, pag. 10
(27) Op. cit. , pag. 20
(28) Art. cit., pag. 233
(29) La vie en miettes, op. cit., pag. 216-217
(30) Zygmunt Bauman, ibid., pag. 259
(31) Irving Fleitscher, Arbeit und Spiel. Essays zur Kulturkritik und Sozialphilosophie, reclam, Stuttgart, 1983, pag. 146-165
(32) Op. cit., pag. 58
(33) Over dit onderwerp, zie Axel Honneth, Recognition of Redistribution? Changing Perspectives on the Moral Order of Society in Scott Lash en Mike Featherstone, Recognition and Difference, Sage Publ., London, 2002, pag. 43-55
(34) Cfr. Amy Gutman, Multiculturalism and the “Politics of Recognition”, Princeton University Press, Princeton, 1992; Charles Taylor, The politics of Recognition in Amy Gutman, Multiculturalism. Examining the Politics of Recognition, Princeton University Press, Princeton, 1994; Axel Honneth, The Struggle for Recognition. The Moral Grammar of Social Conflicts, Polity Press, Cambridge, 1995.

13 april 2006

ORIËNTATIES - een nonconformistische revolutionaire gedachtengang door Julius EVOLA in SOS-Brochure, 1995

Inleiding

Met de Italiaanse denker Julius EVOLA (1898 - 1974) hebben we hier een vrijwel onbekende, doch zeer rijke en vruchtbare ideeënbron aangeboord. Een klassieker. Een man van grote gestalte, met uitgemergeld gezicht, schrijvend voor een beperkte kring. Hij kende tijdens zijn leven nooit de ‘populariteit’ die meestal het kenmerk is van valse grootheid. Evola overleed op 11 juni 1974 in Rome, om 15.15 uur, zoals hem was voorspeld, en zoals hijzelf hevig wenste.
Julius Evola werd in Rome op 19 mei 1898 geboren, uit een tot de lagere Siciliaanse adel behorend katholiek geslacht, en leerde al vroeg het werk van o.a. Nietzsche, Michelstädter, Otto Weininger en de nationalistische dichter Gabrielle d’Annunzio kennen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Evola frontofficier, bij de artillerie, was daarna actief in de artistieke avantgarde: dadaïsme met Tristan Tzare, futurisme met Marinetti.
Vanaf 1922 neemt hij afscheid van zijn artistieke periode en wijdt zich dan enkel nog aan filosofie. Hij publiceert verscheidene boeken en schrijft artikelen voor achtereenvolgens de Ur-groep en La Torre, kenmerkend voor al zijn activiteiten in het fascistische Italië is zijn non-conformisme.
In 1934 verschijnt de klassieker ‘Revolta contra il mondo moderno’, een stuk geschiedenisfilosofie, waarin de wereld van de traditie tegenover de moderne wereld geplaatst wordt. “Hij die dit boek leest, bekijkt Europa met gans andere ogen”, aldus de grote dichter Gottfried Benn, die zich na het lezen ‘hervormd’ verklaart.
Evola houdt, tijdens de oorlogsjaren, diverse spreekbeurten in Duitsland en heeft contact met Corneliu Codreanu, leider van de Roemeense Ijzeren Garde. Wanneer hij op 9 september ‘43 in Hitler’s hoofdkwartier te Rastenburg verblijft, ziet hij als een der eersten de pas door Otto Skorzeny’s commando’s uit de Gran Sasso bevrijde Mussolini.
Aan het einde van de oorlog bevindt Evola zich in Wenen, de stad wordt zwaar gebombardeerd en Evola loopt dan een zwaar rugletsel op, hetgeen resulteert in een levenslang gekluisterd zijn aan de rolstoel.

In 1948 keert Julius Evola naar Rome terug, ondanks zijn verlamming blijft hij actief, tot groot verdriet van zijn tegenstanders en tot groot genoegen van enkele groepen jongeren die hem om advies vragen. Hiervoor schrijft hij uiteindelijk het essay ‘Orientamenti’, waarin hij op klare en duidelijke wijze de te volgen weg voor de Italiaanse rechterzijde uiteenzet. Hoewel niet makkelijk te lezen en een voortdurende inspanning vereisend, is ‘Orientamenti’ toch ook voor onze huidige generatie jongeren een wegwijzer: waarschuwend en inspirerend tegelijk, voor een ieder die zich echt wil bezinnen op wat ons, vandaag en morgen, te doen staat.
Het onderliggende essay ‘Orientamenti’ behoeft enige begeleiding in de uitleg en het gebruik van diverse begrippen, zoals bijv. ‘nationalisme’ en ‘imperium’. Evola’s kritiek op het nationalisme is een kritiek op het gevoerde (jacobijns staats-) nationalisme in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. De diverse ontwikkelingen, met name in de jaren ‘60 en ‘70, hebben geleidt tot het tot stand komen van het huidige hedendaagse nationalisme, dat volks (dus nationaal) en Europees tegelijk kan zijn. Tal van Evola’s gedachten zijn in het huidige nationalisme verwerkt en daarmee bleek dat tal van zijn ideëen zijn tijd ver vooruit waren. De ‘Imperium’- gedachte van Evola is gebaseert op het oude Rome, een instelling van bovennatuurlijk karakter.
Hoe belangrijk uiteindelijk onderliggend essay is, zal blijken als in 1953 het meesterwerk ‘Gli uomini e le rovine’ (mensen temidden van ruïnen) verschijnt, waarin de basisideeën van ‘Orientaties’ op magistrale wijze verder uitgewerkt worden en een richtlijn wordt voor, met name, het na-oorlogse rechtse Italië, maar ook daar buiten.
Toen hij, in 1974, overleed, leefde Julius Evola al dertig jaar met verlamde benen, tussen zijn schilderijen en zijn boeken, en met de vrienden die hem nog kwamen opzoeken. Hij was de geestelijk leider geworden van een deel der Italiaanse rechterzijde en vooral van een groeiend aantal jongeren. Ook vandaag de dag zijn de gedachten van Evola voor velen nog een leidraad voor hun politiek denken en handelen.
Op 26 augustus 1974 begraven enkele van zijn getrouwen de urn met zijn as in het eeuwige ijs van de Monta Rosa (4.500 m hoogte), een waardige rustplaats voor deze laatste Romein, voor de laatste der Gibellijnen.



ORIËNTATIES


Het is overbodig zich, omtrent de schimmen van een of ander optimisme, illusies te maken: Hic et nunc staan we aan het eind van een cyclus. Reeds eeuwenlang, eerst onmerkbaar, dan met de beweging van een glijdende massa, hebben talloze krachten in het Westen elke normale en legale menselijke organisatie vernietigd, en hebben ze alle verheven opvattingen over levenskunst, over handelen, kennen en strijden vervalst. Deze decadentie, haar richting en haar snelheid werden ‘vooruitgang’ genoemd. Voor die ‘vooruitgang’ werden hymnen aangeheven en men smeedde zich de illusie dat die beschaving - die er een is van materie en machines - dé beschaving bij uitstek was, aan dewelke de hele wereldgeschiedenis bij voorbaat ten deel was gevallen.
Op het vlak van de naties en van de drijvende krachten gaf de recenste periode - vooral na de Tweede Wereldoorlog - een voor zichzelf sprekend voorbeeld van wat W.Wundt de ‘heterogenese van de gevolgen’ heeft genoemd. Alles lijkt er op te wijzen, dat krachten ontsnapt zijn uit de handen van wie ze verwerkten, processen in gang zetten die dan weer stromingen verwekken die geheel verschillen van de oorspronkelijke doeleinden, in een spel van actie en reactie, en van schokken met terugwerkende kracht. Invloeden achter de schermen der grijpbare realiteit hebben zeker deel gehad in dit alles, en werkten voor heel het Westen in ontbindende zin.

Tegenover deze objectieve benadering staat deze vaststelling: vandaag bevinden we ons in een wereld vol ruïnes. Dan stelt zich deze vraag: zijn er nog mensen, die temidden dezer ruïnes rechtopstaan ? Wat moeten, wat kunnen ze doen ? Welke moet hun richting, hun oriëntatie zijn ?

Een dergelijk probleem overstijgt de politieke fronten van gisteren. Overwinnaars en overwonnenen bevinden zich voortaan op hetzelfde vlak; het enige resultaat van de Tweede Wereldoorlog is: Europa, vervallen naar rang en cultuur, aangevallen door een nauwelijks afgeremde wanorde, en zowat
herleid tot de rang van lijdend voorwerp van buiteneuropese machten en belangen.
Men moet wél erkennen, dat de verwoesting die overal rondom ons om zich heen grijpt, een essentieel moreel karakter heeft. We bevinden ons heden in een klimaat van algehele morele gevoelloosheid, van totale desoriëntatie, ondanks àlle slagwoorden van dewelke de consumptiemaatschappij of de democratie zich bedienen. Het degenereren van karakter en van echte waardigheid, het ideologische verval, het domineren van de laagste interessen, het leven van ene dag op de andere, karakteriseren het best de naoorlogse mens.

Wanneer we dit erkennen, beseffen we ook dat het kernprobleem, basis van alle andere, een innerlijk karakter heeft: rechtopstaan, in zichzelf herrijzen, zichzelf een vorm geven, en in zichzelf orde en rechtschapenheid scheppen. Wie zich, omtrent de macht van deze of gene formule, of van dit of dat systeem, iets voorspiegelt, heeft uit het recente verleden geen lessen getrokken. Eén beginsel zou, vandaag meer dan ooit, overduidelijk moeten zijn: al zou een staat een politiek of sociaal stelsel hebben dat, theoretisch, het meest volmaakte was, maar als de menselijke substantie er bedorven wsa, dan zinkt die staat, vroeg of laat, naar het niveau van de laagste maatschappijen. Een of volk of ras dat in staat is échte mannen voort te brengen, mensen met juist inzicht en scherp instinkt, zal een hoog beschavingsniveau bereiken, en rechtop staan temidden van de zwaarste beproevingen, zelfs als zijn politiek stelsel spaak loopt of onvolmaakt blijkt. Het komt erop aan, duidelijk stelling te nemen tegen het valse ‘politieke realisme’, dat alleen denkt in termen van programma, van organisatorische problemen, van sociale en economische voordelen. Dit alles is bijkomstig, niet essentieel. De maat van wat nog kan worden gered, is afhankelijk van het bestaan (of niet-bestaan) van mensen die zich vlak tegenover ons bevinden, niet om slogans te schreeuwen, maar om voorbeeld te zijn, niet om in te gaan op demagogie, noch op het materialisme van de massa’s, maar om uiteenlopende vormen van belangstelling en gevoelen op te wekken. Vertrekkend met hen die, tussen de puinen, rechtop konden blijven, langzaam een nieuwe mens vormen, door een besliste geest en een
adequate levensvisie hen bezielen, en hen door een absolute gehechtheid aan gegeven beginselen versterken ... dààr ligt het echte probleem.

Wat de geest betreft, is er alvast een wegwijzer voor de elementen van weerstand en herleving: de geestesgesteldheid van de legioensoldaat. Het is de houding van wie de hardste weg wist te keizen, van hem die wist te strijden, zelfs met het besef dat de strijd, materieel gezien, verloren was, van hem die het woord van de oude saga waar maakte: ‘Trouw is sterker dan vuur’, waarlangs de traditionele idee omtrent de betekenis van eer en schande zich openbaart; op haar beurt schept ze een substantieel, existentieel onderscheidt tussen de wezens, een verschil als tussen het ene en het andere ras.

Anderzijds is er de realisatie - typisch voor hen bij wie, wat eens doel was, nu middel geworden is - van de bedrieglijke aard van heelwat mythen, en het ongerept laten van wat ze voor zichzelf konden bereiken voorbij de wereld van het bijkomstige, tot op de grens tussen leven en dood.

Dergelijke geestesconstructies kunnen de basis vormen voor een nieuwe eenheid. Belangrijk is, ze te aanvaarden, ze toe te passen en van oorlogstijd naar vredestijd door te trekken - tot die ‘vrede’ vooral, die slechts ‘n pauze is, een slecht bedwongen wanorde - opdat de geesten zouden scheiden en er een nieuw front gevormd worde. Dit alles moet geschieden in veel essentiëler vormen ook dan alleen maar als ‘beweging’, als men onder ‘beweging’ alleen maar een verschijnsel met massa en hoeveelheid verstaat, veeleer kwantitatief dan kwalitief, en eerder op emotionele factoren gesteund dan op een strikte en heldere aansluiting bij een idee. Eerder gaat het om stille revolutie, die vertrekt vanuit de diepte; die moet men aanmoedigen, opdat vooreerst binnen eenieder de premissen zouden ontstaan van de Orde, die zich daarna waar moet maken naar buitenuit, en die dàn, bliksemsnel, op het juiste moment, de vormen en de krachten van de subversieve wereld moet verdringen. De ‘stijl’ die zijn volledig reliëf moet verkrijgen, is die van de man die stààn blijft op het vlak van de trouw aan zichzelf en aan een idee, met een bezonnen
intensiteit, met een afkeer voor alle compromissen, met een totale inzet die niet alleen dient bewezen te worden in de politieke strijd, maar in elk facet van het bestaan: in de fabrieken, de laboratoria, de universiteiten, op de straat, in het persoonlijke leven zelfs, en in de genegenheid.

Zo moet men ertoe komen dat het mensentype waarover wij het hebben, met geen ander kan verward worden, en men over hem kan zeggen: ‘Dat is er één die handelt als een mens van de ‘beweging’.....

Deze handelswijze die reeds gevolgd werd door hen die voor Europa droomden van een nieuwe wereldorde, is in haar verwezenlijking, herhaaldelijk belemmerd en afgeleid, door tal van factoren; we moeten ze vandaag hernemen. En vandaag zijn de omstandigheden, al bij al, veel gunstiger, omdat er geen dubbelzinnigheid meer bestaat; het volstaat, rondom zich te kijken, van het marktplein tot het parlement, opdat eventuele roepingen op de proef worden gesteld, en opdat iedereen klaar zou inzien wat hij wel en wat hij nièt hoeft te zijn. Tegenover een wereld als een mestvaalt, waarin leuzen gelden als: ‘Wie verplicht je, dit of dat te doen ?’ of nog ‘Ik heb een gezin....’ moet men dit klaar en duidelijk antwoord durven plaatsen: ‘Wij, wij kunnen niet anders handelen !’ Wat vandaag of morgen aan positiefs kan worden bereikt, zal niet geschieden langs de handigheidjes van agitatoren en politici, maar door het vanzelfsprekende prestige van personen uit de oudere of - liever nog - uit de jongere generatie mits zij tot iets dergelijks bekwaam zijn, en mits zij hun idee werkelijk belichamen.

Het gaat dus om een nieuwe essentie, die moet aangebracht worden door een langzaam doordringen door de kaders, de standen en de sociale posities uit het verleden. Het komt erop aan, een nieuw beeld voor ogen te houden, om er onze eigen kracht en onze eigen roeping aan te meten. Het is belangrijk, fundamenteel zelfs, duidelijk te erkennen dat dit beeld niets te maken heeft met ‘klassen’ gezien als economische categorieën, noch met de tegenstellingen die zij meebrengen. Dat beeld kan zijn uitdrukking vinden zowel bij de arbeider als bij de aristocraat, bij de ondernemer als bij de ontdekker, de
technicus, de theoloog, de landbouwer, de politicus stricto sensu. Die nieuwe essentie, die intern gedifferentieerd zal zijn, zal volmaakt zijn als er geen twijfel mogelijk is omtrent de roeping en de functies om te leiden én te volgen, wanneer het hervonden symbool van een onbetwistbare autoriteit, opnieuw zijn plaats zal hebben temidden van nieuwe hiërarchische structuren.

Met dit alles wijzen wij een even antiburgelijke als antiproletarische richting, een weg volledig vrij van democratische bezoedeling en van sociale waanbeelden: deze weg leidt naar een klare, krachtige, gearticuleerde wereld, door mensen gemaakt en geleid door mensen. Misprijzen wij dus de burgelijke mythe van ‘veiligheid’, van het gestandaardizeerde bougeois-conformisme, van het ‘gemoraliseerde routineleventje’. Misprijzen ook voor verlammende banden, eigen aan elk collectivistisch of marxistisch stelsel, en voor alle ideologieën die aan vewarde ‘sociale’ waarden voorrang verlenen op de heroïsche en spirituele, aan dewelke, ons inziens, het type van de échte mens, van de absolute persoonlijkheid zou moeten beantwoorden. Door in die richting te werken, zal eindelijk iets essenieels worden bereikt, van zodra liefde voor een stijl van actieve onpersoonlijkheid ontwaken zal, waar tegenover niet het individu van tel is, maar het werk, de opgedragen taak waar tegenover men niet zichzelf als belangrijk beschouwt, maar wél de dienst, de verantwoordelijkheid, de op zich genomen taak, het nagestreefde doel.

Waar deze mentaliteit zich openbaart, zullen veel problemen eenvoudiger blijken, zelfs die van economische of sociale aard, die integendeel onoplosbaar zouden blijven als ze van buitenaf worden bezien, zonder ze te koppelen aan een wijziging van spirituele factoren, en zonder het uitschakelen van ideologische besmettingen, die al van de oorsprong af elke terugkeer naar de normaliteit belemmeren, ja zelfs het begrip normaliteit versluieren.

Verder is het belangrijk, niet alleen als doctrinale oriëntatie, maar ook in betrekking tot de wereld van de actie, dat de
strijders op het nieuwe front met juistheid de kringloop van oorzaken en gevolgen onderkennen, evenals de essentiële samenhang van de stroming die leven schenkt aan de diverse politieke strekkingen, die vandaag in het strijdperk van de partijenchaos kampen. Eerst liberalisme, dan democratie, daarop socialisme, dan radicalisme, uiteindelijk communisme en bolsjevisme, zijn - historisch gezien - slechts gradaties van éénzelfde kwaad. Het zijn stadia, waarvan ieder het volgende voorbereidt, in een voortdurend proces van verval. Deze ontwikkeling vangt aan op het ogenblik dat de Westerse mens zijn banden met de traditie breekt, elk superieur symbool van macht en souvereiniteit afwijst, voor zichzelf als individu een vergeefse, bedrieglijke vrijheid opeist, en tot atoom verwordt, liever dan een bewust onderdeel te zijn van een organische en hiërarchische eenheid. Op de duur bevindt dat atoom zich tegen de massa van andere atomen, en wordt het meegesleept in de heerschappij van de kwantiteit, van het eenvoudige banale getal, van de vermaterialiseerde massa’s, tot hij geen andere godheid erkent dan de souvereine economie.

In een dergelijk proces houdt men halfweg niet stil. Zonder de Franse Revolutie en het liberalisme zouden constitutionalisme noch democratie ontstaan zijn. Zonder het voortbereidend werk van het socialisme zouden radicalisme noch communisme een kans hebben gekregen. Dat al die verschijnselen zich vandaag, de één naast de andere, aanbieden, of zelfs bestrijden, mag ons niet beletten te erkennen dat de één samenhangt met de andere, dat ze in mekaar haken, dat ze elkaar wederkerig bepalen en dat ze slechts verschillende gradaties van een zelfde stroming uitdrukken, van eenzelfde subversie tegen elke sociale, normale en wettige ordening. De grote illusie van vandaag is, dat democratie en liberalisme de antithese zouden zijn van het communisme, en dat zij in staat zouden zijn om het springtij van de stromingen uit de ondergrond, - wat men in het syndicale jargon, de ‘progressistische beweging’ noemt - in te dijken. Illusie ! Het komt op hetzelfde neer als te beweren, dat de schemering de antithese is van de nacht, dat het begin van het kwaad de antithese is van zijn acute en endemische vorm, dat een verdund vergif de antithese is van zijn geconcentreerde dosis. Onze regeerders hebben uit de recenste geschiedenis -
waarvan de lessen zich monotoon herhaalden - niets geleerd en ze zetten hun aangrijpend spel met mislukte en ijdele politieke concepten in het parlementaire carnavalgedoe verder, al is dit parlement zowat verworden tot een dodendans op een latente vulkaan.

Aan ons moet, daarentegen, de kracht van het radicalisme eigen zijn, het ‘neen’ aan de politieke decadentie in al haar vormen, zo van ‘links’ als van een verondersteld ‘rechts’. Men moet zich vooral bewust zijn van dit: men onderhandelt niet met de subversie, nù toegevingen doen betekent hetzelfde als morgen opgeslorpt worden. Onverzoenlijkheid dus wat de idee betreft, en gezwindheid om zich - met alle zuivere krachten - naar de toekomst te richten, zodra het ogenblik gunstig zal zijn.

Dit sluit natuurlijk ook de vaste wil in, zich te ontdoen van de ideologische misvormingen die, jammer genoeg, ook onder een deel van de jeugd verspreid zijn, waardoor men zich alibi’s verleent, om reeds gebeurde vernietigingen goed te praten, en waarbij men zich de illusie maakt dat ze, al bij al, noodzakelijk waren, en dat ze voor de ‘vooruitgang’ nuttig zijn; dat men moet strijden voor ‘iets nieuws’, gesitueerd in een welbepaalde toekomst, liever dan voor waarheden die we reeds kennen omdat ze, zelfs onder verschillende verschijningsvormen, steeds en overal als basis hebben gediend voor alle hogere vormen van sociale en politieke organisatie. Zulke nevels moeten verdreven worden. En men lache maar tegenover de beschuldigingen, als zou men ‘antihistorisch’ of ‘reactionair’ zijn: de Geschiedenis-met-hoofdletter, als geheimzinnig gegeven, bestaat gewoon niet. Het zijn slechts de mensen, in de maat dat ze écht Mens zijn, die geschiedenis maken. Het zogezegde ‘historicisme’ is min of meer te vergelijken met het progressisme, en wil slechts dit: passiviteit opwekken ten overstaan van de aanzwellende stroom, die ons steeds lager voert. Wat het ‘reactionaire’ betreft, stelt u zich één vraag: Zoudt u willen dat, terwijl u ageert, terwijl u vernietigt en ontwijdt, wij ons zouden vergenoegen met toekijken, en u zelfs zouden toeroepen: ‘Bravo, doe zo voort’ !?


Wij zijn géén reactionairen, eenvoudig omdat dit woord niet krachtig genoeg is, en vooral omdat wij vertrekken van het positieve, in dit positieve belichamen de reële en originele waarden, die geen behoefte hebben aan welke ‘zon der toekomst’ ook ...

In het licht van ons radicalisme komt de antithese tussen het ‘rode Oosten’ en het ‘democratische Westen’ bespottelijk over, zodat het ons ook tragisch onbelangrijk lijkt, als een gewapend conflict tussen beide blokken zou uitbreken. Op korte termijn bestaat natuurlijk de keus van het minste kwaad, want een directe fysische overwinning van het ‘Oosten’ zou meteen de fysische vernietiging van de laatste vertegenwoordigers van de traditionele wereld betekenen.

Als idee beschouwd, moeten Rusland én Noord-Amerika beschouwd worden als twee armen van eenzelfde tang, die op het punt staat zich rond Europa te sluiten. Onder twee verschillende vormen, werkt in beiden dezelfde vreemde, vijandige kracht. De vormen van standardisatie, van conformisme, van democratische nivellering, van produktie-waanzin der min of meer verdrukkende braintrusts, van een kleingeldmaterialisme op zijn Amerikaans, al die vormen kunnen slechts de weg vrijmaken voor de ultieme fase, die in dezelfde geest belichaamd wordt door het communistische ideaal van de massa-mens. Het Amerikanisme onderscheidt zich slechts, doordat de aanval op kwaliteit en persoonlijkheid zich daar niét realiseert doorheen een brute dwang uitgeoefend door een dictatuur, maar dat dit haast spontaan gebeurt, langs de gebaande wegen van een beschaving die geen hogere idealen kent dan rijkdom, consumptie, rendement, ongeremde produktie, waardoor het resulteert in een tot-de-spits-drijven en een tot het absurde opvoeren van wat Europa voor zichzelf als weg koos. Zo aan de ene als aan de andere zijde zijn primitivisme, mechanisme en brutaliteit aanwezig, maar, in zekere zin is het amerikanisme voor ons gevaarlijker dan het bolsjevisme: door zijn bestaan zelf is het een Trojaans paard.


Zodra tegen de eeuwige waarden van de Europese Traditie ten aanval wordt getrokken, in de directe en naakte vorm eigen aan de bolsjevistische ideologie en aan het Stalinisme, ontstaan reacties, en is het nog mogelijk enkele - wél zwakke - weerstandslinies te bezetten. De situatie is helemaal anders, zodra hetzelfde kwaad op veel subtieler wijze optreedt en de verandering in gebruiken, zeden, en algemene levensopvatting ongemerkt wordt doorgevoerd, zoals het amerikanisme werkt. Door zich met gerust geweten aan de invloed van dit amerikanisme te onderwerpen, in het teken van de democratie, maakt Europa zich klaar voor de ultieme onderwerping, die zo totaal dreigt te zijn dat een militaire catastrofe wellicht overbodig zal worden: langs ‘progressieve’ weg na een laatste sociale crisis, zal men hetzelfde eindpunt bereiken. Herhalen we het nogmaals: halverwege houdt men niet op. Willens nillens werkt het amerikanisme zijn schijnbare vijand, het collectivisme, in de hand ...

In verband met wat voorafgaat, eist onze radicale zin voor heropbouw dat men niet alleen niet tot een vergelijk komt met elke vorm van marxistische of socialistische ideologie, maar evenzeer dat men elk compromis afwijst met wat men de hallucinatie, de demonie van het economische mag noemen. Daarmee bedoelen wij de idee, volgens welke in het - zowel individueel als collectief - leven, de economische factor belangrijk, reëel, beslissend is; de idee volgens dewelke het concentreren van elke waarde en van al wat belangrijk is, op het terrein van de economie en de produktie vanwege de moderne Westerse mens géén aberratie zonder voorgaande is, maar - integendeel - iets normaals, geen brutale eventualiteit, maar iets wat men moet nastreven en toejuichen.

In die duistere kringloop liggen zowel marxisme als kapitalisme besloten, en het is deze kring die we moeten doorbreken. Zolang men maar praten kan over economische klassen, over arbeid, over salarissen en produktie, zolang men zich voorspiegelt dat de echte menselijke vooruitgang, dat eenieders echte verheffing geconditioneerd zijn door een welbepaald systeem van verdeling van rijkdommen en goederen en dat die vooruitgang dus in rechtstreeks verband
staat met armoede of welstand, met een toestand van ‘prosperity’ op zijn Amerikaans, of met die van het utopisch socialisme, blijft men op hetzelfde plan staan van al wat we moeten bestrijden.

Ziehier wat we duidelijk moeten vooropstellen: al wat economisch is, elk economisch belang gezien als zuivere en eenvoudige voldoening van fysische behoeften had, heeft en zal altijd in een normale mensenmaatschappij een ondergeschikte functie hebben; boven die sfeer moet zich een orde van superieure, politieke, spirituele en heroïsche waarden onderscheiden, een orde die - zoals we reeds zeiden - geen ‘proletariërs’ noch ‘kapitalisten’ kent of erkent, en in functie waarvan alleen die begrippen moeten bepaald worden, voor dewelke het écht de moeite waard is, te leven en te sterven. In functie van deze orde moet een ware hiërarchie worden opgebouwd, moeten nieuwe waardigheden worden uitgedacht en moet, aan de top, een opperste souvereiniteit zetelen.

In dat opzicht moet heel wat onkruid, dat hier en daar wortel schoot, worden verwijderd. Wat is het anders, wanneer men praat over ‘Arbeidsstaat’, ‘Nationaal-socialisme’, ‘arbeidshumanisme’ en andere lichtzinnige vondsten ? Wat betekenen die min of meer openlijke voorstellen ter inschakeling van de politiek in de economie, zowat te vergelijken met de twijfelachtige pogingen in de richting van een ‘integraal corporatisme’, dat in feite leidingloos is, en aan wie, tijdens de fascistische periode, gelukkig de weg versperd werd ? Wat betekent het verder als men de ‘socialisatie’-formule overweegt, als een soort tovermiddel, en de ‘sociale gedachte’ verheft tot een symbool dat zowel in het Westen als in het Oosten zou moeten gelden ?

Men moet erkennen, dat dit schaduwvlakken zijn, vast te stellen bij zovele personen die zich, op andere terreinen, in ons kamp bevinden. Zo menen die figuren, trouw te zijn aan een ‘revolutionaire’ gedachte, terwijl zij feitelijk slechts gehoorzamen aan suggesties, sterker dan henzelf, en waarmee een gedegenereerd politiek milieu al verzadigd is. Wanneer zal men eens de waarheid beseffen, dat namelijk het marxisme niet
verscheen omdat er een sociale kwestie bestond, maar dat sociale kwesties veelal ontstonden omdat er het marxisme was, op kunstmatige wijze dus, door het werk van agitatoren - de beruchte ‘opwekkers van het klassebewustzijn’ - ? Terzake heeft Lenin zich helder uitgedrukt, waar hij het spontane karakter van de revolutionaire proletarische bewegingen ontkende.

Vanuit deze premisse moet men handelen, vooreerst in de zin van een ideologische ‘deproletarisatie’, van een ontsmetting van de nog gezonde delen van een volk, dat reeds door het socialistische virus aangetast is. Slechts dàn kan deze of gene verandering worden bestudeerd en zonder gevaar op gang worden gebracht, in volle rechtvaardigheid.

Zo kan men, bij wijze van voorbeeld, zien hoe het corporatisme één der basissen voor wederopbouw kan worden; het corporatisme dan, niet zozeer als alomvattend, haast burocratisch, systeem voor de organisatie van de Staat, die het giftige idee van tegen elkaar opgerichte fronten bestendigt, maar als verwerkelijkte eis, binnen de ondernemingen de eenheid en de solidariteit van de verschillende aanwezige krachten te verwezenlijken, die door het kapitalistische plichtsverzuim ( met zijn substrata van het parasitaire type, als de speculant en de kapitalist-financier) enerzijds, de marxistische agitatie anderzijds, getroffen en verbrijzeld worden.

Het komt erop aan, de onderneming te leiden bijna als een militaire eenheid, waarin de geest van verantwoordelijkheid, energie en bekwaamheid van de leiders gepaard gaat met de solidariteit en trouw van de arbeidskrachten, die met hen in de gemeenschappelijke onderneming arbeiden. Het enige en echte doel is dus, te komen tot een organische wederopbouw van de onderneming: om dat te bereiken, is het niet nodig zich van formules te bedienen, met het oog op het vleien van de onderste lagen van de massa, voor bekrompen propagandistische en electorale doeleinden, voor de opstandige geest, voor de gelegenheid als ‘sociale gerechtigheid’ ingekleed.


In algemene zin zou een stijl van actieve onpersoonlijkheid, van waardigheid, van solidariteit in de produktie, eigen aan de antieke ambachtelijke en professionele corporaties, weer aan de orde moeten worden gesteld. Het syndicalisme met zijn ‘srtijd’ en zijn echte chantage - de actualiteit biedt er ons voorbeelden te over van - moet worden uitgebannen. Herhalen we echter, dat men maar tot resultaten komt door van binnenuit te vertrekken ... Essentieel is, dat tegen elke vorm van ressentiment of sociale tweedracht in, elkeen zijn plaats leert kennen en aanvaarden, plaats die conform is aan zijn natuur, waardoor men grenzen leert beseefen waarbinnen men zijn mogelijkheden kan en mag ontwikkelen, om aldus tot de eigen vorm van volmaaktheid te komen; immers, een ambachtsman, die zijn functie ten beste vervult, is ongetwijfeld superieur aan een valssprekende souverein die niet op de hoogte staat van zijn waardigheid .....

Men moet in het bijzonder een stelsel van technische bekwaamheden en corporatieve vertegenwoordigingen aanvaarden, ter vervanging van het partijen-parlementarisme; men houde dan wél voor ogen dat technische hiërarchieën in hun geheel niets méér kunnen betekenen dan één enkele trap van de integrale hiërarchie: zij betreffen de orde van de middelen, en dienen ondergeschikt te zijn aan de orde van doelstellingen, waaraan uitsluitend het politiek en spiritueel domein van de Staat beantwoordt. Spreken over een ‘arbeids-’ of over een ‘produktie-’ staat, leidt ertoe een deel te verkiezen boven het geheel, komt erop neer dat men zich beperkt tot de louter fysisch-vitale functies van het menselijke organisme. noch een dergelijke uitzichtloze, bekrompen zaak, noch de ‘sociale gedachte’ zelf kunnen ons vaandel zijn. De echte antithese, zo in het ‘Westen’ als in het ‘Oosten’ is niet het ‘sociale ideaal’, maar wél het echte hiërarchische idee. Wat dat betreft, is er gewoon geen twijfel mogelijk.

Werd het ideaal van de organische politieke eenheid in een vorig tijdperk erkend, dan past het toch die gevallen af te zweren waarin deze eis ontspoorde in de verkeerde richting van het totalitarisme. Ook dat is, eens te meer, een punt dat in alle
klaarheid moet worden beschouwd, opdat de frontlijnen klaar zouden blijken, en opdat geen wapens zouden worden verstrekt aan hen die de zaken bewust in de war willen sturen. De organische opvatting heeft niets te maken met de verkalkte staats-afgoderij, noch met de nivellerende centralisatie. Wat de privaatpersonen betreft, moeten we zeggen, dat men slechts tot een overstijging, zo van het collectivisme als van het individualisme komt, op het ogenblik waarop échte mensen zich tegenover andere mensen bevinden, in de natuurlijke verscheidenheid van hun zijn en van hun waardigheid in de lijn van stevige en klare beginselen. Wat de eenheid betreft, die in ‘t algemeen alle vormen van ontbinding en absolutisering van het particuliere moet vermijden, zij moet in hoofdzaak geestelijk zijn; zij moet de centrale impuls zijn, een aandrang oriënterend die, naar gelang de domeinen, diverse uitdrukkingsvormen aanneemt. Dat is de echte kern van de ‘organische’ opvatting, tegengesteld aan de starre en extrinsieke verhoudingen eigen aan het totalitarisme. In zulk kader kan de eis naar waardigheid en naar de vrijheid van de menselijke persoon, welke het liberalisme slechts in individualistische termen kan opvatten, zich tenvolle realiseren. In die geest moeten de structuren van een nieuwe sociaal-politieke ordening worden bestudeerd in de lijn van stevige en klare beginselen.

Dergelijke structuren hebben nood aan een centrum, aan een ultiem referentiepunt. Een nieuw symbool van souvereiniteit en autoriteit is vereist en, in dat opzicht, moeten de richtlijnen nauwkeurig zijn, en kunnen ideologische twijfels niet geduld worden. Het is duidelijk dat hier slechts op ondergeschikte wijze gehandeld wordt, over wat men als een constitutioneel probleem kan omschrijven. Het gaat, vóór alles, om het scheppen van een specifiek klimaat, van een stroming die de verhoudingen bezielt van trouw, aanhankelijkheid, toewijding, niet-individuele actie, opdat de grijze tinten, het mechanische karakter en de slinksheid van de huidige politiek-sociale wereld écht overstegen worden.

Indien aan de top van de structuur, niemand in staat is tot een soort asceze van de zuivere gedachte te komen, zal alles in een doodlopende straat eindigen. De tragische omstandigheden
van gisteren belemmeren bij velen een klare kijk op de juiste richting. Wij kunnen slechts de inopportuniteit erkennen van de monarchale opvatting, voor zover men slechts hén op het oog heeft, die een residu van ideeën, of ledige en ontkrachte symbolen weten te verdedigen. We denken hierbij aan de constitutionele parlementaire monarchie. Maar met evenveel kracht moet men de onverenigbaarheid beklemtonen met de republikeinse gedachte: enerzijds antidemocraat zijn, en anderzijds de republikeinse gedachte verdedigen, is een haast tastbare absurditeit; de republiek immers - en hier hebben we het over de moderne republieken, vermits de antieke republieken aristocratieën waren, zoals in Rome, of oligarchieën met nogal eens tyrannisch karakter - behoort in hoofdzaak tot die wereld die het leven zag langsheen het jacobinisme en de antitraditionele en antihiërarchische subversie van de 19e eeuw. Laten we die gedachte dus over aan een wereld die niet de onze is: in beginsel kan een ‘vroeger monarchale’ natie die republiek werd, slechts als een ‘gedeklasseerde’ natie worden beschouwd.

Men moet dus strak vasthouden aan een staatsdoctrine, die als basis een superieur beginsel heeft, dat de autoriteit in zekere mate transcendeert, zonder het algemeen peil te willen verlagen, en zonder compromissen te aanvaarden met welke groep ook.
Hoe dit symbool moet geconcretiseerd worden, kan voorlopig onbeslist blijven, en naar later worden verschoven. Onze essentiële taak is, het adequate geestelijke milieu voor te bereiden, opdat zó het symbool van de onvatbare superieure macht zou zichtbaar worden, en de ganse omvang van zijn betekenis zou bereiken; aan iets dergelijks kan de gestalte van een afzetbare ‘president’ van een republiek niet beantwoorden, evenmin als de gestalte van een tribuun of een volksleider, die alleen maar een individuele macht voert, zonder enig superieur charisme, en die zijn steun zoekt bij het wankele prestige dat hij bij de irrationele krachten van de massa’s vindt. We bedoelen hier dat, wat sommigen ‘bonarpartisme’ genoemd hebben, en waarvan Burnham en Michels de juiste betekenis definiëerden: ze is niet de antithese van de demagogische en ‘populaire’ democratie, maar eerder de logische conclusie ervan. Eén van
de ‘duistere verschijnselen’ uit Spenglers “Untergang des Abendlandes”. Ziehier nog een andere toetssteen: de gevoeligheid tegenover dit alles. Reeds een Carlyle had gesproken over een “wereld van slaven die geregeerd wil worden door een quasiheld ... niet door een heerser.”

In een analoge orde van ideeën moeten wij hier nog een ander punt verduidelijken. Het gaat om de houding die we moeten innemen tegen het nationalisme en, in het algemeen, de idee van ‘vaderland’. Dit is nodig, want heel wat personen, die nog willen redden wat kan, huldigen een sentimentele en tegelijk ook naturalistische opvatting over de te restaureren natie; een opvatting, vreemd aan de Europese traditie, en die zich maar moeilijk laat verzoenen met de staatsidee, die we zopas uiteenzetten.

Zelfs als we abstractie willen maken van het feit, dat de vaderlandidee op gezwollen en hypocritische wijze wordt ingeroepen door de meest tegenstrijdige partijen, en zelfs door vertegenwoordigers van de rode subversie, moet het ons toch van het hart dat die opvatting niet meer op het niveau van de huidige tijd staat, omdat men getuige is, aan de ene kant, van de vorming van grote supranationale blokken, en het aan de andere kant steeds noodzakelijker wordt, een Europees referentiepunt te vinden, dat kan leiden tot éénheid boven de onvermijdelijke particularismen, die geketend blijven aan de naturalistische idee ‘natie’ en, meer nog, aan het ‘nationalisme’. De principiële vraag is evenwel de belangrijkste. Het politieke vlak op zichzelf is een terrein waarop zich meer superieure begrippen ontmoeten, dan die welke zich in naturalistische termen laten definiëren, als bij voorbeeld, de begrippen natie, vaderland en volk. Wat op dit superieure vlak verbindt en verdeelt, is de idee, een idee belichaamd door een vastberaden elite, en die poogt zich te concretiseren in een Staat. Daarom is het, dat de fascistische leer, die, op dit vlak, trouw blijft aan de beste Europese politieke tradities - voorrang gaf aan de ‘idee’, aan de ‘Staat’, vóór de ‘natie’ of het ‘volk’ en vooropstelde dat ‘natie’ en ‘volk’ alleen maar binnenin de Staat een eigen betekenis en een eigen vorm konden verwerven, zo deel te hebben aan een superieure vorm van zijn.

Juist in crisisperioden zoals we er nu een beleven, is het van belang zich strikt aan deze doctrine te houden. In de Idee moeten wij ons echt Vaderland herkennen: wat telt is niet, op dezelfde grond te leven, of eenzelfde taal te spreken, maar wél dezelfde Idee aan te kleven. Daar is onze basis, daar ligt ons vertrekpunt.

Tegenover de collectivistische nationale eenheid - die van de ‘kinderen des vaderlands’ - zoals ze sinds de jacobijnse revolutie tot op onze dagen domineerde, stellen wij iets, wat meer gelijkt op een Orde, samengesteld uit mensen die trouw zijn aan beginselen, die getuigen zijn van een Autoriteit en een Legitimiteit van een hogere orde, en die uit de Idee voortspruiten.

Voor zover het vandaag, om praktische redenen wenselijk zou zijn, tot een nieuwe nationale solidariteit te komen, zich daarbij voor elk compromis hoedend, ligt onze eerste taak ( zonder welke elk resultaat slechts illusie zou zijn) hierin, tot een hergoepering te komen, in het teken van de Idee - gezien als politiek begin en levensbeschouwing. Werkelijk, voor ‘t ogenblik is er geen andere weg: tussen de puinhopen dient het aanvangs-proces hernomen, de ontwikkeling die, in functie van de elites en hun symbool van souvereiniteit en gezag, de volkeren in de grote traditionele Staten één maakte, op de manier waarop uit het vormeloze, vormen geschapen worden.

De realiteit van de Idee niet vatten, betekent dat men zich beperkt tot een infra-politiek vlak, dat van het naturalisme en het sentimentalisme, ja zelfs dat van de patriottische retoriek. Laat ons, zoveel mogelijk de rangen sluiten rond de begrippen Idee, Orde, Elite, Staat, mannen van de Orde ... Laat ons ook enkele woorden zeggen - met name weliswaar, vermits wij ze niet overschatten - over de cultuur. Wat wij ‘wereldbeschouwing’ noemen, is niet op boeken gesteund; wel gaat het om een innerlijke vorm, die men evengoed kan aantreffen bij een persoon zonder veel cultuur, dan bij een ‘intellectueel’ of bij een schrijver.


Onder de nefaste gevolgen van een ‘vrije cultuur’ die voor allen toegankelijk is, vermelden we dat het individu overgeleverd is aan allerlei beïnvloedingen, ook als hij niet in staat is, ertegen te reageren, onderscheid te maken, of correct te oordelen.

Wij willen hierover niet langer aandringen, tenzij om te vermelden dat, in de huidige situatie, er bepaalde stromingen zijn waartegen de jeugd van vandaag zich innerlijk moet afzetten. Wij spraken reeds over een rechtlijnige stijl, over een goede innerlijke houding. Dergelijke stijl onderstelt een juiste kennis, en - vooral - de jongeren moeten zich rekenschap geven over de graad van vergiftiging, in een ganse generatie teweeggebracht door de - diverse doch samenvloeiende - aspecten van een vervormde en valse levensvisie, die haar weerslag had tot in de innerlijke krachten.

Onder de één of de andere vorm blijven die giffen werken in de cultuur, de wetenschap, de sociologie, de letterkunde, als zóveel infectiehaarden, die geïsoleerd en uitgebrand moeten worden. Buiten het historisch materialisme en het economisme, waarover we het reeds hadden, worden de belangrijkste infectiehaarden gevormd door het darwinisme, de psychoanalyse en het existentialisme.
Tegen het darwinisme past het, de fundamentele waardigheid van de menselijke persoonlijkheid op te eisen, door zijn eigen plaats te erkennen. Deze is niet die van ene of andere, min of meer geëvolueerde diersoort die zich door ‘natuurlijke selectie’ zou onderscheiden hebben (overigens steeds aan de dierlijke en primitieve oorsprong gebonden blijvend), maar wél de plaats van wie virtueel bekwaam is, zich boven het louter-biologische vlak te verheffen. Wanneer men nú niet zoveel meer praat over het darwinisme, wil dit nog niet zeggen, dat zijn kern niet bleef bestaan. De darwinistische biologische mythe krijgt, in de éne of in de andere vorm, de waarde van een dogma toegekend, verdedigd door de banvloeken van een zogenaamde ‘wetenschap’ , in een materialistische ‘beschaving’, die evengoed marxistisch als amerikaans kan heten. De moderne mens heeft zich deze gedegradeerde opvatting eigen gemaakt, hij erkent er zich makkelijk in, en vindt ze vanzelfsprekend.

Tégen de psychoanalyse moet het ideaal van een ‘ik’ de bovenhand hebben dat zich niet onderwerpt, dat bewust, autonoom en souverein wil blijven, tegenover het nachtelijke en ondergrondse deel van de ziel, en tegenover de demon van de sexualiteit; dat zich noch ‘verdrongen’, noch psychotisch verdeeld voelt, maar dat komt tot een evenwicht tussen al zijn talenten, gericht door een hogere vorm van de manieren van leven en van handelen.

Hier kan men een opvallende convergentie aantonen: de negatie van het bewuste mensen-beginsel, het belang gehecht aan het onbewuste, aan het irrationele, aan het ‘collectief onbewuste’ en andere nevelige begrippen, door de psychoanalyse en verwante scholen, komt nauwkeurig overeen met al wat, in de individuele persoon, beweging-naar-omlaag betekent, subversie, het op revolutionaire wijze vervangen van het hogere door het lagere, het misprijzen tegenover alle beginselen van gezag. Op twee vlakken werkt dezelfde neiging, en beider gevolgen kunnen niet anders dan op elkaar inwerken.

Wat het existentialisme betreft, buiten beschouwing gelaten dat er zich een - weliswaar verwarde - filosofie in bevindt, die tot voor kort voorbehouden bleef aan beperkte kringen van specialisten, men moet er wel een geestestoestand in erkennen van crisis die tot systeem verwerd, als zodanig ook opgehemeld werd; de geestestoestand van de mens die verscheurd en contradictorisch is, die in een staat van beklemming, een tragisch en absurd noodlot ondergaat, zich tegenover een vrijheid bevindt, die hij niet aankan, tegen dewelke hij noch een uitweg noch verantwoordelijkheid vindt, die zich veroordeeld weet in een wereld zonder waarden en zonder betekenis.

Dat alles, terwijl Nietzsche al in zijn beste geschriften een weg had aangegeven om de zin tot het leven terug te vinden, en om zichzelf wetten en onaantastbare waarden op te leggen, die ook tegen een radicaal nihilisme stand zouden houden, onder het teken van een positief existentialisme, dat - zoals hij zegde - van edele aard was. Dàt zijn de evolutielijnen, die niet moeten geïntellectualiseerd worden, maar beleefd, gerealiseerd in hun
directe betekenis voor het innerlijk leven en voor de individuele leiding. Het is onmogelijk zich te verheffen, zolang men hoe dan ook, beïnvloed blijft door dergelijke vormen van vals en ontspoord denken. Zodra men gezuiverd is, kan men terug tot klaarheid, rechtlijnigheid en kracht komen.

In het gebied gelegen tussen ‘cultuur’ en ‘gebruiken’, zal het wenselijk zijn, achteraf onze houding te verduidelijken. Het communisme lanceerde het ordewoord ‘anti-bourgeoisie’ dat overgenomen werd door sommige ‘geëngageerde’ intellectuele middens, op cultureel vlak. Op dit punt dient men eveneens klaarheid te scheppen.
Net zoals de bourgeois-maatschappij iets zweverigs is, bestaat er een dubbele mogelijkheid de bourgeoisie te overstijgen, ‘neen’ te zeggen aan de burgerlijke geest en de burgerlijke waarden.

De eerste weg leidt nog verder naar omlaag, naar een gecollectiveerde en vermaterialiseerde maatschappij, met haar marxistisch geïnspireerd ‘realisme’: sociale en proletarische waarden tégen de ‘burgerlijke’ en ‘kapitalistische’ decadentie. De tweede weg wordt gevolgd door hen die de bourgeoisie willen bestrijden om zich effectief boven haar te verheffen.

De strijders op het nieuwe front zullen - inderdaad ! - anti-burgerlijk zijn, maar dit dan op grond van hogere, heroïsche en aristocratische opvattingen, zoals wij ze reeds definiëerden. Ze zullen anti-burgerlijk zijn, omdat ze het banale leven misprijzen; anti-burgerlijk omdat ze niét diegenen volgen die hen materiële voordelen beloven, maar wél diegenen die alles van hen eisen; anti-burgerlijk tenslotte, omdat ze niet bekommerd zijn om hun veiligheid, maar omdat voor hen leven en risico één zijn, op elk vlak, en omdat de onverbiddelijkheid van de naakte idee en de doelgerichte actie hun eigen is. Een ander aspect nog van de anti-burgerlijkheid van de moderne mens, kern van de herlevingsbeweging, en waardoor hij zich van de vorige generatie onderscheidt, is zijn onverdraagzaamheid tegenover elke vorm van retoriek en vals idealisme, tegenover alle grote - met hoofdletters geschreven - woorden, tegenover alles wat slechts gebaar is, effect zoekende zinnen of enscenering.

Integendeel, zorg om wat essentiëel is, nieuw realisme waardoor men zich correct kan meten met de problemen die zich zullen stellen, de wil om zó te handelen dat, wat belang heeft, niet de schijn, maar het zijn is, niet het gepraat, maar eerder de stille en nauwgezette verwezenlijking ... dit alles in éénklank met de andere krachten die in dezelfde zin streven en in uitvoering van de richtlijnen van hogerhand: dàt is onmisbaar.

Wie tegen de linkse krachten alleen maar kan reageren in naam van idolen, van de levensstijl en de middelmatige en conformistische moraal van de burgerlijke wereld, heeft van meetaf de strijd verloren. De man die nog rechtop staat, na het zuiverend vuur van de innerlijke en de uiterlijke vernielingen te zijn doorgegaan, hoort in dat kamp niet. Zo iemand is, politiek gezien, niet het instrument van de burgerlijke pseudo-reactie. In het algemeen herneemt hij krachten en idealen die ouder en superieur zijn aan de burgerlijke wereld en het economische tijdperk en, met hen, bouwt hij verdedigingslijnen en versterkt hij de steunpunten van waaruit, op het gepaste ogenblik, de wederopbouwactie stralend zal beginnen.

Nog een laatste punt: de verhouding tot de overheersende godsdienst. Ongetwijfeld is een ‘religieuse’ factor noodzakelijk als achtergrond voor een echt-heroïsche levensopvatting, zoals die voor ons kamp noodzakelijk is. Het is belangrijk, in zichzelf de evidentie te voelen dát, boven dit aardse leven, er zich een ander en hoger uitstrekt: alleen hij die dàt ervaart, bezit een onbreekbare en onwankelbare kracht, en alleen hij is in staat tot een onstuitbaar elan - terwijl, zo een dergelijke ervaring ontbreekt, men slechts in sporadische momenten van vervoering of bij het ontketenen van irrationele krachten, de dood trotseert, of geen rekening houdt met het eigen leven. Er is dan geen zelftucht die zich bij het individu, op superieure en autonome wijze waarmaakt.

Die spiritualiteit, die inderdaad onder ons moet leven, heeft geen behoefte aan dwingende dogmatische formuleringen, noch aan een opgedrongen religieuse belijdenis. Wat er ook van zij, onze levensstijl kan niet deze zijn van het katholiek
moralisme, dat hoogstens een ‘deugdelijk’ africhten van het menselijk dier beoogt. Politiek gezien, kan die spiritualiteit niet anders dan het grootste wantrouwen koesteren tegenover al wat ruikt naar humanitarisme, egalitarisme, liefde, die allen integraal deel uitmaken van de christelijke opvatting, en die zich in de plaats dringen van eer en gerechtigheid.

Zeker, indien het katholicisme zich vereenzelvigd had met een hogere ascese, indien het in staat was geweest - bijn a als een geestelijke renaissance zoals die de Middeleeuwse Kruistochten bezielde - om van het geloof een krachtbundel te smeden, iets als een nieuwe Tempeliersorde, gesloten en onvermurwbaar tegenover alle stromingen van chaos, onderwerping, subversie, praktisch materialisme van onze ‘moderne’ wereld ... ja, in zulk geval, en zelfs als het zich nog maar hield - als een minimum - aan de stellingen van de Syllabus, hadden wij in onze keuze, geen moment hoeven te twijfelen. Maar zoals de zaken nu liggen, als we letten op het middelmatige en in de grond burgerlijk-parochiale niveau, tot hetwelk heden praktisch al wat belijdenisreligie is, afdaalde, als we de modernistische achteruitgang bekijken, en de ‘opening naar links’ gemaakt door een postconciliaire Kerk die ‘hedendaags’ wilde doen, zal voor onze mensen een eenvoudige verwijzing volstaan naar de geest, als evidentie van een transcendente werkelijkheid, die men moet inroepen om op onze krachten een andere kracht te enten, om aan te voelen dat onze strijd niet louter op het politieke vlak ligt, en om een onzichtbare consecratie te bekomen op een nieuwe wereld van mensen en van mensen-leiders.

Dit zijn enkele basis-aanwijzingen voor de nù te voeren strijd, vooral geschreven voor de jeugd, opdat ze fakkel en ordewoord zou overnemen uit de handen van wie niet gesneuveld zijn, opdat ze lessen zou halen uit de vergissingen van gisteren, opdat ze onderscheid zou kunnen maken en zou hérzien wat ze aanvoelde en nóg aanvoelt betreffende concrete situaties.

Essentieel is, niét tot het peil der tegenstanders af te dalen; zich niét te beperken tot het doorgeven van simplistische richtlijnen; niét overdreven aan te dringen op wat gisteren
wellicht waardevol was, maar geen actuele noch onpersoonlijke waarde bezit als mobiliserende idee; niet te bezwijken onder de verlokkingen van het valse politiek realisme, eigen aan elke partij.

Zeker, het is ook noodzakelijk dat onze strijdkrachten optreden in het lijf-aan-lijfgevecht van de politieke strijd, om zich in de huidige toestand de nodige werkruimte te verzekeren, en om de - tot heden omzeggens onbeantwoorde - aanval van de linkse krachten te bedwingen. Maar buiten dit alles is het belangrijk, essentieel zelfs, dat zich een elite vormt, die met bezonnen intensiteit, en met absolute intellectuele strakheid en onverzettelijkheid, de idee definieert rond dewelke wij ons moeten scharen. Het is bovendien essentieel, dat deze elite het idee belichaamt in een nieuwe mens, een mens die niet buigt, een mens die rechtop blijft staan tussen de puinhopen.

Mocht het ons gegeven zijn de huidige periode van crisis en van wankelende en illusorische orde te doorworstelen, zal de toekomst behoren aan dié mens en aan hém alleen. Zelfs echter als de noodlottige ontwikkeling welke de moderne mens zelf geschapen heeft, niet meer zou kunnen gestuit worden, en hem naar de afgrond sleept, dan nog zullen de innerlijke frontlijnen gehandhaafd blijven: wat er ook gebeuren moge, wat er kàn gedaan worden, zál gedaan worden.

Wij zullen steeds behoren tot een vaderland dat nooit, door geen enkele vijand, zal kunnen bezet noch vernietigd worden.

18 februari 2006

POLITIEKE FILOSOFIE NEEMT WESTERSE DEMOCRATIE ONDER DE LOEP door Prof.Dr. S.W. COUWENBERG op Von Laun-lezing November 2005

(Novopress) Leeuwarden - 'Niet het rechts-radicalisme is het gevaarlijkste voor de westerse democratie, maar de innerlijke uitholling van de principes van democratie'. Dat zei prof. dr. S. W. Couwenberg november 2005 in Leeuwarden, op de Von Laun-lezing 2005. De oud-hoogleraar bestuursrecht omschreef die uitholling als de behartiging van deelbelangen in gesloten circuits van belangengroepen, ambtenaren en fractiespecialisten.

Infrastructurele werken als de hogesnelheidstrein en de Betuweroute zijn voorbeelden van die uitholling van de democratie. In dergelijke gevallen is er geen sprake van democratische besluitvorming zonder last en met het algemene belang als richtsnoer.

Het begrip algemeen belang, dat in de theorie van de democratie van grote betekenis is, is de laatste decennia vervallen tot een leeg begrip, dat naar believen wordt gebruikt door de machthebbers. Daardoor komt het begrip corruptie in de lucht te hangen; er is sprake van corruptie als het bijzondere belang (van politieke partijen en/of bijvoorbeeld ondernemers) wordt gediend door openbare ambten, die het algemeen belang dienen. Maar als dat algemeen belang feitelijk een leeg begrip is geworden, komt corruptie niet als zodanig te voorschijn.

De oud-hoogleraar Couwenberg bepleitte (her)waardering voor het yak van de politieke filosofie. Dat is niet populair; in de politiek gaat het vooral om belangen op korte termijn en filosofie heeft meer tijd nodig. Ondanks de praktijk van de korte termijn, blijken uiteindelijk politieke fiIosofieën door hun langere adem meer invloed te hebben dan politieke actie. Theorievorming vormt een kader waarmee politieke ontwikkelingen kunnen worden geduid. Zo heeft J. A. Schumpeter (1883-1950) geanalyseerd dat verkiezingen er niet zijn om de volkswil tot uitdrukking te brengen, maar dienen om een geweldloze circulatie van elites te waarborgen. Verkiezingen functioneren zo gezien vooral om de eliteheerschappij (van een kleine groep) democratisch te rechtvaardigen.

Couwenberg hield de laatste Von Laun lezing die in Leeuwarden wordt gehouden. Het Von Laun Instituut, met dr. J. Buve als directeur, verhuist naar Deventer. Daar poogt het academisch onderwijs en onderzoek in te richten.

De lezing van Couwenberg, directeur van Civis Mundi, houdt ons scherp en zet ons weer met beide benen op de grond. Daarom willen wij u deze uitermate interessante en belangrijke lezing niet onthouden.


Novopress Nederland

VON LAUN LEZING 2005

POLITIEKE FILOSOFIE EN WESTERSE DEMOCRATIE door Prof.Dr. S.W. Couwenberg


1. Politieke filosofie als vorm van politieke actie

De Duitse politieke theoreticus H. Krüger vroeg zich na een veertig jarige arbeid op het terrein van politieke en constitutionele theorie in gemoede af of al die arbeid wel van praktisch nut geweest was. Zo groot en vaak verderfelijk als de invloed van politieke ideologieën geweest is, zo gering is die van politieke en constitutionele theorie, zo merkte hij mistroostig op. Dat pessimisme overvalt ieder wel eens die zich met theoretische arbeid bezighoudt. Over het praktisch politieke nut van politieke filosofie en theorie ben ik niettemin niet zo pessimistisch, al moet je daarbij wel op langere termijn denken.

Een theoreticus is iemand die theoretisch bezig is zonder rekening te houden met de praktijk, zo omschrijft Van Dale dit mensentype, daarmee een bekend vooroordeel bevestigend. En dat vooroordeel tiert welig in dit land met een zwakke theoretische traditie. Die theoretische zwakte komt niet alleen tot uiting in het politieke denken maar vaak ook in de wetenschapsbeoefening waarin we bij voorkeur aanleunen tegen door buitenlandse wetenschappers ontwikkelde theorieën. Geen wonder dat in dit theoretisch en filosofisch weinig begaafde land politieke filosofie en theorie geen hoge ogen gooien en soms zelfs op denigrerende toon bejegend worden.. Wat politieke filosofen te zeggen hebben, zo merkte bijvoorbeeld Elsevier-redacteur G. van der List eens op, is of irreëel en onpraktisch of te herleiden tot simpele volkswijsheden of ideeën die iedereen met gezond verstand bedenken kan. Politieke filosofie, beweerde op zijn buurt de liberale politicus Frits Bolkestein , loopt altijd achter op de geschiedenis en de politieke ontwikkelingen. Hun lessen – doorgaans uitblinkend in academische geleerdheid – komen meestal als het te laat is, als zij dus door de geschiedenis achterhaald zijn, meent hij. Hij illustreert dat aan de hand van het werk van de Amerikaanse filosoof van de sociale rechts- of verzorgingsstaat John Rawls. Diens rechtvaardigheidstheorie is echter allerminst achterhaald. Wat achterhaald is, is de wijze waarop die rechtvaardigheidstheorie operationeel gemaakt is in de naoorlogse sociale rechtsstaat als politiek compromis tussen liberale en sociaaldemocratische uitgangspunten. Die dient aangepast te worden met het oog op veranderende omstandigheden (vergrijzing en globalisering), maar ook omdat hij inmiddels te bureaucratisch functioneert, teveel passiviteit stimuleert en ook onbetaalbaar dreigt te worden. En dat is de laatste jaren overal in Europa een belangrijk punt van politieke discussie en strijd geworden. De rechtvaardigheidstheorie van Rawls is ook in die zin beslist niet achterhaald, dat zij een goed onderbouwde basis biedt voor relevante maatschappijkritiek, bijvoorbeeld op de excessieve loonstijging en zelfverrijking van topbestuurders in het bedrijfsleven en de semi-publieke sector. Die is niet zozeer te danken aan eigen verdiensten die tevens de hele samenleving, in het bijzonder de minder bedeelden, ten goede komen, zoals de theorie van Rawls impliceert, maar aan machtsposities waar onvoldoende maatschappelijke controle op uitgeoefend wordt. De veel geprezen tucht van de markt blijkt onmiskenbaar tekort te schieten als het er om gaat misbruik van dergelijke machtsposities tegen te gaan.


Niets is zo praktisch als een goede theorie, zo merkte de sociaal-psycholoog Kurt Lewin eens op als antwoord op de depreciatie die theoretische arbeid nog al eens ten deel valt. Die harde, want concrete en empirisch verifieerbare feiten die men zo graag afzet tegenover de speculaties en generalisaties van het theoretische denken zijn zelf in wezen theoretische constructies. Het zijn pas feiten in het interpretatieve kader van een theorie. Politieke kwalificaties als links en rechts, liberaal en socialistisch, progressief en conservatief, multicultureel en integratie; en sociologische als individualisering, secularisering, postindustrieel en postmodern, vooruitgang en decadentie, enz. die als feiten of trends geponeerd worden, ontlenen als zodanig op de keper beschouwd hun betekenis aan een bepaald theoretisch interpretatiekader. En als dat aanvechtbaar is of wordt, geldt dat ook voor wat men met veel aplomb als feiten benoemt. Politieke filosofie en politieke actie lijken ver uit elkaar te liggen. Maar, zoals de Amerikaanse politicoloog W.T. Bluhm eens opmerkte, de gedachten van een politieke filosoof zijn op zichzelf onmiskenbaar een vorm van politieke actie. Dat vindt ook de belangrijkste Italiaanse marxistische theoreticus A. Gramsci. In zijn Philosofie der Praxis, concipieert hij het historische proces als resultante van twee niveaus van menselijke activiteit: het handelen van de intellectuele elite dat denken is en in theorie gestalte krijgt en het denken van de massa dat handelen is en dat in de praktijk van alledag tot uiting komt.
Wie snel succes wil hebben moet zich beslist niet bezig houden met theorievorming op het gebied van staat en maatschappij. Wie dat wel doet en nieuwe ideeën en inzichten ontwikkelt, kan op den duur grotere invloed uitoefenen dan veel politici en bestuurders. Politieke successen zijn veelal onbestendig en van korte duur en de invloed ervan is vaak beperkter dan aanvankelijk lijkt. Zij gaan bovendien gepaard met een grote verspilling van kracht en energie. Wie de staatkundige geschiedenis overziet, aldus de historicus J. Huizinga , moet tot het inzicht komen dat bijna nergens bewuste politieke doelstellingen met duurzaam gevolg verwezenlijkt zijn.

2. Duurzame vruchten van politiek en politieke filosofie

Het politieke gebeuren wordt in het algemeen gedomineerd door pragmatisch ingestelde politici die primair in machtstermen denken en daarom geneigd zijn de ideologie die hun machtsstreven legitimeert, probleemloos ondergeschikt te maken aan de wisselende eisen, belangen en kansen van het politieke machtsspel en hun gedrag bij voorkeur afstemmen op de pragmatische regels van politieke strategie en tactiek. Dit verklaart ook waarom het politieke bedrijf zo onbestendig is en zo weinig consistent. In een aantal gevallen levert het gelukkig toch wel duurzame resultaten op.

De belangrijkste is ongetwijfeld de ontwikkeling van de staat als centrale politieke instelling. Die ontwikkeling is te danken aan het initiatief en het doorzettingsvermogen van politieke machthebbers en de wijze waarop die onderbouwd zijn door politieke filosofen als bijvoorbeeld Thomas Hobbes in zijn Leviathan (1651) en theoretisch onderlegde juristen als bijvoorbeeld de Franse jurist Jean Bodin. De Franse staatsrechtgeleerde M. Hauriou waardeert de staat zelfs als de belangrijkste institutie die het beschavingsproces heeft voortgebracht. Hij legt daarbij een nauw verband tussen de ontwikkeling van de Europese cultuur en het proces van staatsvorming. De staat die hij opvat als een ‘idée mystère’ is in oorsprong een creatie van de Europese staatkunde en politieke filosofie evenals de beginselen en instituties van de democratische rechtsstaat en heeft zich vandaaruit ontwikkeld tot een universeel verschijnsel. Wel is het staatsbesef in de niet-westerse wereld meestal nog zwak ontwikkeld en wordt het als gevolg daarvan makkelijk overschaduwd door etnische, religieuze en andere loyaliteiten en belangen. Het meeste urgente probleem is daar in veel landen niet zozeer het tekort aan democratie, maar in de eerste plaats de tekortschietende ontwikkeling van authentieke en effectieve staatsvorming als voorwaarde voor politieke en maatschappelijke samenhang en stabiliteit. Maar ook in de westerse wereld loopt het historisch gegroeide staatsbesef het risico weer aan dergelijke loyaliteiten ondergeschikt te raken en is er derhalve alleszins reden voor de nodige alertheid te dien aanzien. Verderop (sub 8) kom ik daar nader op terug.

3. Westerse democratie en de machtsproblematiek

Dat het politieke bedrijf de laatste twee eeuwen niet louter meer een politiek machtsspel is, dat morele idealen en daarvan afgeleide constitutionele rechtsbeginselen en -procedures ertoe geleid hebben dat machtsuitoefening in zekere mate onderworpen geraakt is aan controle en politieke verantwoording, is vooral te danken aan de volhardende arbeid van politieke filosofen en theoretici, die dankzij de groeiende invloed van hun ideeën erin geslaagd zijn het politieke leven in zekere mate uit te tillen boven het naakte machtsmotief en daardoor de voorwaarden geschapen hebben voor een meer humane samenleving en een meer menswaardig bestaan. Dat machtsmotief ligt wel voortdurend op de loer om zich weer door te zetten als belangrijkste motor van politiek handelen. In de internationale politiek krijgt het telkens opnieuw toch weer de overhand als het er op aankomt.

In het streven naar beteugeling van dat machtsmotief als fundamentele politieke drijfkracht speelt de idee van de westerse democratie zoals die sinds de 18e eeuw zich in een samenspel van politiek denken en handelen ontwikkeld heeft een cruciale rol. De vraag die ik in deze lezing onder ogen wil zien is op welke problemen die idee daarbij in de praktijk stuit. Wie zich met politieke filosofie bezighoudt moet zich daar ook rekenschap van geven. Met het oog daarop zal ik trachten in korte trekken de belangrijkste uitgangspunten van de westerse democratie te confronteren met de politieke praktijk, t.w. de heerschappij van de volkswil als uitvloeisel van de volkssoevereiniteit die in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 is verankerd als democratisch grondrecht (art. 21 lid 3); de rationele staatsburger als democratisch mensbeeld; de heerschappij van het recht, m.a.w. de rechtsstaatgeachte als liberale component; en het algemeen belang als gedemocratiseerd staatsdoel. Van de mate waarin deze uitgangspunten in de praktijk gerealiseerd worden, hangt de overtuigingskracht af van de westerse liberale democratie als politiek model van een menswaardige samenleving waarin het machtsmotief op geloofwaardige wijze aan banden gelegd is.

4. Democratie als heerschappij van de volkswil

Het begrip 'democratie', aldus de historicus H.W. von der Dunk , behoort tot de troebelste in de bagage van politici en historici, die toch al aan troebele termen zo rijk is. Vooropgesteld zij dat er vele gradaties en vormen van democratie zijn en dat het derhalve onjuist is één bepaalde vorm b.v. het meerderheidsbewind in Angelsaksische landen of ons stelsel van parlementaire democratie zonder meer te vereenzelvigen met democratie. In ons land is er een zekere neiging democratie op één lijn te stellen met het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging (E.V.). Dat doet ook weer de schrijver Gerrit Komrij in een essay waarin hij de vloer aanveegt met alles wat zweemt naar populisme. Welk kiesstelsel men kiest, is echter niet bepalend voor de vraag of er al of niet sprake is van democratie. Prefereert men een zo zuiver en rechtvaardig mogelijke weerspiegeling van alle opvattingen en strevingen in de bevolking, dan is E.V. het meest adequate kiesstelsel. Geeft men de voorkeur aan een stelsel dat kiezers in staat stelt een duidelijke keuze te maken inzake regeringsvorming en prioriteit aan regeerkracht en politieke stabiliteit zoals in Angelsaksische landen, dan is een meerderheidsstelsel het meest doeltreffend. Harde kern van democratie als regeringsvorm is zoals uit bijna alle democratische grondwetten blijkt, de volkssoevereiniteit als democratisch grondbeginsel en zoals gezegd de heerschappij van de volkswil als uitvloeisel daarvan. In de Duitse Bondsrepubliek maakt de volkssoevereiniteit deel uit van de liberaal-democratische basisorde die daar geldt als onaantastbare kern van de grondwet (art. 79 lid 3, jo. Artt. 1-20 grondwet). In het algemeen kiesrecht is dat juridisch operationeel gemaakt.

Dat dat op zichzelf nog niet de sleutel is tot een vitale democratie, blijkt uit het feit dat veel kiezers van dit eens fel bevochten recht geen gebruik maken - tenzij er een opkomstplicht is zoals b.v. in België -; meestal uit deceptie over de democratische praktijk. Die heeft er nl. toe geleid dat de uitoefening van dit recht niet of slechts ten dele beantwoordt aan de verwachtingen die er aanvankelijk aan verbonden zijn. De invoering ervan in Nederland is b.v. jarenlang van heel beperkte betekenis geweest. De oligarchische tendens, het samentrekken van de macht in handen van weinigen - hier bekend als regententraditie - bleef ook na de introductie van algemeen kiesrecht onverkort gehandhaafd. De goede werking van wat sindsdien formeel als democratie gold berustte zelfs in feite op een vergaande mate van politieke lijdelijkheid van de burger. In de jaren zestig en zeventig is door politieke vernieuwers getracht het democratisch gehalte van onze samenleving op te voeren. Maar de ervaring leerde opnieuw dat het politieke gebeuren zich moeilijk laat onttrekken aan die oligarchische tendens. Het electoraat speelt daardoor op alle overheidsniveaus slechts een betrekkelijk ondergeschikte rol ondanks de volkssoevereiniteit die in de meeste grondwetten - maar niet in de Nederlandse Grondwet - als democratisch grondbeginsel is erkend. In de democratietheorie van Schumpeter, Dahl e.a. worden daar ook geen politieke doekjes om gewonden. Verkiezingen, zo stellen zij, zijn er niet om de volkswil tot uitdrukking te brengen, maar alleen om een geweldloze circulatie van elites te waarborgen. De volkswil is derhalve veeleer het product van het door politieke elites gestuurde en gemanipuleerde politieke proces. Deze theorie van democratisch gelegitimeerde eliteheerschappij pleegt men toe te schrijven aan Schumpeter.

De essentie ervan is echter al eerder te vinden in de institutionele staatstheorie van M. Hauriou. Die is namelijk gebaseerd op de polariteit tussen leidinggevende elites – in diens terminologie minoritaire machten – die als exponenten van de ‘pouvoir de réalisation’ het beleid bepalen en de majoritaire macht van het electoraat die beperkt blijft tot het al of niet steunen van concurrerende elites (‘pouvoir de sujétion’).

In een representatieve democratie wordt de machtsongelijkheid tussen regeerders en geregeerden daarom niet opgeheven, maar krijgt zij een nieuwe legitimatie in de vorm van een politieke elite of klasse die formeel het in theorie soevereine volk vertegenwoordigt, maar in de praktijk op eigen titel en verantwoordelijkheid bepaalt wat het volk verondersteld wordt te willen en daarbij niet nalaat eigen belangen en opvattingen tot gelding te brengen wat niet zelden ontaardt in verschillende gradaties van politieke corruptie, fraude, wanbeheer en onoirbare vormen van belangenverstrengeling. In feite is de representatieve democratie met haar onbeperkte mandaat voor de gekozen politieke elite gedurende een bepaalde periode een democratisch gelegitimeerde dictatuur zoals Rousseau in de 18e eeuw al opmerkte. In het licht hiervan is het geen wonder dat de relatie tussen kiezers en gekozenen telkens opnieuw onder spanning komt te staan en ondermijnd raakt door onderlinge vervreemding en wantrouwen ; een tendens die nog versterkt wordt door de toenemende professionalisering, verambtelijking en specialisering van de gekozen elites die steeds meer deel worden van een betrekkelijk gesloten politiek-bureaucratisch complex. De Fortuyn-revolte in 2002 was in dit land een forse reactie tegen die ontwikkeling evenals de afwijzing van het ontwerp voor de Europese grondwet bij het referendum dat daarover op 1 juni van dit jaar gehouden is. Die reactie heeft men geprobeerd te desavoueren door haar als een populistische ontsporing van het democratische proces te kritiseren. Ik zie daarin veeleer een democratische correctie op een uit democratisch oogpunt ontspoord geraakt politiek proces.

In westerse democratieën is er in principe wel sprake van een open competitie bij de verdeling van publieke functies op allerlei terrein. Maar tegelijk is er een sterke neiging tot beperking van die competitie door de vorming van netwerken en kartels om zodoende de belangrijkste publieke functies te reserveren voor degenen die tot het eigen politieke netwerk behoren. In bepaalde democratieën - België en Italië zijn daarvan saillante voorbeelden - is dit ontaard in een de hele samenleving omvattend systeem van politiek cliëntelisme. In juist genoemde democratieën heeft dat in de jaren negentig tot hevige beroering geleid. Ook in Nederland maken politieke partijen deel uit van zo’n politiek marktverdelingskartel dat de belangrijkste publieke functies reserveert voor partijleden; een situatie die vergelijkbaar is met de 'closed shop' traditie van Britse vakbonden.

Dit betekent dat zo'n 98% van de bevolking - hoogstens 2% is lid van een partij - van die functies wordt uitgesloten. Een saillante uiting van discriminatie op politieke gronden die niettemin sinds lang is ingeburgerd, maar duidelijk in strijd is met artikel 3 van onze grondwet dat het recht op gelijke toegang tot openbare ambten garandeert en artikel 1 grondwet dat discriminatie op politieke gronden verbiedt.

5. Referendum en volksinitiatief als correctiemogelijkheid

In een groot aantal democratieën tracht men die tekortkomingen te corrigeren door bepaalde elementen van directe democratie, zoals het referendum en het volksinitiatief, daarin te introduceren om zodoende de democratische component van het representatieve stelsel enigermate te versterken. Die versterking is door Bart Tromp in zijn Von Laun Lezing in 2003 als uiting van een plebiscitaire democratie ter discussie gesteld en als neergang van het democratische proces gedesavoueerd. Ook in de ogen van de eerder genoemde schrijver Komrij is het referendum in een behoorlijk functionerende democratie een bedenkelijke vorm van populisme dat hij zonder meer neersabelt als het tegendeel van democratie. Bij een adequate analyse van populisme moeten we m.i. echter onderscheid maken tussen populisme in positieve en negatieve zin. De versterking van die democratische component uit zich op tweeërlei wijze:
- Met de introductie van referendum en/of volksinitiatief krijgt het zelfbeschikkingsrecht van de mens als staatsburger meer inhoud, doordat de burgers op concrete wijze bij het overheidsbeleid betrokken worden en daardoor in concreto op hun politieke verantwoordelijkheid als staatsburger worden aangesproken.
- Tevens wordt hiermee een nieuw democratisch controle-element toegevoegd aan het liberaal-democratische systeem van checks and balances, en wel in de relatie tussen kiezers en gekozenen. Daaraan is te meer behoefte nu de media door allerlei factoren zoals de concentratietendens in de media, commerciële invloeden, te weinig kritische afstand van de journalistiek ten opzichte van politiek-bestuurlijke elites e.d. in hun democratische waakhondfunctie vaak te kort schieten. Daar komt bij dat het democratische verantwoordingsbeginsel, d.w.z. de openbare verantwoording van het beleid dat door politieke elites in naam van het volk gevoerd wordt en een noodzakelijk complement is van het liberale representatiestelsel, in de relatie tussen kiezers en gekozenen onvoldoende tot zijn recht komt. De verkiezingen voor vertegenwoordigende lichamen kenmerken zich nl. meer door het op uitgekiende wijze verkopen van politieke leiders, programma's en partijen aan de kiezers, dan door een zakelijke verantwoording van het gevoerde en te voeren beleid. D66-coryfee B. Staal heeft onlangs voorgesteld kiezers bij verkiezingen in de gelegenheid te stellen zich uit te spreken over een aantal belangrijke beleidskwesties (zg. mandaatstemmingen). Dat is eveneens een praktische manier om burgers meer direct bij het politieke beleid te betrekken.

Het verzet tegen het referendum wordt in Nederland sinds lang gevoed door een wijd verbreide neiging democratie te vereenzelvigen met representatieve democratie alsof we daarmee het democratische eindstadium bereikt zouden hebben. Er is nog steeds een sterke stroming die in de geest van de bekende verdragstheorie van Althusius zoals geformuleerd in diens Politica methodici digesta (1603) de standen - i.c. het maatschappelijk middenveld - beschouwt als natuurlijke drager van de volkssoevereiniteit en de uitoefening ervan daarom tot de exclusieve verantwoordelijkheid rekent van de politieke en maatschappelijke regentenklasse.

Terugblikkend op de discussie over het referendum die in Nederland de afgelopen jaren opnieuw is gevoerd, valt daarin o.a. op dat allerlei argumenten die indertijd tegen het algemeen kiesrecht werden aangevoerd, in de strijd tegen het referendum terugkeren zonder dat dit verwondering wekt. In plaats van op de centrale vragen van de democratische theorie en praktijk in te gaan die hierbij in het geding zijn, spitst die discussie zich vooral toe op allerlei détailproblemen die bij de toepassing van het referendum kunnen rijzen. De praktische problemen waartoe die toepassing kan leiden, worden breed uitgemeten tegen de achtergrond van een geïdealiseerde voorstelling van de representatieve democratie. Men kijkt daarbij ook niet verder dan de nationale neus lang is. Zo blijven tegenstanders hardnekkig beweren dat het referendum niet valt in te passen in een parlementaire democratie. Maar ettelijke landen – o.a. Denemarken, Australië, Nieuw-Zeeland, Italië, Ierland, Noorwegen, Zweden, Griekenland en Spanje – hebben het referendum allang probleemloos ingevoerd als complement van hun parlementaire stelsel.

Bij de bestrijding ervan duiken ook telkens andere argumenten op, al naargelang de inzet van de discussie. Pleit men voor een raadplegend referendum, dan doet men moeilijk over de vraagstelling en bagatelliseert men zo'n vrijblijvende raadpleging als een fopspeen voor de kiezers. Stelt men een correctief beslissend referendum voor, zoals het paarse kabinet-Kok heeft gedaan in het voetspoor van het voorstel dat de staatscommissie-Biesheuvel in de jaren tachtig op de politieke agenda geplaatst heeft, dan kan men niet langer opponeren tegen een niet-objectieve vraagstelling, maar dan is weer het bezwaar dat het electoraat niet kan kiezen tussen alternatieven, maar slechts ja of neen kan zeggen tegen een bepaald besluit. Als men dit bezwaar wil ondervangen door degenen die zo'n referendum aanvragen het recht te geven zelf een alternatief voor het desbetreffende besluit voor te stellen en dat tegelijk met dit besluit aan de kiezers voor te leggen, dan heeft men op zijn beurt grote moeite met zo'n recht van volksinitiatief.

Vooralsnog is het niet gelukt de representatieve democratie in Nederland aan te vullen met de introductie van een correctief beslissend referendum waardoor het karakter van de Nederlandse grondwet als een gemengde constitutie een nieuw accent zou hebben gekregen. De representatieve democratie is namelijk zelf een typische uiting van het oude ideaal van een gemengde constitutie, d.w.z. het vermengen in de grondwet van verschillende constitutionele organisatieprincipes. Zij is immers een vermenging van het monarchale (koning of president als staatshoofd), het aristocratische (de gekozen politieke elite) en het democratische organisatieprincipe (het volk als bron van staatsmacht).

Introductie van referendum en volksinitiatief of mandaatstemmingen als voorgesteld door D66-coryfee B. Staal, betekent niet het loslaten van de idee van de representatieve democratie, maar alleen een versterking van de democratische component ervan. In Nederland blijft het aristocratische principe (de oude regententraditie of 'de aristocratie van het verstand' zoals Thorbecke de volksvertegenwoordiging noemde) bij de politieke besluitvorming vooralsnog zonder potentiële correctiemogelijkheid via juist genoemde instrumenten van directe democratie.

6. Rationele staatsburger als democratisch mensbeeld

Aan de theorie van de liberale democratie ligt een bepaald mensbeeld ten grondslag, t.w. dat van de autonome en rationeel denkende en handelende mens, die bij verkiezingen op grond van een vergelijking van partijprogramma's en de kwaliteiten van het gevoerde beleid tot een rationele keuze komt. Het is een mensbeeld dat de politieke tegenhanger is van de homo economicus van de klassiek-liberale theorie van de economie. Dit op de Verlichtingsfilosofie gebaseerde democratische mensbeeld staat al sinds lang ter discussie, vooral na de invoering van het algemeen kiesrecht. Max Weber heeft in 1918 in een rede voor studenten die later gepubliceerd is onder de titel Politik als Beruf (1926/1964) er al op gewezen dat de politieke strijd veel demagogischer zou worden na de invoering van het algemeen kiesrecht, gegeven het feit dat de doorsnee-mens veel meer door een appèl op emoties te beïnvloeden is dan door rationele argumenten. Op grond hiervan pleitte Weber dan ook voor een plebiscitaire 'Führerdemokratie' (p. 28).

De scherpste kritiek op het democratische mensbeeld is geleverd door theoretici en aanhangers van het moderne autoritarisme, dat in het interbellum gestalte krijgt in verschillende typen van fascistisch bewind. Onder die aanhangers bevonden zich behalve allerlei gefrustreerde lieden, politieke gelukzoekers en strebers ook tal van serieuze intellectuelen en auteurs die de democratie een onmogelijke regeringsvorm achtten omdat zij veel te hoge eisen stelt aan de doorsnee-mens. Ook na de ineenstorting van het fascisme in Europa leeft de twijfel voort aan het democratische mensbeeld en is herhaaldelijk gewezen op de negatieve consequenties van het democratische proces, gebaseerd als het is op het beginsel van ‘one man one vote’.

Ook Schumpeter ontmaskert op zijn beurt de mythe van de rationele staatsburger. Evenals Weber had hij weinig vertrouwen in het rationele karakter van het democratische proces. De doorsnee-mens reageert in de politiek veel meer emotioneel dan rationeel, zo stelt ook hij. En hij verklaart dat op grond van een verzwakt realiteitsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel die hij kenmerkend acht voor de gemiddelde burger, zodra die bij de politiek betrokken raakt. Dit werkt politieke demagogie in de hand. Maar met Lincoln is Schumpeter wel van oordeel dat het niet mogelijk is ‘fooling all the people all the time’. Dit inzicht in het weinig rationele karakter van het democratische proces is ook een van de uitgangspunten van zijn kritiek op de klassieke democratietheorie van Rousseau en van zijn eerdergenoemde theorie van democratisch gefundeerde eliteheerschappij. De elitegedachte van de burgerlijke elite-theorieën van Pareto, Mosca, Michels e.a. tracht hij daarin te verzoenen met de democratische theorie. Zoals uit een biografie over hem inmiddels is gebleken, koesterde Schumpeter zelf privé sterke extreem-rechtse sympathieën en had hij uit dien hoofde veel sympathie voor Nazi-Duitsland. Ook na de oorlog heeft hij die sympathie niet verloochend en relativeerde hij de holocaust tot een onderdeel van de Duitse oorlogsinspanning.

In tal van andere publicaties is na de oorlog eveneens in kritische zin gewezen op het sterk irrationele karakter van het democratische proces. In hun strijd om de kiezersgunst appelleren politici veel meer aan het gevoel dan aan het verstand. Zij speculeren op de lagere instincten, op het egoïsme, de afgunst en de ijdelheid van burgers en maken van alle listen en lagen gebruik die Machiavelli al in zijn Il Principe beschreven heeft. In de verkiezingsstrijd gaat het er derhalve niet om wie de kiezersmassa weet te overtuigen, zoals de theorie van de democratie veronderstelt, maar wie die massa het best weet te manipuleren. De groeiende invloed van de televisie op het democratische proces werkt dit nog meer in de hand. Om via die media politiek te scoren, moeten politici hun kracht niet zoeken in rationele betogen en inhoudelijke argumenten, maar in een aansprekende presentatie en makkelijk in het gehoor liggende slogans en verhullende metaforen, zo luidt die kritiek.

Het kan niet ontkend worden dat er veel waarheid schuilt in die kritiek. Velen leggen zich hierbij neer en verloochenen daarmee in feite de idee van de liberale democratie, al bewijzen zij daaraan nog wel om praktische redenen lippendienst. Ik blijf hiertegenover democratie verdedigen als een regeringsvorm die, hoe onvolmaakt ook, in ieder geval de minst slechte is, al vergt zij wel periodiek onderhoud waar vaak onvoldoende aandacht voor is, continue burgerschapsvorming – de meest effectieve democratische leerschool is deelname aan politieke besluitvorming via eerder genoemde instrumenten van direct democratie zoals bijvoorbeeld een land als Zwitserland leert – en permanente kritische begeleiding.

7. Heerschappij van de wet

Evenals het begrip democratie heeft het begrip rechtsstaat als component van de liberale democratie teveel de illusie gewekt dat het machtsprobleem daarmee voorgoed zou zijn opgelost. Dit probleem is noch opgelost door verkiezing van politieke elites, noch door de staatsmacht te onderwerpen aan de wet waardoor er dus een heerschappij van de wet zou ontstaan, ‘a government of laws and not of men’. We moeten daarbij bovendien onderscheid maken tussen de klassiek-liberale en de klassiek-democratische opvatting van die heerschappij. In de liberale visie bedoelt men daarmee de heerschappij van de wet als een algemene regeling inzake de rechtspositie van de burger, waar ieder aan gehouden is (wet in materiële zin) en waardoor de heerschappij van de ene mens of groep over de andere plaatsmaakt voor de anonieme heerschappij van de wet, waaraan ook de staatsmacht volledig onderworpen is. In de klassiek-democratische visie is de wet daarentegen de expressie van de volkswil zoals die in de volksvertegenwoordiging tot uiting komt (wet in formele zin) en geldt zij als zodanig als de basis van democratisch gelegitimeerde staatsmacht.

Carl Schmitt ziet in de liberale idee van de rechtsstaat geen politieke, staatsvormende idee, maar uitsluitend een complex van negatieve, de staatsmacht relativerende, begrenzende en controlerende principes. De democratische idee ervan is z.i. het politieke, staatsvormende principe van de westerse democratie. Dat er tussen beide aspecten van de westerse democratie een voortdurende spanning bestaat, is zonneklaar. Het democratische principe van de volkssoevereiniteit is een nieuw politiek (staats)machtbeginsel en heeft als zodanig betrekking op de harde kern van de staat. De zin van de liberale idee van de rechtsstaat is daarentegen het temmen van de politieke staatsmacht, in eerste instantie in haar monarchale en daarna ook in haar democratische gestalte. Als zodanig is zij wel tegengesteld aan de aard van de politieke staatsmacht die geneigd is zich zo ongeremd mogelijk te ontplooien en uit te leven. Maar door de introductie van een systeem van checks and balances is die idee niettemin een positieve staatsvormende kracht in de ontwikkeling van democratie mits we die in liberale zin opvatten.

In allerlei machtstheorieën (sociaal darwinisme, marxisme, burgerlijke elitetheorieën en rechtspositivisme) ziet men in de heerschappij van het recht niet meer dan een ideologische façade. Wie de sluier achter het positieve recht optilt, hem staart het Gorgonenhoofd van de macht aan, aldus Hans Kelsen , een van de meest prominente en consequente aanhangers van het rechtspositivisme. In de rechtspraktijk is dat nog steeds de meest invloedrijke rechtstheorie. Staatsdwang, dus machtsuitoefening of de dreiging ermee, geldt daarin als beslissend criterium voor de vraag of er sprake is van positief recht. Wat in een democratische rechtsstaat als recht wordt gepresenteerd, wordt derhalve in die machtstheorieën ex- of impliciet herleid tot een juridische expressie van bepaalde machtsfactoren. Ook voorzover er geen sprake is van een expliciete machtstheorie, is er vaak een neiging het machtsmotief zonder meer centraal te stellen bij de verklaring van de politieke en maatschappelijke ontwikkeling, al voltrekt die zich in de context van een democratische rechtsstaat. Schumpeter wijst er in dit verband b.v. op dat wetgeving en bestuur in het democratische besluitvormingsproces volledig ondergeschikt zijn aan de eisen van de politieke machtsstrijd. Het zijn bijproducten van de voortdurende concurrentie om macht, die ook het democratische proces blijft beheersen. Die dwingt politici en partijen ertoe voortdurend acht te slaan op hun politieke zelfhandhaving. Dit leidt vaak tot een kortzichtig en weinig rationeel beleid.

Dat het machtsmotief ook in een democratische rechtsstaat nog een prominente rol speelt, kan moeilijk ontkend worden. De onderlinge strijd om machtsposities wordt zelfs nog feller, enerzijds door het groeiend aantal deelnemers aan die strijd, anderzijds door de werking van de z.g. machtsafstandsreductietendens die door de psycholoog M. Mulder is gesignaleerd. Naarmate machtsverschillen geringer worden, zo is uit zijn onderzoek gebleken, wordt het streven van minder machtigen naar grotere macht des te intensiever. Maar het wordt in een democratische rechtsstaat wel in tweerlei opzichten aan banden gelegd:
- enerzijds door het juist genoemde systeem van checks and balances, dus van machtsverdeling, -controle en –evenwicht, waardoor het machtsstreven principieel beperkt is in zijn expansiemogelijkheden;
- anderzijds door de introductie van een systeem van exogene legitimatie, waardoor het machtsstreven alleen nog door exogene factoren, zoals instemming van het volk en dienstbaarheid aan het algemeen belang als gedemocratiseerd staatsdoel gerechtvaardigd kan worden.
De relatie tussen macht en recht is veel complexer en problematischer dan vaak in de retoriek over de democratische rechtsstaat tot uiting komt. De complexiteit van die relatie is m.i. op een plausibele wijze verwerkt in de institutionele rechts- en staatstheorie van de Franse staatsrechtgeleerde M. Hauriou. Hoewel overtuigd aanhanger van de liberale democratie, die hij als het summum van de constitutionele ontwikkeling beschouwt, heeft Hauriou zich nochtans nadrukkelijk gedistantieerd van de neiging in de liberaal-democratische ideologie om politieke macht geheel te doen opgaan in democratische rechtsvorming. Politieke macht behoudt steeds een eigen relatieve autonomie, maar die vindt haar grens in de objectieve realiteit van constitutionele, administratieve en internationale regelingen en instituties en de daarmee samenhangende "checks and balances'. Hauriou brengt hiermee een belangrijke correctie aan op de bekende theorie van de vrijwillige zelfbeperking van de staatsmacht zoals die is ontwikkeld door de prominente Duitse staatsrechtgeleerde Jellinek. Hauriou ziet die zelfbeperking niet langer als vrijwillig maar als gevolg van de objectieve realiteit van institutionele "checks and balances". Hoewel hij aanvankelijk uitging van een endogene legitimatie van de politieke staatsmacht (de politieke elite is krachtens haar bekwaamheid gerechtigd te regeren), heeft hij tenslotte ook de exogene (instemming van het volk), democratische legitimatie van staatsmacht aanvaard.

De autonomie van de staatsmacht is in de verzorgingsstaat nog versterkt door de opmars van vage normen in de wetgeving en van ruim gestelde bestuursbevoegdheden aan overheidsorganen die daardoor over een aanzienlijke mate van beleidsvrijheid beschikken. Bovendien is er een sterke tendens wetgeving te reduceren tot een beleidsinstrument van de overheid evenals de rechtshandhaving met als gevolg dat die vaak afhankelijk raken van opportunistische beleidsoverwegingen. Die reductionistische tendens staat op gespannen voet met de klassiek-liberale rechtsstaatgedachte en wordt op grond daarvan dan ook geïnterpreteerd als een uiting van juridische degeneratie (le déclain du droit).

Ook staten die formeel het karakter hebben van een rechtsstaat, lopen voortdurend het gevaar in zekere mate terug te vallen op het niveau van de machtsstaat. Dit kan betrekkelijk geruisloos geschieden. De principes van die rechtsstaat, bedoeld om machtsprocessen te binden aan rechtsbeginselen en -regels en aan een systeem van checks and balances, kunnen door de werking van allerlei machtsfactoren veel van hun normatieve betekenis verliezen en zo makkelijk een dekmantel worden voor beslissingen die de democratische rechtsstaat degraderen tot een fraaie retorische constructie. Ik wijs in dit verband b.v. op de verplaatsing van politieke macht van gekozen politici naar achter de schermen opererende anonieme machtscentra en de invloed van een positivistische oriëntatie in overheidsbeleid en rechtsbeoefening, waarin het recht gereduceerd wordt tot machts- en beleidsinstrument van formeel-democratisch gelegitimeerde machthebbers. De liberaal-democratische rechtsorde wordt daardoor niet langer gezien en beleefd als expressie van intrinsieke waarden, maar als formeel-juridisch instrumentarium ten dienste van de politiek-sociale machts- en belangenstrijd. Die reductie is vooral manifest geworden in de verzorgingsstaat en heeft daar geleid tot een morele crisis, die zich uit in een verval van burgerlijk normbesef, misbruik van sociale voorzieningen en subsidieregelingen, en fiscale rebellie (in de vorm van legale en illegale vormen van belastingontwijking).

Als reactie op die formaliserings- en reductietendens zien we zowel op het niveau van theoretische reflectie als op dat van de rechtsontwikkeling een tegenbeweging die gericht is op herstel van een normatieve conceptie van de burgerlijke rechtsstaat en democratie. In de rechtstheorie manifesteert die stroming zich in een krachtige anti-positivistische reactie, tot uiting komend in een natuurrechtelijk reveil ; in de politieke filosofie in het kader van het neoconservatieve reveil dat de laatste decennia in de VS en Europa te bespeuren valt. In de rechtsontwikkeling tenslotte komt die contra-tendens tot uiting in de erkenning van algemene rechtsbeginselen in publiek- en privaatrecht. En het meest geprononceerd komt dat tot uiting in de erkenning van een materiële conceptie van rechtsstaat en democratie in de Duitse grondwet (de zg. liberaal-democratische basisorde). Die is daarin zoals gezegd geproclameerd is tot onaantastbare constitutionele kern.

8. Algemeen belang als gedemocratiseerd staatsdoel en legitimerende fictie

Het algemeen belang als gedemocratiseerd staatsdoel geldt sinds lang als een fictie, niet alleen in de marxistische, maar ook in de burgerlijke literatuur. Aan die fictie wil men echter wel vasthouden vanwege de legitimerende werking ervan. Als men in de geest van de economische theorie van de politieke besluitvorming, de zg. public choice-theorie, ervan uitgaat dat ieder die in enigerlei staatsfunctie optreedt, alleen de maximalisatie van eigen nut op het oog heeft, dan is het algemeen belang inderdaad niet meer dan een fictie of hoogstens de som van individuele voorkeuren.

De laatste tijd is er echter een tegenstroming bespeurbaar tegen het economisch imperialisme, d.w.z. de overheersing van de economische denktrant en het daarbij behorende rationalistische en egoïstische mensbeeld in niet-economische vakgebieden als politicologie, psychologie, culturele antropologie en rechtsgeleerdheid. Het politieke handelen van politici, ambtenaren en kiezers, zo luidt de conclusie van een uitgebreid onderzoek , kan niet zo maar herleid worden tot louter egoïstische motieven. Men komt tot de verrassende ontdekking dat de mens niet alleen maar een op eigen belang gericht individu is, maar ook een sociale kant heeft en derhalve niet alleen op eigen belang uit is, maar ook meer algemene belangen mee laat spelen of wegen. Op grond van die ontdekking spreekt men nu van een dualistisch of tweevoudig mensbeeld en daarmee heeft men opnieuw het wiel uitgevonden. Dit mensbeeld is immers al op klassieke wijze vertolkt door Aristoteles en Thomas van Aquino. En het burgerlijke mensbeeld had oorspronkelijk ook een tweevoudig karakter, niet alleen de calculerende burger als egocentrische bourgeois, maar ook de burger als citoyen, als staatsburger omvattend. Dit laatste aspect van het burgerlijke mensbeeld is juridisch operationeel gemaakt in het algemeen belang als staatsdoel en in een aantal politieke (burgerschaps)rechten, maar is zo onderontwikkeld gebleven dat het utilitaristische analysemodel van de neo-klassieke economie ook op het publieke domein kon binnendringen.

Sinds de jaren negentig zien we een hernieuwde belangstelling voor burgerschap in de zin van publiek verantwoordelijkheidsbesef. Men grijpt daarbij terug op het klassieke burgerschapsideaal van Aristoteles en Cicero en van de Amerikaanse Founding Fathers. In die context heb ik zelf het algemeen belang opgevat en uitgewerkt in tweeërlei zin: enerzijds als formeel-normatief begrip, maatstaf van publiek handelen en als zodanig gericht op een evenwichtige en zorgvuldige afweging van alle in het geding zijnde belangen - een specifieke toespitsing hiervan vindt men in bepaalde beginselen van behoorlijk bestuur -; anderzijds als een historisch - normatieve categorie, d.w.z. een zich voortdurend ontwikkelend complex van gemeenschappelijk geworden waarden en belangen.

Dat het algemeen belang vaak als dekmantel dient voor groepsbelangen die op slinkse en soms zelfs op brutale wijze erdoor gedrukt worden, dus zonder een behoorlijke politieke belangenafweging, is een onmiskenbaar feit. Veel maatregelen en subsidies komen op die manier tot stand. Ik doel hier op het bekende fenomeen van het neo-corporatisme, de behartiging van deelbelangen in gesloten circuits van belangengroepen, ambtenaren en fractiespecialisten. Democratische besluitvorming bij meerderheid van stemmen, zonder last en met het algemene belang als richtsnoer zoals de democratische theorie veronderstelt, wordt daardoor in feite een vrome democratische fictie. Het ontaardt makkelijk in politieke corruptie, d.w.z. het misbruik maken van openbare ambten ter bevoordeling van louter particuliere of politiek niet-afgewogen groepsbelangen. Maar dat wordt vaak niet meer als zodanig ervaren omdat het gangbare praktijk is geworden. Het is een praktijk die sinds lang deel uitmaakt van de bestuurscultuur van Frankrijk en andere Latijnse landen. Het aanwenden van algemene middelen voor persoonlijke of partijpolitieke belangen is daar heel gebruikelijk. Een extreem voorbeeld daarvan bood het presidentschap van Mitterand zoals beschreven door de Franse publicist Jean-François Revel. Evenals vroegere koningen beschouwde Mitterand de staatsmacht als zijn eigendom en ging hij daar ook zo mee om bij het uitdelen van banen, emolumenten, hoge onderscheidingen, huizen, dienstwagens, enz., al naar het hem uitkwam en diende. Die bestuurscultuur is ook doorgedrongen in de bestuurspraktijk van de Europese Commissie en bureaucratie in Brussel en heeft daar zoals bekend geleid tot de val van de Commissie-Santer.

Sinds de jaren zestig is er onder economen, politicologen en politici een neiging gegroeid het algemeen belang als een louter formeel, inhoudsloos begrip voor te stellen, dat door machthebbers naar believen kan worden ingevuld. In die opvatting is het uiteraard niet verwerpelijk het algemeen belang gelijk te stellen met het belang van de regerende partij. Maar daarmee vallen we in feite wel terug op de feodale praktijk van het ancien regime, waarin de staat een instrument was in dienst van de heersende dynastie (l'état, c'est moi).

Ook het hele begrip corruptie komt daarmee in de lucht te hangen. Uit het feit dat de politiek en het overheidsbeleid in een democratie in dienst van het algemeen belang behoren te functioneren, volgt dat het benutten van openbare ambten ten dienste van bijzondere (i.c. partij)belangen - in de feodale orde van het ancien regime een normale zaak - het karakter heeft gekregen van een laakbare handelwijze, een uiting van corrupt gedrag. De zuiveringseed die volksvertegenwoordigers en ministers moeten afleggen bij de aanvaarding van hun functie is ook een consequentie van het onderscheid tussen algemeen en bijzonder belang dat aan de politieke moraal in een democratie ten grondslag ligt. Uit dit onderscheid vloeit ook het begrip corruptie voort.

Het huidige rechtse radicalisme wordt nogal eens geduid als een te duchten bedreiging van de westerse democratie. Maar dat is m.i. een overschatting van de politieke betekenis ervan. Veel gevaarlijker is de innerlijke uitholling van de principes van die democratie zoals ik die in het voorgaande geschetst heb en waarop ook Bart Tromp doelde in zijn eerder genoemde lezing in 2003, zij het dat mijn analyse en interpretatie te dien aanzien een ander is dan de zijne. De opmars van een eenzijdig technocratische oriëntatie in politiek beleid en openbaar bestuur in Europees verband, maar ook op nationaal niveau waar zij zich nog wel ideologisch probeert te vermommen, is een saillante illustratie van die uitholling.

9. Slotbeschouwing

Democratie in liberale zin heeft te maken met de meest problematische opgave in het beschavingsproces, te weten het reguleren en beteugelen van machtsprocessen, dus het voorkomen of tegengaan van repressie en machtsmisbruik. En dat dat zo’n netelig probleem is hangt ten nauwste samen met de corrumperende werking die eigen is aan alle machtsuitoefening. De morele imperfectie van de mens, zijn neiging tot het kwade, manifesteert zich in het bijzonder zodra machtsposities in het geding zijn. Macht werkt als een harddrug. Men raakt er meer aan verslaafd naarmate men er meer en langer van proeft. Ook een democratisch bestel is in de praktijk geen afdoende remedie tegen dit alles en ontaardt eveneens in meer of mindere mate in politieke corruptie en feodalisering van de staatsmacht.

Gegeven die werking van macht als een harddrug, wordt democratie als normatief beginsel continu bedreigd door de eerder genoemde ijzeren wet van de oligarchie, het samentrekken van macht in de handen van weinigen en de daarmee samenhangende machtsverslaving en corruptie. Op klassieke wijze is die wet verwoord door de Duitse socioloog Robert Michels. Die is daardoor zelfs van zijn radicaal-democratische geloof afgevallen en in de ban van het fascisme geraakt. Hij eindigde als een van de kopstukken van de fascistische faculteit van politieke wetenschappen aan de Universiteit van Perugia. Als echte democratie toch een illusie is, kon men, zo vond hij, maar het beste kiezen voor de realiteit van een oligarchisch bewind onder leiding van een charismatisch leider. Maar een in de praktijk steeds onvolmaakt functionerende democratie valt niettemin nog altijd te prefereren boven welk fascistisch regime dan ook. Wel heeft Michels op saillante wijze in het licht gesteld dat de democratie als regeringsvorm juist vanwege haar hoge pretenties een uiterst kwetsbare manier van regeren en besturen is. Ook in democratieën is de politieke klasse telkens weer geneigd het staatsapparaat als zijn eigendom te beschouwen en dienovereenkomstig ten eigen bate te manipuleren en te benutten in plaats van zich als rentmeester van het volk te gedragen.

De eerder genoemde economische theorie van politieke besluitvorming bevestigt dat. Die theorie is van Amerikaanse origine en vindt daar de nodige empirische gegevens ter ondersteuning ervan. Men hoeft geen marxist te zijn om te onderkennen dat de geloofwaardigheid van de Amerikaanse democratie als wereldmodel al jarenlang ondermijnd wordt door de symbiose van de politieke klasse met het grootkapitaal en de onevenredig grote invloed die de kopstukken van dat grootkapitaal daardoor kunnen uitoefenen op het overheidsbeleid. In het voetspoor van liberale economen als M. Friedman en F. Hayek gaat president Bush er zonder meer van uit dat liberalisering van het economische en democratisering van het politieke leven, dus economische en politieke vrijheid steeds hand in hand gaan en dat we hier te maken hebben met een onstuitbaar voortgaand proces. Dat sluit aan op de bekende these van Fukuyama die, voortdenkend op de politieke filosofie van Hegel, in de wereldwijde opgang naar een liberale democratie en economie het einde van de geschiedenis ziet. En president Bush lijkt daar in zijn wereldwijde democratische beschavingsmissie impliciet eveneens vanuit te gaan. Een dergelijk lineair verwachtingspatroon is ook kenmerkend voor het marxisme met dit cruciale verschil, dat de politieke ontwikkelingsgang in die ideologie uitmondt in de communistische maatschappij als voltooiing van de emancipatie van de mens.

Ik deel dit lineaire verwachtingspatroon niet. Het enige dat met zekerheid te zeggen valt over de politieke ontwikkelingsgang in onze moderne cultuur is dat die ontwikkeling zich voltrekt in het spanningsveld tussen enerzijds het machts/beheersingsmotief met politieke machtsvorming en -ontplooiing als harde kern en wetenschap en technologie als instrumenten van rationele beheersing, cq manipulatie, anderzijds het emancipatiemotief met het zelfbeschikkingsrecht van de mens als richtinggevend principe. In liberale democratieën en economieën geeft het laatste motief de toon aan. In het moderne autoritarisme waarvan fascistische regimes in verschillende gradaties vóór de oorlog de meest uigesproken uitingen waren, is dat met het eerste motief het geval. De opmars van een technocratisch politiek bewind zoals dat eind jaren vijftig is aangekondigd door prominente westerse sociologen als D. Bell, R. Aron, H. Schelsky en P. Thoenes, is een softe versie van het moderne autoritarisme die in de EU vooralsnog het meest zichtbaar wordt. Auteurs van de Frankfurter Schule zien die technocratische oriëntatie een latent fascistische tendens. Hardere varianten daarvan herleven na de oorlog in Latijns-Amerika en de nieuwe postkoloniale staten in Azië en Afrika. In Azië gaat een al of niet democratisch verpakt modern autoritarisme opvallend goed samen met een geavanceerd kapitalisme. Die mengvorm van politiek autoritarisme met een vitale markteconomie spreekt in heel Azië en ook elders in de wereld velen aan, constateert de bekende Amerikaanse auteur Robert D. Kaplan. Dat heeft Fukuyama er in 1992 al toegebracht zijn these van het samengaan van liberale democratie en economie niet meer zo stellig te poneren als hij aanvankelijk deed. Die ontwikkeling verstoort eveneens het lineaire verwachtingspatroon dat ten grondslag ligt aan de Amerikaanse export van (westerse) vrijheid en democratie als voorwaarde voor vrede en veiligheid.

Bron: Civis Mundi

17 februari 2006

NAAR EEN NEDERLANDS PALEOCONSERVATISME - Een pleidooi voor een paleoconservatieve beweging in Nederland door Erik van GOOR

"Er bestaat volstrekt geen kans dat de gewone Amerikanen ooit de macht zullen heroveren voor een voldoende lange tijd om het tij te keren tegen het multiculturalisme, positieve rassendiscriminatie (...) De anti-Amerikanen in beide partijen hebben bovendien de Amerikaanse soevereiniteit vernietigd door hun verliefdheid op de economische en politieke globalisering. (...) Het feest is voorbij, het is tijd om het einde vast te stellen. De strijd voor de Amerikaanse toekomst daarentegen is pas begonnen. (...) De Amerikanen hebben nog vele opties, al is geen enkele daarvan een politieke. Sommigen zullen bij hun biertje zitten wenen, anderen zullen hun leven vergooien aan haat zoals de White Power-bewegingen. Maar enkelen zullen dapper genoeg zijn om de toekomst onder ogen te zien en te beseffen dat de Westerse mens dit allemaal al eens eerder meegemaakt heeft en erin geslaagd is om enkele kostbare dingen uit de ruïnes te redden."

Thomas Fleming in Chronicles, november 2001.

Met bovenstaand citaat van dr. Thomas Fleming eindigt Koenraad Elst zijn breedvoerige analyse van het Amerikaanse paleoconservatisme [1]. Dit paleoconservatisme is volgens Elst om meerdere redenen opmerkelijk. Het weerlegt volgens hem niet alleen het beeld van Amerikanen die niet denken, het problematiseert ook de verhouding tussen christendom en conservatisme en eveneens de verhouding tussen "klassiek liberaal" denken en conservatisme.

Het paleoconservatisme is echter om meerdere redenen - naast de door Koenraad Elst genoemde redenen - voor ons interessant. Juist in de bedding van het paleoconservatisme, en het aanverwante traditioneel conservatisme van bijvoorbeeld Russell Kirk en Claes G. Ryn, is de erfenis, en de daarin verscholen werkelijkheid, van het Oude Europa een levende werkelijkheid, meer nog dan bij ons in Europa. In Europa werd tijdens het Interbellum en tijdens de zogenaamde "omslag van de scheppende rede" [2] een duidelijke breuk geslagen in de Europese cultuur en traditie, onder meer door het trauma van de Eerste Wereldoorlog die een grote wond had veroorzaakt in de Europese ziel. Hierdoor konden denkstromingen als existentialisme en decisionisme diep doordringen in het gapende gat dat was ontstaan in de continuïteit van de Europese cultuur.

Het meest opmerkelijke is echter dat er in het citaat van de Amerikaanse paleoconservatief Thomas Fleming, een bezwaar wordt gemaakt tegen het "multiculturalisme". Voor veel Europeanen klinkt dit bezwaar bizar in de oren, evenals in de oren van vele "liberale" (progressieve) en neoconservatieve Amerikanen. Is een Amerikaan met Europese wortels niet het toonbeeld van multiculturalisme? En komt hij voort uit een hele zwik verschillende culturen, terwijl hij indringer is geweest in een autochtone Indiaanse beschaving? En is de Amerikaanse geest niet doordrenkt met Verlichtingsdenken dat zich uitte in denkcategorieën als ontwikkeling, vooruitgang en modernisering? [3]

Het is echter deze typering van de Amerikaanse cultuur geweest die niet zozeer aangaf wat de werkelijke cultuur van dit land was en wat de specifieke Amerikaanse cultuur oversteeg, maar die slechts liet zien hoezeer de intellectuele elite van zowel Amerika als van Europa zelf in Verlichtingstermen haar eigen beeld oplegde aan dit land, en daaraan de identiteit van Europa spiegelde. Deze houdgreep van liberalisme en Verlichting heeft lange tijd het werkelijke Amerika toegesloten en afgedekt en zelfs deels langzamerhand naar dit Verlichtingsbeeld toe getransformeerd. Want door zichzelf consequent twee eeuwen lang als liberaal te zien, werden ook antiliberale mensen na twee eeuwen vanzelf "liberaal"; wie zijn werkelijke wortels maar lang genoeg negeert en vergeet, raakt vanzelf los.

Het Amerikaanse paleoconservatisme, onder meer van de hierboven geciteerde Thomas Fleming, grijpt daarentegen consequent terug op prerevolutionaire en pre-Rousseauaanse opvattingen. Sinds de Verlichting, "Rousseau" en de Revolutie vatte in het Westen de opvatting post, als zou elke cultuur een toegesloten culturele en etnische eenheid zijn met separate gewoontes, religies en lichamelijke kenmerken. Wie consequent zo doorredeneert ziet dan vanzelf onoverbrugbare kloven tussen Europeaans en Indiaans of tussen "Brits" en "Duits". En onze tijd laat zien waar dit Verlichtingsdenken toe heeft geleid: tot een relativering van alles tot folkloristische eigenaardigheden en het grijpen naar "overstijgende" identiteiten die (direct) aan Verlichting en Modernisme zijn ontleend. Waar alles privaat is gemaakt, kan ieder zijn eigenaardigheid koesteren. Tenminste, zo lijkt het.

Het probleem is echter dat de Verlichte cultuur elke eigenaardigheid totaal vrij ziet van elke waarde en zich uiteindelijk zelfs ontwikkelt tot een systeem dat vijandig staat ten opzichte van elke specifieke culturele, religieuze en traditionele of etnische waarde. In onze tijd laten auteurs als Benjamin Barber en Paul Cliteur [4] zien dat het Verlichtingsdenken zich juist keert tegen elke vorm van relativisme door juist de "fundamentele Westerse (lees: Verlichte) waarden" als universeel en onopgeefbaar te zien. Tegenover islam en fundamentalisme stelt men geen relativisme, maar een universeel Westerse cultuur die weinig meer is dan een optelsom van een selectie van geschriften uit Klassieken, Humanisme, Verlichting en Modernisme.

Paleoconservatieven doorbreken deze schijntegenstelling. De werkelijke Clash of Civilizations is niet zozeer die tussen Islam en Westen, zoals de conservatieve "democratische" (!) Amerikaan Samuel Huntington enkele jaren geleden stelde in zijn gelijknamige bestseller [5], maar is een "clash" tussen een Westen dat zich als moderne, mondiale, liberale, globalistische en post-Verlichtingsbepaalde McWorld presenteert enerzijds en een Westen dat zich als continue Avondlandcultuur ziet anderzijds. Deze laatste "cultuur" ziet het universele waarin het Westen "superieur" zou zijn in iedere cultuur: van de Indiaanse tot de Taoïstische en van de Romeinse Republiek tot de Joodse cultuur. De Verlichting verbindt het universele aan abstracte waarden, het paleoconservatisme ziet het universele aanwezig in iedere concrete cultuur. In zijn The Morality of Everyday Life en Politics of the Human Nature verwijst Thomas Fleming daarom met even groot gemak naar Griekse bronnen als naar Indiaanse gebruiken [6].

De paleoconservatieve insteek is dezelfde als die van het Oude Europa die mensen niet zag als totaal verschillende etniciteiten waar een abstract substraat aan kon worden ontleend, maar daarentegen zag als universeel één in afkomst en natuur, maar fundamenteel verscheiden in cultuur en samenlevingsverband (bijv. volk). Zo zag Joseph de Maistre, in tegenstelling tot de Verlichtingsdenkers, weliswaar geen "de Mens", maar alleen Fransen, Duitsers en (zo had Montesqieu hem "geleerd") Perzen, maar "nog nooit had hij een mens ontmoet". Toch bestreed ook dezelfde De Maistre dezelfde Verlichtingsdenkers door te wijzen op de universele oorsprong en natuur van de mens zonder daar echter een natuurtoestand in te zien [7].


De voortzetting van het "Old Europe" in de VS

Deze denkwijze van het Oude Europa is dus in de periode rond Interbellum en WO II finaal afgebroken. Merkwaardigerwijs werd de cultuur van het Oude Europa echter wel voortgezet, maar dan wel in het zo ogenschijnlijke liberale Amerika. De wijze waarop dit gebeurde was nog niet meteen duidelijk, maar achteraf buitelen de voorbeelden van deze voortzetting over elkaar heen.

Zo ook de volgende gebeurtenis. De Duitse staatsrechtgeleerde Carl Joachim Friedrich aanvaardde in 1936 een benoeming aan de Harvard University als hoogleraar in dienst van de Department of Government. Tijdens deze periode deed hij een wel heel merkwaardige vondst: het belang van een politiek meesterwerk dat in de vergetelheid was geraakt: de Politica van de zeventiende-eeuwse Duitser Johannes Althusius. Friedrich verzorgde de nieuwe uitgave in het Latijn en schreef er een voorwoord voor. Of Friedrich er zich van bewust was dat zijn keuze zo afwijkend was, weten we niet; het gebeurde: Althusius werd herontdekt om tot op de dag van vandaag onderdeel te zijn van de Amerikaanse paleoconservatieve traditie.

Op het moment dat vele Europese staatsrechtgeleerden tijdens het Interbellum, men denke aan Carl Schmitt en Hans Kelsen, de staatsrechtsideeën van Thomas Hobbes herontdekten, kwam Friedrich met een opponent van Hobbes in aanraking: Althusius. Terwijl Hobbes een voluntaristische i.c. decisionistische politiek voorstond in het teken van macht, beheersing en – vooral – de soevereine eenheidsstaat, ging Althusius uit van totaal andere principes: denkend vanuit de familie en de verbanden die daaruit voortkomen, en geheel in de lijn met confederale opvattingen uit de Middeleeuwen en de Spaanse school van Salamanca, hanteerde Althusius de idee van de beperkte staat die gedragen werd door de basis van verbanden als familie, stad, kerk of gilde die in sommige gevallen zelfs het recht op secessie hadden - iets waar Hobbes van zou gruwen.

Terwijl de herontdekking van Hobbes doorwerkte in de machtspolitiek van Nazi-Duitsland, vond Friedrich de werkelijkheid van het Oude Duitsland - het Oude Europa - terug in de Verenigde Staten (afgezien van zijn interpretatie van Althusius, maar dit terzijde). Het was dan ook niet toevallig dat na het einde van de Tweede Wereldoorlog Carl Joachim Friedrich naar Duitsland terughaalde om mee te werken aan de denazificering en de staatkundige opbouw van de Bondsrepubliek Duitsland – die ironischerwijs werd gemodelleerd naar “Amerikaans” model. Op gelijke wijze deden de ideeën van een bekende van Friedrich: Wilhelm Röpke, zijn uitwerking in de economische wederopbouw van West-Duitsland onder Ludwig Erhard en Konrad Adenauer. Deze laatste van de “klassieke” economen dacht op economisch vlak “confederaal”. Niet de techniek, de economie of de wetenschap stonden bij Röpke voorop, maar de mens, zijn gemeenschap, de kleinschalige levensverbanden, het geloof en de traditie

De verhalen van Carl Joachim Friedrich en Wilhelm Röpke staan niet op zichzelf. Amerika herbergde tijdens het Interbellum talloze gevluchte en geëmigreerde Europese denkers die protesteerden tegen het opkomende historicisme, existentialisme en decisionisme. Deze mensen raakten onder meer door de dreiging van het opkomende Nazisme in Duitsland en door de intellectuele en culturele malaise in Oostenrijk ten gevolge van de identiteitscrisis na het debacle van WO I en het uiteenvallen van de Donaumonarchie daarna, in de Verenigde Staten verzeild. Weer anderen bleven weliswaar in Europa, maar zagen na de Tweede Wereldoorlog hun leerlingen in de VS opstaan, en niet in het Oude Europa. Het is de ironie van de geschiedenis geweest dat het Oude Europa in de VS werd voortgezet. Hadden vele Europese intellectuelen, ook conservatieve, zich niet voortdurend denigrerend uitgelaten over dit liberale land? Zoals Johan Huizinga, Menno ter Braak, Groen van Prinsterer in Nederland. Maar ook Graf Hermann Keyserling en Martin Heidegger in Duitsland. De laatste sprak zelfs over het ontologische probleem Amerika.

Maar de namen en de bewijzen zijn dermate overvloedig dat er iets beschamends zit in het anti-Amerikanisme van genoemde lieden. Iemand die het bijvoorbeeld al op jonge leeftijd opnam tegen de hierboven genoemde Heidegger, Leo Strauss, raakte weliswaar volkomen vergeten in Europa, maar maakte school in de VS. Hetzelfde gold voor Eric Voegelin, of zelfs voor een Nicolai Hartmann die nota bene niet was gevlucht, maar toch de vergetelheid ingleed onder de stormram van het opkomende existentialisme, maar waarvan zijn drie-delige hoofdwerk over ethiek in een Engelse vertaling (nota bene van de Nederlandse dr. Andreas Kinneging!) opnieuw in Amerika is uitgegeven.

De lijst kan met talloze namen worden aangevuld: Wilhelm Röpke vluchtte naar Zwitserland en raakte via contacten rond de Oostenrijkse School (via de Mont Pelerin Society) en later met een blad als Modern Age blijvend bekend in de VS, terwijl hij vergeten raakte in Europa. Hetzelfde geldt voor de socioloog Helmut Schoeck, de dwarse politieke denker Erik Ritter von Kuehnelt Leddinh (via William Buckley van National Review), mannen als John Lukacs, Thomas Molnar (opvallenderwijze beide van Hongaarse oorsprong) en Jacques Barzun. Een theoloog als Emil Brunner die onder het theologische geweld van Karl Barth en Rudolf Bultmann, ondanks zijn gezonde politieke houding en zijn praktische insteek bij ons niet meer gelezen wordt, maar wel in de kringen rond het Amerikaanse Acton Intitute, net als oudere figuren als de Britse kardinaal John Henry Newman en de Nederlandse theoloog-staatsman Abraham Kuyper. Verder denken we aan de Franse conservatief-liberaal Alexis de Tocqueville en, niet te vergeten, Edmund Burke die vooral door de stichter van Modern Age, Russell Kirk, blijvend een voet aan de grond kreeg in het voorheen als liberaal gedoodverfde Amerika.

Neoconservatieve onwetendheid en een dubbele ironie

Tijdens de zogenaamde "Tweede Golfoorlog" pleegden neoconservatieven als Donald Rumsfeld en Dick Cheney zich wel eens denigrerend uit te laten over het "Old Europe". Daarmee bedoelden ze de houding van landen als Duitsland en Frankrijk die niet mee wilden gaan in het voortschrijdende inzicht inzake veiligheid en vrede op deze wereld. De ironie is echter juist dat het "Old Europe" gezocht moet worden in de Verenigde Staten zelf. In Europa heersen Hobbes, Kant en Rousseau – zoals politieke denkers als Robert Kagan en Arend Jan Boekestijn ons hebben aangetoond. En in de Verenigde Staten ook, bijvoorbeeld bij de neoconservatieven zelf, getuige de geschriften van onder meer Felix Morley, Robert D. Kaplan en Claes G. Ryn. Maar in tegenstelling met Europa is het in de Verenigde Staten geen Reinkultur van Verlichtingsdenken en (neo-)Jacobinisme. Naast de erfenis van Verlichting en Revolutie, is het ook de erfenis van het Old Europe, van Althusius, Montesqieu, Augustinus en Aquino, die is voortgezet in de Verenigde Staten zelf.

Maar de voortzetting van het “Old Europe” in de VS is niet de enige ironie die de geschiedenis in dezen kent. Even ironisch als de voortzetting van de ideeën van hen die Amerika verafschuwden in datzelfde land, is het verhaal rond het “succes” van deze “Oude Europeanen” in dit land. Dat veel Europeanen in de VS terechtkwamen is makkelijk te verklaren: door de opkomst van het Nazisme en de teloorgang van diverse Europese culturen, met name die van de Donaumonarchie. Maar minder bekend is de verklaring van het feit dat wetenschappers als Heinrich A. Rommen en Carl J. Friedrich zoveel weerklank hadden en hebben in dit “land van onbegrensde mogelijkheden”.

De komst van veel Europeanen in de VS viel samen met de New Deal van F.D. Roosevelt. Dit beleid van Roosevelt was er op gericht om alle Amerikanen erbij te laten horen. Ook alle groeperingen die tot dan toe in de periferie van de officiele Amerikaanse cultuur hadden geleefd. Deze hoofdstroom was tot dan toe te beschrijven als Wasp (White Anglo-Saxon Protestant), Episcopaals en “New England” i.c. “North-East”. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was deze hoofdstroomcultuur nog geheel op Europa gericht geweest. Sinds – en door – deze oorlog zou dat veranderen. De bonte mengeling van seculier-protestants democratisch messianisme (“to make the world safe for democracy” – Wilson) en kapitalisme bracht na het echec van doorgeslagen kapitalisme (de beurskrach in 1929) nog eenmaal een oude familie naar voren die met een schijn van klassiek vaderschap het land wilde transformeren: Franklin Delano Roosevelt. Zijn politiek van New Deal emancipeerde en mobiliseerde zowel Ieren als andere Rooms-katholieken, en verder mensen uit het Zuiden, het Westen en het Midden van de VS.

Met de New Deal zaagde Roosevelt echter aan de poten van zijn eigen stoel; het waren juist de door hem, van zichzelf bewust gemaakte, perifere groepen die vanaf dat moment de culturele hegemonie van de seculier-protestants liberale New England cultuur zouden doorbreken. De gevolgen lieten niet lang op zich wachten. De geëmancipeerde grassrootsconservatieven uit de Heartland, die tot die tijd in het geheel zichzelf niet als “conservatieven” zagen, waren een dankbare voedingsbodem voor de opkomst van een beweging die de eigen wortels koesterde, en die later – na Joseph McCartey en Barry Goldwater - als “conservatief” kon worden benoemd. Tal van “leiders” kwamen boven drijven: William Buckley, Russell Kirk en de legendarische “Soutern Agrarian” Richard M. Weaver die door sommigen wel als de Amerikaanse Joseph de Maistre kan worden gekenschetst. Tegelijkertijd ontstond er een hernieuwde aandacht voor klassieke onderwijssystemen, die het tegen moderne ideeën van onder meer John Dewey op konden nemen, zoals het Middeleeuwse Trivium, in zelfstandige Colleges of Art en andere privé-instellingen.

De vraag is nu: is wat in de Verenigde Staten is gebeurd, ook mogelijk in Europa, en in ons geval: in Nederland? En als het mogelijk mocht zijn om zoiets in gang te zetten, zegt dat dan iets over het “succes”? Want ook in de Verenigde Staten was en is het Verlichtingsmodernisme de hoofdstroomcultuur, ook bij de neoconservatieven van Bush Jr. c.s. Sommigen zijn geneigd om de eerste vraag – en daarmee de tweede – te ontkennen. Volgens hen is de situatie in Amerika niet te vergelijken vanwege het minder geseculariseerde karakter van dit land, in vergelijking met Europa. Dit punt moge waar zijn, maar het kenmerkende van het paleoconservatisme is juist dat het weliswaar een sterke orthodox joods-christelijke pijler heeft, maar tegelijkertijd niet uitsluitend joods-christelijk is. Amerika laat ons ook zien dat christendom geen garantie is voor stevig conservatief denken; het zijn niet in de laatste plaats veel evangelicals [8] die de Verlichtingspolitiek van George W. Bush Jr. en de zijnen steunen!

De paleoconservatieve paradox

Het paradoxale dat in de oproep om een paleoconservatieve beweging in Nederland ligt, is echter dat het niet alleen en zelfs niet zozeer de spiegelfunctie van de Amerikaanse paleoconservatieven is die ons ten voorbeeld kan stellen - deze reden zou gemakkelijk weerlegd kunnen worden met een beroep op het verschil tussen beide landen, Nederland en de Verenigde Staten. Nee, het paradoxale is juist dat het niet zozeer het voorbeeld is dat ons verder kan helpen, maar dat het paleoconservatieve "denkraamwerk" wel eens de enige mogelijkheid zou kunnen zijn om het Europese i.c. Nederlandse klassieke en rechtse denken uit het slop te halen.

Meer nog dan in de Verenigde Staten zijn bij ons de klassieke kanalen verworden of afgevallen van hun taak: de Kerk, de Academie, de Elite, de Monarchie en de Opinieleiders. Veel oude stromingen als christendom en liberalisme zijn verworden tot zichzelf: loutere opeenhopingen van bijzondere uit elk verband gerukte samenraapsels zonder enige affiniteit met historische, constitutionele en natuurlijke fundamenten. Op elke denkstroming en op elk instituut zou een hyperkritiek op zichzelf van toepassing kunnen zijn: in hoeverre heeft het hyperchristelijke karakter van veel christelijke instelling niet juist de identiteit (christelijke identiteit) vernietigd? En vergelijkbare vragen zouden te stellen zijn in de richting van bijvoorbeeld een denkstroom als het liberalisme, of aan instellingen als bijvoorbeeld de monarchie, de politieke partij of aan de rechtsstaat.

Zonder de leerstellige zijde van bijvoorbeeld het christendom ook maar enigszins aan te willen vallen (integendeel), dienen we toch vast te stellen dat het christendom als historisch concrete manifestatie niet meer voldoet om als basis te dienen voor een restauratie van de oude orde. Juist het christendom is bezig met zichzelf af te rekenen, zoals Joop den Uyl eens scherpzinnig opmerkte [9]. Juist het christendom zelf is de grootste bedreiging voor zaken als het gezag van de Bijbel en van de dogma's van haar geloof.

Zoals gezegd, geldt wat voor het christendom geldt ook voor andere stromingen en geldt het zelfs voor de instellingen op bijvoorbeeld staatkundig vlak. Want is een denken dat bijvoorbeeld het democratisch stelstel - als algemeen aanvaarde common sense in onze cultuur - als verondersteld fundament hanteert nog wel in staat zichzelf te verstaan? Verklaart zo'n denken niet datgene wat los is gemaakt van ieder fundament tot fundament zelf? En leidt bijvoorbeeld een democratisch denken, zoals de Russische schrijver Berdjajev zegt, niet tot honger naar de aantallen, en degradeert het de waarheid niet naar een zaak van het getal? Alsof iets meer waar is als er meer mensen achter staan?

Wanneer iemand in staat is abstracte constructies zoals democratie als fundamenten voor zijn eigen denken op staatkundig en ander vlak te hanteren, dan is zo'n persoon niet zozeer een potentiële bondgenoot van iedere rechtgeaarde klassieke mens - want een fundamenteel denker - maar eerder een gevaar voor zichzelf en voor zijn omgeving. Wie zijn moraal laat afhangen van "de loterij van de stembus" (Jorge Luis Borges) heeft namelijk zelf geen moraal. En als iedereen zo denkt is er geen moraal meer, maar alleen een willekeurig proces dat mensen "moreel" in een bepaalde procesmatige richting duwt. Men denke hier aan bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld inzake de eugenetica.

Nu bevinden we ons in een cultuur waarin het geschetste gevaarlijke menstype de touwtjes in handen heeft. Zelfs de meeste traditionele, christelijke en klassieke mensen hebben in de wortel van hun denken een tik meegekregen. Zelfs als zo iemand op de meest rechtzinnige wijze verklaart dat hij of zij een christen (of een conservatief) is, dan nog beseft deze mens niet dat hij of zij totaal iets anders bedoelt: een verchristelijking (of conservering) van datgene dat zich juist van het christelijke (of pre-conservatieve) heeft losgemaakt.

Het paleoconservatieve alternatief

Als zoveel voor de hand liggende wegen falen en ons voortdurend teleurstellen, kunnen we dan stellen dat het paleoconservatisme ons wèl de verborgen, vergeten en verworpen wegen toont om ons in de huidige malaise staande te blijven? Reikt zij dan wel een gefundeerde, realistische en gerechtvaardigde (!) hoop aan om te kunnen blijven koesteren? Tot herstel van de oude orde? Wij menen van wel. De analyse die verder reikt dan de gegevenheden, en een methode die inzet buiten de gevestigde structuren (niet orde!) van partijen en academies om; met andere woorden: de insteek bij de puinhopen van een verwoeste en vermolmde cultuur, gepaard gaande met het aanvaarden van het verliezerschap zonder het karakter van strijdbaarheid te verliezen, maken dat het paleoconservatisme een spiegel voor ons is.

Juist de Amerikaanse tegenstelling paleoconservatief versus neoconservatief laat treffend een andere tegenstelling zien: die tussen het Oude en het Nieuwe Europa. Juist in deze tegenstelling zien we de verwordenheid van de Europese cultuur. De onverwoestbare cultuur van het Europa van voor 1914 [10] hebben wij verwoest en gedegenereerd tot iets weerzinwekkends. Tot een cultuur waarin we trots zijn op de vrijheid om met een opzichtige SUV onze wekelijkse boodschappen te doen en met een terreinwagen onze hond uit te laten, terwijl we in een handomdraai in staat zijn de eigen kinderen in de steek te laten voor een zoveelste "authentieke, echte liefde" opgedaan in een ranzige club. Een cultuur waarin we onze oudjes laten wegrotten en in staat zijn ons potentiële nageslacht te aborteren, maar ondertussen weg te zwijmelen bij de aankoop van een felbegeerd plasmascherm?

De vraag in hoeverre wij in Europa nog verbonden zijn met de wortels en de bodem van het Oude Europa wordt zichtbaar gemaakt in de Verenigde Staten van Amerika. Het weerzinwekkende neoconservatisme als perversie van de Westerse cultuur staat daar lijnrecht tegenover het echte leven: dat wat de paleoconservatieven koesteren. In het beeld van het neoconservatisme zien we wat wij worden als we doorgaan op dezelfde weg: managers en ambtenaren die jongens naar het slagveld sturen om "te sterven voor een goede zaak die ze niet begrijpen" terwijl onze kinderen "gelukkig" een andere "carrière" hebben "gekozen".

De Amerikaanse paleoconservatief stelt ons de vraag of wij nog wel vertrouwen op dat wat we zijn en dat wat we hebben: karakter, historie, cultuur, geloof, familie, gemeenschap en grond? Deze stelt ons de vraag in hoeverre wij nog ons vertrouwen stellen op de dingen die echt zijn, en niet op wankele bondgenoten van klassiek-liberale en neoconservatieve snit? De paleoconservatief bepaalt ons bij de vraag hoe vaak wij niet het initiatief uit handen hebben gegeven aan deze onbetrouwbare mensen, om daardoor een grondhouding te hebben aangeleerd van een "tweederangsburger" te zijn die een "minoriteitspositie" inneemt?

Het Amerikaanse paleoconservatisme kan worden beschouwd als het zichzelf opnieuw gedefinieerde conservatisme ten overstaan van een neoconservatieve hoofdstroom. Maar het is meer dan dat. Was de Old Right nog gefocust op het conserveren van oude waarden en het richten op een burgermansmoraal waarin kapitalisme, isolationisme en christendom belangrijke componenten waren, het Paleoconservatisme kan niet simpelweg worden gezien als een voortzetting van deze Old Right. De voortschrijdende tijd heeft het problematische karakter van veel zaken doen laten zien. Kapitalisme, christendom en burgerlijke moraal bleken niet bestand tegen de vloedgolven van de Nieuwe Tijd. Zelfs kan en moet worden gesteld dat genoemde zaken wel eens mede de oorzaak zijn geweest van de grote culturele, sociaal-economische en religieuze malaise waarin onze Westerse cultuur zich bevindt.

Cultuur

De middelen om zich te verweren tegen de culturele hoofdstroom van liberalisme, globalisme en moreel relativisme zijn uitermate schaars. Niet alleen in de Verenigde Staten zijn de academies toegesloten voor rechtse, conservatieve en "paleo" krachten, ook in landen als Groot-Brittannië is dat het geval. Illustratief is de emigratie van de Engelse conservatief Roger Scruton naar Virginia om daar boer te worden en die van Theodor Dalrymple naar het platteland van Frankrijk "omdat daar alles twintig jaar later gebeurt". In diens America the Virtuous pleit de amerikaans-Zweedse (Rooms-katholieke) traditioneel-conservatieve Claes G. Ryn dan ook niet voor niets voor aandacht voor deze zwakke plek van het conservatisme. De geschiedenis leert volgens hem dat cultuur niet en niet uitsluitend door grassroots kan worden gedragen; instituties zijn van levensbelang.

Daarmee denigreert Claes G. Ryn niet deze grassroots. Deze vormen de preconditie om tot sterke instituties te komen. Familie, grond (property), buurt, wapenbezit, gemeenschap, werk en geloof zijn noodzakelijke voorwaarden om tot gezonde, krachtige en sterke zelfredzame gemeenschapsmensen te komen. Maar al deze sterke en goede zaken zijn ontoereikend om zichzelf in stand te houden. Zonder instituties als "Recht", "Academie", "Elite", "Kerk" en "Huwelijk" vallen alle goede zaken ten prooi aan de ongebreidelde zelfzucht van mensen die juist door neoconservatieven en klassiek-liberalen de motor is van hun denken en hun maatschappijvisie.

Nu kan de traditionele Amerikaanse conservatief Claes G. Ryn kan dan wel pleiten voor een herovering van de universiteiten omdat een cultuur van grassrootsconservatism zich nooit kan handhaven zonder de academie; maar zie er maar eens tussen te komen. Niet alleen is de academie toegesloten, ook de inhoud van de wetenschap is verschoven. Niet meer bepaalt de houding van onderdanigheid aan Traditie en Wijsheid en de dienstbaarheid aan land, volk, geloof en zeden haar houding. Daarvoor in de plaats is er een abstract, onpersoonlijk door management en sciëntisme bepaalde houding die de moderne wetenschap beheerst. Zij het hoogstens aangevuld met een kleine tot fikse dosis engagement of spirituele bevlogenheid. De houding van onbevooroordeeldheid, maakbaarheid en falsificeerbaarheid heeft de wetenschap tot op het bot vervreemd van het paleoconservatieve ideaal.

Dit ideaal is namelijk geen ideaal in de moderne zin des woords, maar is een nastreven van de werkelijkheid zoals die is, in de kennis dat we deze werkelijkheid toegesloten hebben. Altijd hanteert de paleoconservatief het "primum vivere, deinde philosophari" - "eerst het leven, dan de filosofie" [11]. De paleoconservatief hanteert dit adagium zowel inzake de wetenschap, de theologie als de politiek. Gewoonte, traditie, common sense en common beliefs hebben het primaat. Alles wat daarbij komt, zoals bijvoorbeeld wetenschap en cultuur, is begrensd en heeft slechts een beperkte waarde: ter versterking van het reeds bestaande en nooit (!) ter maakbaarheid van een betere samenleving.

Wie neoconservatief of klassiek-liberaal is, is al gauw een witte raaf op de academie - men denke aan hoogleraren als Afshin Ellian en Paul Cliteur - maar ook deze witte raven blijken al snel tegenstanders te zijn van elke rechtgeaarde paleoconservatief. Claes G. Ryn zei over de vergelijkbare Amerikaanse situatie dat op een liberale universiteit een neoconservatieve professor al gauw een hoopvol conservatief geluid lijkt te vertolken, maar wie beter luistert, hoort niet zozeer een conservatief geluid dat terug wil keren naar de orde, maar een geluid dat de zogenaamde verworvenheden van de Verlichting wil verdedigen tegen postmodern relativisme en contraproductief traditionalisme. Slechts op de kleine, zelfstandige, vaak private onderwijsinstellingen bestaat in de VS de kans een werkelijk conservatief geluid op te vangen.

De situatie in Nederland

In een land als Nederland is, zoals gezegd, de situatie nog minder rooskleurig dan in de Verenigde Staten. Het complex van MPP (Monarchie en Politieke Partijen), Wetenschap en Cultuur, Economie en Media is een groot amalgaam van verdediging van de sociaal-democratische verwerking van de Verlichtingserfenis met onder de postmoderne façade een harde libertijnse ondergrond. Wie goed naar Hirsi Ali, minister Verdonk en Frits Bolkestein luistert, proeft de mix van humanisme en Verlichting met in het "gunstigste" geval nog zoiets als een "Klassieke" component, zoals bij Frits Bolkestein [12].

De sociaal-economische instellingen worden bepaald door het product van het onderwijs van de afgelopen decennia. Dit onderwijs heeft op grote schaal een "managerial" type mensen [13] - procesdenkers - afgeleverd die vervreemd opereren van product, bedrijf, medewerkers, vestigingsplaats en sociaal-cultureel-religieuze context. Hier doemt onontkoombaar het beeld op van de moderne onderwijsinstellingen als ontwortelingsfabrieken in onze cultuur.

Het moderne onderwijssysteem stimuleert een gespletenheid in de mensen tussen publiek en privé, tussen markt en privé en tussen instrumenteel denken en opereren enerzijds en anderzijds de bewogenheid i.c. het engagement dat zich uit in giften aan rampgebieden, verantwoord ondernemerschap en dergelijke. Dit dualisme is de erfenis van de moderniteit (o.m. Hegel), en het is dit dualisme dat elke vorm van "neo-denken" - hetzij neoconservatief, hetzij neo-orthodox - zo ongrijpbaar maakt. De hoop, de moraal en de perspectieven "functioneren" wel, in die zin dat ze worden uitgesproken en dat er iets mee gedaan wordt, maar het is niet per definitie (!) op "concrete" situaties gebaseerd c.q. vastgeklonken met deze concrete situaties.

Politiek kan deze ongefundeerde hoopvolle wijze van overleven gestalte krijgen in een partijpolitieke vorm, religieus kan het vorm krijgen in een geloofsgemeenschap of kerkformatie. Het ongrijpbare "neo"-denken vereenzelvigt de werkelijkheid met de overlevingsconstructies die het mogelijk maken op de been te blijven in een postrevolutionair en post-Verlichtingstijdperk. Aan deze mensen heb je iets zolang het gaat om theoretische of academische discussies over persoonlijk aangehangen en doorleefde waarden, maar in een oorlog - of culture-war zoals in de VS - heb je niets aan deze neo's: men staat pal voor eigen onderwerping en is flink het erop uit sturen van troepen naar Afghanistan of Irak, maar de juwelier die met zijn eigen wapen een roofovervaller neerschiet, wordt door hen zonder pardon aan het kruishout genageld: het "recht" moet immers zegevieren.

Religie

Koenraad Elst slaat de spijker op de kop wanneer hij bij de paleoconservatieven constateert dat deze de mythe van de Evangelical Movement doorprikken als een religieus fenomeen dat doorspekt is met entertainment en poppsychologie, maar ondertussen een knieval maakt voor links; Koenraad Elst: "de Christian Coalition loopt braaf in de linkse pas inzake de talloze controverses over immigratie, sociale zekerheid, ras en multicultuur" [14]. Sommige paleoconservatieven, zoals Joe Sobran en Thomas Fleming zijn daarom overgestapt naar het Rooms-katholieke kerk, om binnen deze kerk te pleiten voor de Latijnse mis, de Traditie en de lex naturalis, anderen gaan verder terug in de traditie en worden Oosters-orthodox. Nog weer anderen, zoals Samuel Francis, plaatsen vraagtekens bij het christendom zelf, door te stellen dat het christendom eeuwenlang de westerse samenleving geschraagd heeft, maar dat het in de twintigste eeuw een factor van ontbinding en afbraak geworden is, dat bij Europeanen alle zelfrespect en zelfverdediging afkeurt [15].

De onderhuidse ontwikkelingen in de Verenigde Staten om tegen de stroom van mega-churches en charismatisch christendom zich opnieuw te oriënteren op oude liturgieën, Oosterse Orthodoxie en (binnen de Southern Baptists) op het Calvinisme, mag opmerkelijk genoemd worden. Met name de paleoconservatieve houding van mensen als Fleming en Sobran doorkruist de algemene opvatting dat christenen slechts zouden moeten kijken of de boodschap in de kerk overeen komt met die in de Bijbel en door eigen geloof en ervaring bevestigt wordt. De paleoconservatieve gelovigen laten zien dat het oude christendom niet "los verkrijgbaar" is, maar een organische samenhang van leven, traditie, gemeenschap, historie en geloof en openbaring. En waar men in Europa haast alle "staats-" en "landskerken" heeft ontmanteld, zijn er in de Verenigde Staten dus christenen die ingaan tegen de eigen zogenaamde traditie van "free churches".

De kritiek van diverse paleoconservatieven snijdt pijnlijk diep in het vlees van het Europese christendom dat nog verwordener is dan het Amerikaanse. Kun je in de Verenigde Staten nog binnen een Rooms-katholieke Kerk pleiten voor terugkeer naar de Traditie en kun je in dat land nog lid worden van een vitale Oosters-orthodoxe kerk, in Europa - en met name in Nederland - zijn deze keuzemogelijkheden totaal afwezig. De Oosterse orthodoxie stelt weinig tot niets voor, en de grote kerken, Rooms-katholiek en protestants, zijn verworden tot ontmoetingsplaatsen van losgeslagen vrouwen, homoseksuelen en allochtonen, met hier en daar wat eilandjes van wereldvreemde spiritualisten die vol bewogenheid omzien naar asielzoekers en andere verschoppelingen, maar ondertussen een stille haat i.c. minachting koesteren voor al het gezonde mannelijke, traditionele vrouwelijke en sterke natuurlijke van de oude, klassieke mens.

Normale mensen - normale mannen en vrouwen - horen niet thuis in de huidige Nederlandse kerken, laat staan mensen die tot paleoconservatieve inzichten zijn gekomen. Dat zelfrespect en zelfverdediging in de Nederlandse kerken niet tot nauwelijks te vinden zijn is met name beschamend vanwege het feit dat in ons land de kerk historisch verbonden is en is geweest met het ontstaan van ons land en de grondslag ervan. En deze zaken zijn niet gebeurd buiten zelfverdediging en zelfrespect om. De kerk heeft zich dus niet zozeer afzijdig gehouden van het ruigere reilen en zeilen van ons land, maar ze heeft zich er doelbewust van afgekeerd.

Maar zoals zelfs een Samuel Francis zich, ondanks zijn scepsis ten aanzien van het christendom, niet los kon maken van zijn trots op zijn Schots-Ierse puriteinse voorouders [16], zo schuilt zelfs achter de verwerping van het christendom door sommige paleoconservatieven juist een dubbelzinnig liefde tot datgene wat volgens de christenen weliswaar niet (meer) christelijk genoemd mag worden, maar dat wel onmiskenbaar verknocht en verbonden is geweest met het werkelijke historische en concrete christendom.

En wij dan?

De aandacht voor paleoconservatisme in de Verenigde Staten is voor ons geen doel op zich. Wij zijn geen Amerikanen, maar Europeanen. Wij leren niet alleen van wat zij "goed" hebben gedaan, of van wat van onze Oud-Europese erfenis daar bewaard is gebleven, wij zien ook hun fouten. En dit laatste ondanks alle fouten die we bij onszelf zien. Juist onze fouten kunnen het ons mogelijk maken ook die van hen te zien. Door te leren van de verwoestende werking van het Europese imperialisme in de geschiedenis, kunnen we ook lessen trekken met betrekking tot het Amerikaanse imperialisme van dit moment.

Ondanks dat Amerika volgens een Martin Heidegger een ontologisch probleem is, is het misschien wel juist dit land dat nog iets toont van de diepere lagen van het Oude Europa: Christendom, Teutonendom en klassieke inzichten. Iemand die deze verschillende bronnen goed in kaart heeft gebracht, is Russell Kirk in zijn The Roots of American Order, waarin hij onder meer spreekt over de Anglo-Saxon inbreng in de Amerikaanse cultuur (London), naast die van "Rome", "Jeruzalem" en "Philadelphia" [17].

Zonder op deze plek en in dit stadium ook maar enigszins uitputtend te willen zijn, wil ik toch enige punten weergeven waarin het paleoconservatisme wel eens van groot belang voor ons zou kunnen zijn:

1) De paleoconservatieve Kritiek op neoconservatisme en op het monsterverbond tussen religieus rechts en dit neoconservatisme leert ons iets zien van de aard van het neo-orthodoxe christendom dat - zonder dat iedereen zich daar zo bewust van is - heeft verwijderd van het christendom van voor de Verlichting.

2) Het paleoconservatisme kan ons leren het potentieel te ontdekken van een denken als onderstroom en fundament dat niet zozeer is gelegen in de bewuste en geuite opvattingen, maar in de minder snel aantastbare structuren in de natuur, de psyche, en - zelfs - het ontologische zoals de geschiedenis dat kan illustreren.

3) Het Amerikaanse paleoconservatisme stelt ons voor de vraag hoe "moderne" paganistische vormen van conservatisme, zoals het Frankfurter Schule-conservatisme, zich verhouden tot het "oude" en "klassieke" conservatisme.

4) Het paleoconservatisme leert ons zien dat het mogelijk is, en zelfs noodzakelijk, dat paleo-orthodoxen, paleo-libertariërs, Nouvelle Droite-geïnspireerde conservatieven en andere traditionalisten samenwerken en gezamenlijk tot een (intellectueel) front kunnen komen.

De taaie natuur

Met name het tweede punt is het waard om te benadrukken: de al dan niet taaie blijvende werkelijkheid van de natuur i.c. de orde. De twijfel aan de mogelijkheid de oude orde te herstellen, en zelfs het vermoeden dat de natuur wel eens niet zo onaantastbaar zou zijn als men in oudere tijden aannam, doet in onze tijd vele Europese conservatieven in de armen van libertarisch en neoconservatief (klassiek-liberaal) denken vluchten. C.S. Lewis, niet de eerste de beste, was het die openlijk twijfelde aan de onuitroeibare nature. En in ons land sprak enige tijd geleden de conservatief Bart Jan Spruyt woorden uit in gelijke strekking [18].

Men vergeet daarbij echter wel een paar belangrijke zaken:

- Onze tijd vraagt, in het licht van externe en interne dreigingen, de noodzaak van vitaliteit en viriliteit van de Westerse cultuur, en daarmee om een kracht tot verdediging die nu niet in voldoende mate voorhanden blijkt te zijn.
- Dat veel niet-conservatieven zoals Sloterdijk, maar ook in de ecologische beweging de weg terug tot achter het (post-)modernisme wel durven te maken.
- Dat we het ons niet kunnen veroorloven onze plaats in het leven, en daarmee onszelf, uit handen te geven aan de krachten van de moderniteit die er op uit zijn alles te vernietigen wat ons dierbaar en waardevol is. Men onderschat met andere woorden, het kwaad in de ander, in zichzelf en dat er is aangericht.
- De kennis die we hebben verhindert ons voor het overleven in plaats van het leven zelf te kiezen. En het verhindert ons te stoppen met het uitdragen van deze kennis.
- We zijn verantwoording schuldig over onze daden aan onze voorouders, aan onze kinderen, aan onszelf, aan God en aan de onwetenden.

In het licht van bovenstaande punten is het onbegrijpelijk dat mensen die voorheen conservatief en/of klassiek en/of orthodox denken of dachten het primaat van de werkelijkheid uit handen hebben gegeven aan het liberalisme en daarmee het initiatief van denken en handelen in onder meer politiek, cultuur en kerk.

Gegeven het feit dat haast alle orthodoxe, conservatieve en klassieke mensen, groeperingen en stromingen zich te hebben lijken neergelegd bij de liberale schijnwerkelijkheid, en daarmee de strijd hebben opgegeven, zullen er twee conclusies moeten worden getrokken. Ten eerste: de benodigde beweging zal een andere moeten zijn dan de huidige, bestaande bewegingen; ten tweede: de benodigde beweging zal een beweging moeten zijn die oog heeft voor de grondfouten van genoemde bewegingen. Ze zal de vraag ter hand moeten hebben genomen, waarom deze bewegingen van neo-orthodoxie, neoconservatisme en neo-realisme uitlopen op een houding van aanpassing en defaitisme en ze zal daarbij bovendien de vraag moeten stellen in hoeverre deze bewegingen - die toch eertijds de hoofdstroom in onze cultuur vormden! - zelf mede de oorzaak zijn geweest van de huidige culturele wantoestanden.

We hebben dus een beweging nodig in denken, filosoferen, theologiseren en politiek bedrijven teruggrijpt op presente reserves om deze te revitaliseren en te gebruiken, om de losgeslagen cultuur en samenleving weer te grondvesten. Een beweging die er niet voor terugschrikt en terugdeinst om zelfs in de meer vergeten, groezelige en achterlijke episodes en gewesten van de geschiedenis van het Westen te gaan zoeken naar vruchtbare bodem om zo de herontdekking van het eigene te bewerkstelligen.

De kracht van Europa ligt niet in nabootsing van de VS of van China, maar in de herontdekking van het eigene. De paleo's in de VS hebben dat meer door dan wij in Europa. Daarom weten de paleoconservatieven in de VS dat elk scharen onder een neoconservatief initiatief of een fideïstische variant funest is voor elke overlevingskans van het paleoconservatieve i.c. paleo-theologische i.c. paleo-ontologische denken. Dat geldt voor Amerika, maar dat geldt ook voor Europa in het algemeen en voor Nederland in het bijzonder.

Een Nederlands paleoconservatisme

De paleoconservatieve les uit Amerika leert ons veel dingen. We leren de noodzaak en het gemis van de academie. De teleurstellende houding van de orthodoxie en het besef niet zonder de joods-christelijke orthodoxie te kunnen. Maar ook: de noodzaak van een paleoconservatief gedachtegoed i.c. denken en tegelijkertijd een besef van een tekortschieten van denken en intellectueel bezig zijn vanwege het gevaar van intellectualisme, elitarisme en vermentalisering i.c. vergeestelijking i.c. abstrahering van concrete waarheden en daarmee van de concrete werkelijkheid.

Het is dus niet alleen van belang om de noodzakelijke ingrediënten van een paleoconseratief denken te inventariseren en te verwerken, al noemen we er wel enkele: christendom, natuur, orde, de Rijksgedachte op diverse niveaus, de confederaliteit op elk niveau en elk vlak van het (maatschappelijk) bestaan, etc. Deze thema's zullen op een later tijdstip en op een andere plek nader uitgewerkt moeten worden.

Belangrijker is de vraag hoe een paleoconservatieve beweging in Nederland ontkomt aan de valkuilen van groepsdenken, partijpolitiek, kerkpolitiek, individualisme, piëtisme, aanpassing en defaitisme. Op z'n minst is hiervoor nodig een voortdurende toetsing van het paleoconservatieve denken aan de concrete werkelijkheid zelf. Door een binding en voeling met de werkelijkheid zelf die aan het denken vooraf gaat, zal een paleoconservatief proberen het non-reflexieve non-mentale bestaan te bewaren en te koesteren. De gezonde denker leeft in een verwortelde gemeenschap waarin hij leeft zonder marginaal te zijn. Zonder parasiet, querulant of dilettant te zijn. De noodzaak van een verwortelde gemeenschap zegt nog niets over de mogelijkheid ervan in onze tijd en hoe zo'n gemeenschap moet worden "vormgegeven" zonder het organische, verwortelde karakter te verliezen of anderszins kwijt te raken door het te "verideologiseren".

Het beantwoorden van deze vragen zal uitmaken of een paleoconservatieve beweging in Nederland (en Europa) levensvatbaar is, en of we zullen overleven - het leven zelf zullen behouden! Een korte aanzet tot een praktische toepassing van de laatstgenoemde vragen is hieronder gegeven.

Praktisch

Zijn er nog van zulke reservaten of kluizenaars waar kunnen (van) we leren? Wij menen van wel. Sommige tegenstanders zijn voor een paleoconservatief leerzamer dan de meeste "medestanders". De grootste filoloog van onze tijd, De Duitse filosoof Peter Sloterdijk, is zo iemand. Als geen ander beschrijft hij de huidige werkelijkheid van immanentie en mobiliteit van binnenuit in werken als Eurotaoïsme en Sferen. Sloterdijk's inzichten bieden haast analoge oplossingen met die van het paleoconservatisme om de huidige cultuur van vernietiging van reserves en van de tijd zelf, te lijf te kunnen:

"Kritiek van de politieke kinetiek zal een werktitel zijn voor studies die verricht worden op een transfacultatieve postuniversitaire "hogeschool". Die kan haar colleges overal geven waar vragen gesteld moeten worden over de juistheid van bewegingen van mensen en systemen. Zoals alles universitairachtige structuren tot nu toe heeft ook de transfaculteit van het bewegingsbewustzijn een machtsneutraal gebied nodig waar de uitvoerende macht en de belangenvertegenwoordigers van de mobilisatoren niet mogen komen - dat is sinds de Middeleeuwen een zeer goede traditie om theorieën te beschermen. Maar omdat bijna elke nu bestaande universiteit op aarde zich heeft ontwikkeld tot vooropleiding van de mobilisatie en tot cognitieve toeleveringsfirma voor de "aanval van onze tijd op de rest van de tijd" (Alexander Kluge) moet de kritiek van de politieke kinetiek andere plaatsen voor haar studies zoeken." [19]

In het reeds genoemde artikel van dr. Koenraad Elst, De paleoconservatieve les, zien we een zekere Amerikaanse equivalent van Sloterdijks suggestie: het zogenaamde homeschooling. Als paleoconservatief fenomeen gaat homeschooling gepaard met de inzet van een modern medium als internet. Met virtuele pedagogische hulpcentra en virtuele crypto-universitaire instellingen [20] is er de afgelopen jaren in de VS een systeem van onderwijs en wetenschappelijke vormgin bestaan dat geheel zelfstandig ten opzichte van de "gevestigde" instellingen en los van de burgerlijke overheden opereert.

De idee van Sloterdijk en de Amerikaanse ervaringen kunnen worden gekoppeld aan fundamentele christelijke premoderne noties: die van het klooster, die van de orde (zoals de Duitse orde), die van het verbond, die van de Canon, die van de persoonlijkheidsvorming en die van de organische gemeenschap. De werkelijkheid van zowel het Oude Europa als die van het "grassroots America" is onlosmakelijk verbonden met de natuurlijke gemeenschap. In deze gemeenschap wonen mensen niet slechts bij elkaar, maar ontspint zich in het natuurlijke leven iets van een orde, een elkaar versterken en opvangen en een onderlinge taakverdeling.

Door de klassieke christelijke gemeenschap i.c. gemeente, te zien als restauratie van de gezonde natuurlijke gemeenschap - als gemeenschap met een binnenkant en een buitenkant, kunnen ook anderen leren van de traditie van het christendom. In deze gemeenschap worden mensen sterk gemaakt, vindt er karaktervorming plaats, een intellectuele en een fysieke verdeling der taken, etc. etc. In deze "ruimte" kan een gedachtegoed i.c. levensstijl i.c. door deze dingen gevormde generatie opstaan met een offensieve en pro-actieve wijze van denken aanleren - als het ware de apologie voorbij.

De valkuil voor elke vorm van klassiek, orthodox en conservatief denken is het kunstmatige, mentale en bewustzijnsgerichte denken dat in de praktijk haast altijd een elitaire insteek inhoudt die zich afspeelt op de gevestigde academies. De paleoconservatieven kunnen en willen zich niet onttrekken aan hun posities en verantwoordelijkheden. Maar tegelijkertijd weet men dat elke gezonde man vanzelf ongezond wordt wanneer deze man langdurig in een kunstmatige, ongezonde omgeving opereert. Thomas Fleming noemde eens het Amerikaanse voorbeeld van de senator die Colorado inwisselt voor Washington en daar in de meeste gevallen sociaal, religieus en moreel verloedert. Wij menen dat een insteek bij de gemeenschap niet zozeer een garantie geeft om mislukkingen te voorkomen, maar wel een noodzakelijk startpunt is voor het opzetten van een paleoconservatieve beweging.

Concreet

Concreet betekent deze praktische insteek het volgende:

1) Paleoconservatieven moeten bij elkaar gaan wonen; individuele versnippering en netwerken is in onze samenleving een gepasseerd station. De continue beïnvloeding en de daarmee gepaard gaande verzwakking van de klassieke waarden in onze maatschappij, laat steeds minder ruimte over voor terugtrekking, afscherming of afzondering. Alleen de concrete natuurlijke gemeenschap kan een voedingsbodem zijn voor een paleoconservatieve beweging.

2) Constitutie; Net als in de VS dienen we vaste referentiepunten vast te stellen op staatkundig-maatschappelijk gebied. Op religieus gebied zijn deze historisch vrij makkelijk vast te stellen. Maar ook op staatkundig-maatschappelijk gebied is dit mogelijk door een geactualiseerde constitutie vast te stellen op basis van de Unie van Utrecht.

3) Canonvorming; Gemeenschap en Constitutie vormen de basis- en randvoorwaarden om te kunnen bepalen welke kennis van belang is en het waard is om te worden doorgegeven. Ook hier hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden, maar dienen we wel extra goed in de gaten houden dat we in Europa leven en niet in de VS.

4) Training; Niet de negentiende-eeuwse Bildungsburger, maar de organische gemeenschapsmens moet gevormd, toegerust en gefundeerd worden. Zelfstandig naar buiten toe en afhankelijk naar binnen toe (richting de basis) moet onze lijfspreuk zijn. Fysieke en intellectuele vaardigheden (gecanoniseerde kennis en daarvan afgeleide paleoconservatieve inzichten), al naar gelang ieders capaciteiten, om ieders weerbaarheid te vergroten, dienen gepaard te gaan met een toesturing op een maatschappelijke rol met de groots mogelijk maatschappelijke onafhankelijkheid en weerbaarheid.

5) Virtuele academies; Om "andere plaatsen dan de gevestigde universiteiten" te creëren, dienen we net als in de VS te komen tot virtuele academies en toerustingsplaatsen ten behoeve van "homeschooling" en aanverwante zaken.

Deze genoemde zaken staan niet in een onwillekeurige volgorde. Wij menen dat het een noodzakelijkerwijze voortkomt uit het ander of er in ieder geval op voortbouwt. Om niet in de valkuilen van neoconservatisme en andere vormen van "neo-denken" (zoals neo-orthodoxie) te vervallen dient het uitgangspunt zonneklaar te zijn: de concrete, historisch, cultureel, staatkundig en religieus gefundeerde, gemeenschap zal het beginpunt moeten zijn van elke paleoconservatieve beweging. Begint men ergens anders door enkele noodzakelijke stappen over te slaan, dan vervalt ze onherroepelijk tot haar tegenbeeld: elitarisme, activisme of formalisme. Het echec van het neoconservatisme en de met haar gelieerde Evangelical Movement in de VS, toont ons het grote "gelijk" van de paleoconservatieven: alleen een alomvattende, integrale aanpak die voortkomt uit de concrete grond van gemeenschap, familie en wortels geeft perspectief, al is succes nooit gegarandeerd. Maar dat is niet erg, sinds alleen al de term "succes" is gedegradeerd tot een aanpassingsformule in de zin van: "Wie de succesformule van liberalen en neocons volgt, krijgt vanzelf succes." Van onze Amerikaanse paleoconservatieven kunnen we leren dat we hier niets voor kopen. En laten we dat dan ook maar niet proberen.

Erik van Goor, 15 februari 2006

Noten

[1] Koenraad Elst, DE PALEOCONSERVATIEVE LES.
[2] Zie over deze "omslag van de scheppende rede": Dr. W. Aalders, Theocratie of ideologie - Het dilemma van de huidige christenheid, 's Gravenhage 1977, m.n. v.a. pag. 242.
[3] Zo zag Crèvecoeur, een van de immigranten uit de late achttiende eeuw, dat ook. Hij was Frans, katholiek, zijn buren waren Zweeds en Duits (Evangelisch-Luthers), en weer andere buren waren Spaans, enz. Ze voelden zich echter allen immigrant: dat hadden ze met elkaar gemeen, en daaraan ontleenden ze, heel bewust, hun identiteit.
[4] Paul Cliteur, Moderne Papoea’s - Dilemma’s van een multiculturele samenleving, Amsterdam/Antwerpen 2002, en Tegen de decadentie - De democratische rechtstaat in verval, Amsterdam/Antwerpen 2004. De Amerikaan Benjamin Barber doet hetzelfde op een meer (progressief-)liberale wijze in diens Jihad vs. McWorld - Terrorisme en globalisering als bedreigingen voor de democratie, Rotterdam 2002.
[5] Illustratief is de ontvangst van de laatste twee boeken van de Amerikaanse schrijver Samuel Huntington: The Clash of Civilizations en Who Are We?. Na het verschijnen van het eerste boek, waarin hij de toekomstige conflictsituatie tussen “het Westen” en “de islam” beschreef, durfde het blad Foreign Affairs - waar Huntington nota bene een oprichter van is – hem van fascistoïde neigingen te beschuldigen. De ontvangst van het tweede boek was zo mogelijk nog erger. In dat boek schetste Huntington een Amerika met een identiteitscrisis die versterkt wordt door het ongebreidelde immigratiebeleid van de neoconservatieven en de daarmee gepaard gaande multiculturaliteit. Tegenover het Verlichtingsdenken van de laatsten poneerde Huntington dat de identiteit van Amerika wordt gekenmerkt door traditie en protestantisme. Dat een (conservatieve) Democrat dit moest zeggen die ook nog een bekende van Al Gore is, was voor vele neoconservatieven onverteerbaar. In het licht van ons essay schetst dit wel de werkelijke tegenstelling in Amerika. Die is niet die tussen Republican en Democrat, maar tussen Traditioneel en Verlicht.
[6] Iets wat overigens ook de Belgische paleoconservatief Koenraad Elst doet in zijn DE EEUWIGE ORDENINGEN VAN HET MORGENLAND.
[7 Robert Lemm, DE GOEDE WILDE.
[8] Met de term “Evangelicals” worden sinds de zeventiende eeuw doorgaans alle orthodoxe protestanten in Angelsaksisch taalgebied mee aangeduid. Vaak worden de traditionele evangelicals onderscheiden van de meer moderne en charismatische neo-evangelicals. Deze neo-evangelicals komen meestal in het nieuws. Ook behoren nagenoeg alle Europese continentale “evangelischen” tot deze “neo-evangelicals”.
[9] Een treffend citaat in dezen komt van de ex-gereformeerde PvdA politicus Joop den Uyl in een interviewbundel van George Puchinger, Is de gereformeerde wereld veranderd?, Delft 1966. Den Uyl: “drie kwart van hun intellectuele energie besteden ze aan de afrekening met het verleden, en maar een klein stukje van hun intellect is vrij voor het werkelijk nieuwe.”
[10] Mooi in dezen is de uitspraak van George F. Kennan: "Yet, today, if one were offered the chance of having back again the Germany of 1913, a Germany run by conservative but relatively moderate people, no Nazis and no Communists, a vigorous Germany, united and unoccupied, full of energy and confidence, able to play a part again in the balancing-off of Russian power in Europe..."; uit: American Diplomacy - 1900-1950, Chicago 1951, p. 55/56.
[11] Of zoals K. Schilder het zei: "Het leven is er vóór de academie"; in Christus en Cultuur, Franeker 1978, p. 8.
[12] Zie hiervoor de toespraak van Frits Bolkestein, gehouden voor de Vrienden van het Gymnasium d.d. 15 oktober 2005, te vinden onder Toespraak Vrienden van het Gymnasium. Opvallende afwezige is hier het christendom. Slechts ten overstaan van een islam komt het ter sprake om het pleidooi te versterken voor een godsdienstkritiek binnen de islam, net zoals het christendom dat een half millennium heeft. De hele toespraak is één groot pleidooi voor de Verlichting, inclusief een hommage aan Hirsi Ali en een kritiek op John Gray. Beschamend voor iemand die niet alleen enkele jaren geleden nog pleitte voor het "bezield verband" dat onder meer "bezield" zou dienen te worden door de joods-christelijke erfenis, maar des te meer beschamend voor iemand die met het wegschuiven van deze joods-christelijke erfenis zijn eigen gereformeerde voorouders schoffeert en over de rand de stadsgracht induwt.
[13] Zie over deze "managerial type" van James Burnham de bijdrage van James Burnham: "The Managers Shift the Locus of Sovereignty", in Joseph Scotchie, The Paleoconservatives - New Voices of the Old Right, New Brunswick, NJ/London, 1999, p. 55.
[14] LINKS ONTDEKT HET CONSERVATISME.
[15] Koenraad Elst, DE PALEOCONSERVATIEVE LES.
[16] Lees hiervoor het In Memoriam bij het overlijden van Samuel Francis door Thomas Fleming: Samuel Francis - Requiescat In Pace Domini d.d. 16/02/2004.
[17] Russel Kirk, The Roots of American Order, Wilmington, DEL, 2003.
[18] Bart Jan Spruyt, DE WREDE BARMHARTIGHEID VAN DE LIBERALE STAAT.
[19] Peter Sloterdijk, Eurotaoïsme - over de kritiek van een politieke kinetiek, Amsterdam 1991, pag. 63.
[20] Men denke aan instellingen als Liberty Fund en Intercollegiate Studies Institute (ISI), beide te Chicago.

Bron: Erik van Goor op OpenOrthodoxie

29 januari 2006

Analyse van het Amerikaanse Paleoconservatisme door Koenraad ELST in The Brussels Journal 26 Januari 2006.

De Amerikaanse rechterzijde komt in onze media praktisch uitsluitend als karikatuur in beeld. Hun echte standpunten verneem je zelden, maar iedereen meent vagelijk te weten dat het gaat om schietgrage cowboys, racisten die negerkerken in brand steken, en bijbelvaste huichelaars die hun maîtresse tot abortus dwingen terwijl ze zelf abortusdokters vermoorden. Zo schamper stelt de linkse pers hen voor, en een bepaalde nieuwrechtse pers doet daar niet voor onder. In werkelijkheid bestaat er rechts in de VS een intellectuele bedrijvigheid van hoog niveau.

De bezinning op fundamentele beginselen en het debat onderling en met de linkerzijde zijn bij de Amerikaanse conservatieven alleszins levendiger en dieper dan gebruikelijk is bij links, dat door zijn langdurige machtspositie moreel zelfgenoegzaam en mentaal vadsig geworden is, althans wat grondvragen betreft. Inzake taktieken om de eigen macht te versterken en de vijand uit te schakelen is links wel zeer vindingrijk; daarin is rechts dan weer verbeeldingloos, inert of gewoon te ontmoedigd. In dit artikel behandelen we de veruit interessantste behoudsgezinde stroming, die tegelijk erg pessimistisch is over de kans om wat dan ook te behouden in de concrete omstandigheden waarin het Amerikaanse volk zich bevindt: het paleoconservatisme.

Verzamelpunt anticommunisme

Na de Tweede Wereldoorlog vormde het anticommunisme het natuurlijke verzamelpunt voor allerlei conservatieve stromingen. Brandpunt was het weekblad National Review van William Buckley. Deze gaf het eerste nummer de ronkende opdrachtsverklaring mee: “To stand athwart history and yell ‘stop!’” Het blad steunde de koude-oorlogshaviken inzake Taiwan, Cuba en Vietnam. Tegelijk gaf het veel ruimte voor reflectie op grondvragen en historische kwesties die als illustratie van de conservatieve inzichten dienden. Het besteedde dus ook aandacht aan het christendom als bron van duurzame overtuigingen inzake de menselijke natuur en de daaruit voortvloeiende wetmatigheden van de samenleving.

In de jaren ’60 werd het conservatisme sterk in het defensief gedrukt, zowel door het beleid van de linkse presidenten John Kennedy (1961-63) en Lyndon Johnson (1963-68), met de zware verkiezingsnederlaag van de libertair-conservatieve Republikein Barry Goldwater in 1964 als teken des tijds; alsook door de opkomende culturele stromingen die men in Europa “mei ’68” pleegt te noemen. Maar ook de nominaal conservatieve presidenten Dwight Eisenhower (1953-60) en Richard Nixon (1969-74) stelden hen diep teleur. Zelfs op het punt van het anticommunisme bleken deze presidenten onbetrouwbaar: zo kon Fidel Castro maar aan de macht komen doordat Eisenhower de Cubaanse president Batista in de steek liet. Onder de door links verguisde president Nixon werd in feite een linkse revolutie doorgevoerd, met een forse uitbreiding van het federale overheidsapparaat en zijn greep op de samenleving.

Blikvangers van de linkse triomf waren de politiek van het “busing” (geforceerde rassenintegratie van scholen door het verplichte vervoer van blanke leerlingen naar zwarte scholen en vice versa) en de opheffing van het abortusverbod in de meeste deelstaten door het Hooggerechtshof in het vonnis Roe vs. Wade. Sindsdien is de opmars van links ook onder Republikeinse presidenten en meerderheden doorgegaan. De linkse pers heeft moord en brand geschreeuwd over de rechtse president Ronald Reagan (1981-88) en de Congresmeerderheid van Newt Gingrich (1994-96), maar behalve op financieel-economisch gebied hebben die periodes geen enkele echte “zwenking naar rechts” te zien gegeven.

Het neoconservatisme

In de loop van de jaren ’70, toen links wereldwijd zijn grootste expansie bereikte, verscheen uit onverwachte hoek een belangrijke tegenstroom. Zoals in Frankrijk een handvol gauchisten zich als nouveaux philosophes tegen het communisme gingen keren, zo bekeerden een aantal trotskistische intellectuelen in de VS zich tot een strijdbaar anticommunisme. Omdat de tenoren van deze beweging joden als Norman Podhoretz en Irving Kristol waren, en zij zich de jongste jaren zo ingezet hebben voor een havikpolitiek ten gunste van Israël (bommen op en embargo tegen Irak), zegt men vandaag soms dat het enkel een intern-joodse koerswijziging betrof: omdat de Sovjet-Unie onder Stalin en zijn opvolgers anti-joods geworden was, keerden de volgelingen van de stichter van het Rode Leger (Trotski) zich af van diens Oktoberrevolutie, met als concreet doel ondermeer het breken van de Sovjet-steun aan de Arabische zaak en het afdwingen van het recht van Sovjet-joden op emigratie naar Israël.

Die voorstelling van zaken is echter veel te eenzijdig. Het is gewoon een feit dat de neoconservatieven het onder de linkse hegemonie toch gedurfde engagement aangingen om allerlei toen als rechts verguisde thema’s tot de hunne te maken: de markteconomie, de steun aan anticommunistische frontlijnstaten, het inhouden van subsidies aan moderne nepcultuur en sociaal ondermijningswerk, de afwijzing van de neo-racistische “positieve discriminatie”, en de verdediging van het gezin. Zij hebben ook bij uitstek goed geïnformeerde kritieken geschreven op de linkerzijde, bv. Podhoretz rekent in zijn boek Ex-Friends (1999) af met het New Yorkse milieu van linkse intellectuelen.

Anders dan de linkse joden respecteren neoconservatieve joden als Mona Charen bovendien het christendom als dominante cultuurfactor, ondermeer als drager van gezinswaarden, gemeenschapszin en plichtsbesef, en ook als historisch het eerste mikpunt van het verfoeide communisme. De sympathie voor het christendom wordt natuurlijk wel vergemakkelijkt door het religieuze pro-zionisme van het Amerikaanse protestantisme; neo-conservatieve joden zijn immers feller pro-zionistisch dan hun linkse volksgenoten, die veelal seculier en niet zelden pro-Palestijns zijn. Bij hun oversteek naar het conservatieve kamp brachten de ex-trotskisten wel hun internationalistisch perspectief mee: Amerikaans patriotisme was voor hen geen waarde op zich, wel een instrument in dienst van republikeinse “waarden”, vergelijkbaar met het Verfassungspatriotismus dat Jürgen Habermas de Duitsers wil aanpraten.

Uiteraard is het neoconservatisme geen exclusief joodse beweging. De meeste klassiek rechtse prominenten in Washington, bv. de bekende commentator George Will, en Republikeinse partijtenoren als William Bennett, Jack Kemp en de Bush-dynastie behoren tot deze stroming. Vandaag bezetten de neoconservatieven in de publieke arena het grootste deel van het niet-linkse veld. Hun standpunten worden in de media vertolkt door de aloude doch meegeëvolueerde National Review, het eigen neoconservatieve blad Weekly Standard, en verder ondermeer de American Spectator, de Wall Street Journal, de Washington Times en de New York Post (uiteraard niet te verwarren met de linksliberale kanonnen New York Times en Washington Post). Overigens mogen in Europa ook de Britse bladen Daily Telegraph en Spectator tot de neoconservatieve stroming gerekend worden, samen met pro-Amerikaanse figuren als Frits Bolkestein of de nouveau philosophe André Glucksmann.

Onder Ronald Reagan deelden de neoconservatieven voor het eerst in de macht. Zij heroriënteerden het buitenlandse beleid naar een pro-actief engagement ten gunste van democratie en vrije markt overal ter wereld. Zij deden Reagan doorbijten in de Koude Oorlog tot de eindzege. Op binnenlands vlak was de periode-Reagan nogmaals een teleurstelling voor de klassieke conservatieven: de overheid bleef maar groeien ten nadele van het initiatief van het individu en de deelstaten, terwijl de discriminatie van de Euro-Amerikanen en de cultuur van de political correctness steeds verder om zich heen grepen.

De paleoconservatieve oppositie

De tegenstelling tussen nieuw en oud conservatisme kwam ook in alle scherpte aan het licht: de neoconservatieven zijn voor het ongebreidelde vrije verkeer van kapitaal en arbeid, daar waar de oude rechterzijde een selectief protectionisme en immigratiebeheersing voorstond. In belangrijke opzichten hadden de neoconservatieven, en met hen de Republikeinse partij, gebroken met alles waar de term “conservatief” tot dan toe voor stond. De reactie tegen deze koerswijziging, de terugkeer naar de conservatieve wortels, noemt men het oer- of paleo-conservatisme.

Onder politici is Patrick Buchanan allicht de bekendste vertegenwoordiger van deze stroming. Hij maakte naam als journalist en als persmedewerker van de presidenten Nixon en Reagan. In 1996 deed hij een opmerkelijke gooi naar de Republikeinse presidentskandidatuur, maar hij werd nipt verslagen door de beginselloze Bob Dole (die bv. meteen verklaarde dat hij zich niet gebonden achtte door het sterk christelijk gekleurde programma dat op de partijconventie goedgekeurd was). Hij verliet de partij uit onvrede met haar uitverkoop van alle conservatieve beginselen, vooral op gebeid van buitenlands beleid. In 2000 was hij kansloos presidentskandidaat voor de marginale Reform Party, overigens met een zwarte vrouw als running mate.

Vlaggenschip van het oerconservatisme in de media is sedert 1977 het maandblad Chronicles: a Magazine of American Culture, uitgegeven te Rockford, Illinois. Hoofdredacteur is dr. Thomas Fleming, classicus. Het blad besteedt veel aandacht aan thema’s als volkssoevereiniteit en de populistische traditie in de VS; vrije wapendracht zoals gegarandeerd door het Tweede Amendement bij de Grondwet; allerlei gevallen van machtsmisbruik door de federale regering; de eindeloze cataloog gevallen van verraad door de Republikeinse partij jegens haar kiezers en haar principes; de dwaze buitenlandse avonturen van de VS in Somalië en vooral Joegoslavië; het gerechtelijk activisme waarbij rechters door formeel de wet te herinterpreteren in feite de wet wijzigen en dus de wetgevende macht usurperen, steevast in progressistische zin; het culturele analfabetisme, ook bij conservatieven die hun eigen klassieken en beginselen amper kennen; de kritische doorlichting van linkse iconen zoals Martin Luther King; de verloedering van het onderwijs en de veelvormige strijd voor de ziel van het kind.

Belangrijk strijdpunt tegen de neoconservatieven is de buitenlandse politiek, waar de paleo’s een terugkeer bepleiten naar het non-interventionisme, de positie van rechts in de beide wereldoorlogen. Chronicles geeft ook veel ruimte aan debatten over kwesties waarover in eigen kring geen eensgezindheid bestaat, bijvoorbeeld tussen vrijhandel en protectionisme. Het eerste is een rechts standpunt uit de Koude Oorlog, toen elke staatsinterventie naar communisme rook, het tweede een rechts standpunt in het immigratie- en globaliseringsdebat.

Immigratie

Het blad zoekt geen aansluiting bij het blanke (of “Euro-Amerikaanse”) activisme. Fleming drijft er af en toe de spot mee en doet “blank” zijn af als een triestig soort vervang-identiteit. Dat zwarten na het verlies van hun talen en tradities door de slavernij alleen hun ras als identiteit behielden, kan men begrijpen, maar Euro-Amerikanen moeten zich volgens hem in de eerste plaats Kelt of Duitser of Italiaan voelen, katholiek of baptist of orthodox. Wel kant de redactie zich tegen de galopperende en grotendeels illegale inwijking uit de Derde Wereld, die de Amerikaanse samenleving onherkenbaar aan het veranderen zou zijn.

Een van de belangrijkste paleoconservatieve denkers over dit onderwerp was de vorig jaar overleden Chronicles-medewerker dr. Samuel Francis, destijds ontslagen bij de neoconservatieve Washington Times wegens zijn kritiek op de immigratie. Hij kaderde de pro-immigratie-politiek van de heersende klasse in zijn analyse van de machtsevolutie in de VS. Sedert het interbellum is de macht verschoven van de oude, voornamelijk Angelsaksische elites, die de grote bedrijven, banken, universiteiten en politieke partijen in handen hadden, naar een nieuwe klasse van technocraten die al deze instellingen zijn gaan beheren. Deze machtsverschuiving noemt men de managerial revolution. In ondermeer zijn boek Beautiful Losers analyseerde Francis de decennialange terugtocht van de conservatieven en van de Amerikaanse samenleving tout court onder druk van de opmars van de linksliberale nieuwe machthebbers. Deze toenemend transnationale overclass voert een strijd tegen de oude upper class en de bredere middle class, dragers van de nationale cultuur en de oude republiek, en steunt daarin ondermeer op de eveneens toenemend transnationale underclass.

Het oude linkse argument dat immigratie een wapen van het grootkapitaal is om de lonen en de macht van de arbeidersklasse te drukken, wordt hier verrijkt met analoge argumenten op cultureel en institutioneel gebeid. Inwijkelingen zijn niet vertrouwd met noch gehecht aan de cultuur en de instellingen van de Founding Fathers, en bemoeilijken dus hun verdediging tegen de mokerslagen van de post-religieuze, post-democratische, post-republikeinse, post-Amerikaanse overclass. Als antwoord moet de Amerikaanse rechterzijde “Middle America” mobiliseren: de “echte” Amerikanen, arbeiders en zelfstandigen evengoed als academici en werkgevers.

Paleoconservatieve auteurs beseffen dat zij zich vooral tot een blank publiek richten, maar betogen dat Amerikaanse blanken en zwarten een gemeenschappelijk belang hebben inzake immigratie. De sterkste groei in carrièrekansen en inkomen van de zwarten werd genoteerd in de jaren 1925-65, toen de immigratie minimaal gehouden werd. Net als de blanke midden- en arbeidersklasse zien de zwarten vandaag hun reëel inkomen dalen als gevolg van de hoge immigratie. In de zuidwestelijke staten zijn het vooral zwarten wier plaatsen op de arbeidsmarkt en in de goedkopere woonwijken door inwijkelingen ingenomen worden. Hier blijkt echter dat politieke massabewegingen zich minder op nuchtere inschatting van concrete belangen baseren dan op basalere tendenzen: het sterke (overigens door de overclass gestimuleerde) antiblanke racisme, dat soms nog “antiracisme” genoemd wordt, verhindert de zwarten om met de blanken gemene zaak te maken voor immigratiebeperkingen.

Francis en zijn medestanders beseffen echter dat de tijd dringt en zijn erg pessimistisch over de kansen van de Amerikanen om te verhinderen dat zij verpletterd zullen worden tussen de oppermachtige overclass en een snel groeiend proletariaat uit de Derde Wereld. Het demografische aspect van dat toekomstscenario is nader uitgewerkt door Pat Buchanan in zijn boek The Death of the West (2001).

Tegenover de doordachte maar ook enigszins voorspelbare analyse van andere immigratiecritici zorgt Thomas Fleming regelmatig voor verrassende standpunten inzake etnische kwesties. Toen zwarten in Los Angeles Koreaanse winkels aanvielen en enkelen door Koreaanse eigenaars neergeschoten werden, was Flemings commentaar: vele rechtsen juichen die flinke Koreaanse ondernemers toe die zich tegen zwart schorremorrie verdedigen, maar “wat ik daar zie zijn immigranten die geboren Amerikanen neerschieten”. Enerzijds plaatst hij artikels tegen de galopperende immigratie, anderzijds wijst hij tevreden op de versterking van het door de blanken verwaarloosde christendom dankzij Latino’s en Oost-Aziatische bekeerlingen.

Lincoln-revisionisme

De duidelijke afstand tot het eigenlijke racisme (dat in de VS een vitale gedachtenstroming is met vranke spreekbuizen als American Renaissance) kan Fleming en vrienden echter niet voor de classificatie als “racist” behoeden. Zijn onvergeeflijke zonde is dat hij regelmatig een forum geeft aan de League of the South en andere pleitbezorgers van de zuidelijke Confederatie (1861-65). Deze afscheuring van zuidelijke staten uit de (grondwettig als vrijwillig en opzegbaar opgevatte) Unie werd in de Amerikaanse Burgeroorlog door president Abraham Lincoln in het bloed gesmoord. Nu de vlag van de Confederatie onder Afrikaans-Amerikaanse druk overal uit openbare gebouwen en officiële emblemen verwijderd wordt, is haar herwaardering erg “fout”. De geschiedenis van de “Oorlog tussen de Staten” is door de overwinnaars geschreven, wordt in die versie langs alle (ook neoconservatieve) kanalen gepropageerd, en is dringend toe aan een vrijmoedige herziening.

Een belangrijk Lincoln-revisionist is Joseph Sobran, germanist en van 1972 tot 1993 redacteur bij de National Review, sindsdien zelfstandig syndicated columnist. Zijn columns in diverse papieren en elektronische media worden gebundeld in een eenmansmaandblad, Sobran’s, en op zijn webstek. Bij de presidentsverkiezingen van 2000 aanvaardde hij om de kandidaat-vice-president te worden voor Howard Phillips’ marginale Constitution Party, maar hij trok zich terug toen dit onverenigbaar bleek met zijn werk als onafhankelijk commentator.

Sobran behandelt vaak historische strijdpunten. Hij geniet bekendheid als pleitbezorger van de theorie dat de werken van William Shakespeare niet door de regisseur uit Stratford geschreven zijn, wel door Edward de Vere, graaf van Oxford (zie zijn boek Alias Shakespeare, 1997, voor een verleidelijke summa van de Oxfordiaanse argumentatie tegen de Stratfordianen). Hij neemt het regelmatig op tegen de wijdverbreide “zwarte legende” van de uitmoording van de indianen door de Spanjaarden (niet van grond ontbloot, wel nog steeds fel overdreven), en voor verguisde pausen als Pius IX, die de pauselijke staten verdedigde tegen het Italiaanse nationalisme. Tijdens de recente ophef rond paus Pius XII pleitte Sobran deze vrij van de nu populaire verdenking van nazi-collaboratie, ondermeer via uitvoerige citaten ten gunste van de oorlogspaus vanwege tal van joodse tijdgenoten.

Abraham Lincoln, de president die de burgeroorlog wilde en kreeg, is één van Sobran’s favoriete mikpunten. Sobran wijst erop dat de afschaffing van de slavernij niet (zoals de Lincoln-mythe het wil) de inzet van de oorlog was, en dat dit doel net als in Engeland en de noordelijke staten met andere middelen bereikt had kunnen worden. Met minutieus bronnenonderzoek sabelt hij de moderne beeldvorming over Lincoln als verlicht antiracist neer: de president was een fel voorstander van rassenscheiding en bepleitte kolonisering van West-Afrika en Midden-Amerika om er de negers naartoe te kunnen sturen. Men kan het zich vandaag nauwelijks voorstellen, maar velen waren toen uit racisme tegen de negerslavernij, die immers een vorm van interraciaal samen-leven was. Dat alles is echter niet de kern van Sobran’s kritiek op Lincoln.

Voor hem was de grote misdaad van Lincoln veeleer dat deze, zonder daartoe gemandateerd te zijn, het karakter van de republiek totaal veranderde. De Unie der Staten was in 1776 gecreëerd als een confederatie van soevereine staten, zoals de tekst van de Grondwet en alle documenten uit die periode bevestigen. Bv, in het verdrag van Parijs (1783) legden de Britten zich neer bij de onafhankelijkheid van de staten Massachusetts, Virginia, Pennsylvania enz, niet van enige Unie. Lincoln was echter een nationalist: hij geloofde dat de onafhankelijkheid de geboorte geweest was van “een nieuwe natie”, die natuurlijk in één staat behoorde te leven, net zoals men in die tijd in de Duitse staten naar een eengemaakt Duitsland streefde.

Het is hierom dat hij de afgescheiden zuidelijke staten tot een oorlog provoceerde, zodat hij tegen hun wil de eenheid van de Unie kon herstellen. Daarbij miskende hij het recht op afscheiding, dat in de stichtende unieverdragen erkend was. Verder stelde hij als feitelijk dictator allerlei ongrondwettige daden, zoals de willekeurige arrestatie van duizenden noordelijke oorlogstegenstanders, de ontbinding van het parlement van Maryland, en de vorming van de staat West-Virginia uit de uniegezinde districten van de afscheidende staat Virginia.

Waarom is dat stuk geschiedenis nu zo belangrijk voor een commentator bij de hedendaagse politiek? Lincoln bracht een beweging van machtsoverdracht richting Washington teweeg, en deze heeft zich sindsdien steeds verder doorgezet. Een vonnis als Roe vs. Wade was in Lincolns tijd ondenkbaar, zowel inhoudelijk (niemand las in de Grondwet ooit enig verbod op een abortusverbod) als formeel (niemand betwistte het recht van de staten om over abortus wetten te maken), maar het was wel een logische uitloper van Lincoln’s politiek van machtsconcentratie in Washington ten nadele van de staten.

Abortus

Twee verschillende lijnen van conservatief engagement vinden elkaar in het verzet tegen, of althans de machteloze verontwaardiging over, Roe vs. Wade. Enerzijds was er de morele afwijzing van abortus zelf, anderzijds de juridische afwijzing van de “usurpatie” van de soevereiniteit der deelstaten door het federale bestuursniveau. De Grondwet beschouwt immers de staten als soevereine eenheden en de federale unie slechts als een afgeleid bestuursniveau. De Unie (Presidentschap, Congres en Hooggerechtshof) heeft slechts enkele welomschreven bevoegdheden die de staten uitdrukkelijk overgedragen hebben; alle restbevoegdheden, inbegrepen het verbieden danwel toelaten van abortus, blijven automatisch bij de staten.

Europese VS-waarnemers maken dat onderscheid tussen religieus en grondwetloyalistisch argument vaak niet, maar de twee zijn radicaal verschillend. Sommige religieuze ijveraars vinden dat de federale overheid in alle deelstaten abortus zou moeten verbieden, want het ongeboren leven is hun wel een schending van de grondwettige bevoegdheidsverdeling tussen staten en federaal niveau waard. Sommige libertariërs zijn daarentegen pro vrije abortus maar willen de macht van Washington minimaal houden en dulden niet dat de soevereiniteit van de staten op dit punt door het federale niveau geüsurpeerd wordt.

De paleoconservatieven combineren de beide motieven als volgt. In ieder geval was Roe vs. Wade een schending van de soevereiniteit van de staten door Washington. Het komt aan de staten toe om abortus te verbieden dan wel toe te laten. En het is dus op het niveau van de staten, de dag dat hun soevereiniteit opnieuw erkend wordt, dat christenen zouden moeten ijveren voor het herstel van het abortusverbod. Dus: trouw aan christelijke principes doen de burgers er goed aan in hun staat abortus te verbieden, maar trouw aan de grondwet moeten zij niet verlangen dat Washington dit in hun plaats doet. Zelfredzaamheid is een aloud principe van de Amerikaanse rechterzijde.

Buitenlands beleid

De historische rol van links en rechts in de Amerikaanse buitenlandse politiek wordt zelden correct weergegeven. Zo heeft bij het publiek het idee post gevat dat het militair-industrieel complex vooral op rechtse politici steunt om de VS op het oorlogspad te krijgen of te houden. Dit is in flagrante tegenspraak met het feitelijke initiatief van linkse presidenten (Lincoln, Woodrow Wilson, Franklin Roosevelt, John Kennedy) in de bloedigste militaire avonturen van de VS. Het is juist ter rechterzijde dat het wantrouwen tegen buitenlandse interventies het sterkst is. Het linkse streven om de wereld beter te maken heeft vaak tot bloedige militaire avonturen geleid, bv. toen in de 19de eeuw de Britse linkerzijde militair-koloniale interventies in Afrika eiste en verkreeg om de slavenhandel de kop in te drukken. Terwijl in Somalië en de Balkan geen enkel Amerikaans belang op het spel stond, stuurde de linkse president Clinton er troepen naartoe. De (betrekkelijk) conservatieve president Bush senior daarentegen beperkte zijn campagne tegen Irak tot de bevrijding van Koeweit, hoewel er moreel wel iets te zeggen was voor het omverwerpen van Saddam Hoessein.

Soms waren die “morele” interventies ook wel wenselijk: de negerslaven zullen de Britten zeker dankbaar geweest zijn voor hun bevrijding, zoals de Britten op hun beurt Franklin Roosevelt dankbaar waren voor zijn pogingen om de VS in de oorlog tegen Hitler te krijgen, en zoals de Koerden de gebeurlijke uitschakeling van Saddam zouden toegejuicht hebben. Maar feit blijft dat deze idealistische bemoeizucht het militair-industrieel complex betere zaakjes bezorgde dan de bedaardere realpolitik die, grof veralgemenend, meer typisch is voor conservatieve regeringen.

Na de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon kregen we als Amerikaanse proteststem tegen de oorlogsplannen van president Bush jr. vooral de linkse intellectueel Noam Chomsky te horen. Nochtans is het vooral een bepaalde rechterzijde die sinds decennia het interventionisme en de imperiale allures van de VS-buitenlandpolitiek bekritiseert. De founding father George Washington waarschuwde reeds tegen verstrikking in buitenlandse conflicten. Deze terughoudendheid is gereactualiseerd door Pat Buchanan in het boek A Republic, not an Empire (1999).

In Chronicles wijst dr. Srdja Trifkovic, nochtans een criticus van de islam, op de oorlogszuchtige waanzin die zich na de moslimaanslagen op 11 september meester maakte van de politieke leiders. Bush’ defensie-adviseur Richard Perle bepleitte de “totale oorlog”, defensieminister Donald Rumsfeld was bereid “het ondenkbare te denken”, vice-president Dick Cheney zei dat de oorlog “50 jaar kan duren en 50 landen kan treffen”, en volgens president George Bush jr. is Amerika “door de geschiedenis geroepen” om “het kwaad” te bestrijden in een oorlog zonder voorzienbaar einde. Als echte conservatief bepleit Trifkovic nuchterheid en bescheidenheid. Hij vergelijkt Bush’ titanische hoogmoed en eigengerechtigheid met de toestand in Athene na de Griekse overwinning op het Perzische wereldrijk. Athene evolueerde toen van de leider in een coalitie van soevereine stadsstaten tot de dictator van een onwillig imperium en beschadigde daarmee de vrijheidsliefde die de basis van de Griekse strijdbaarheid gevormd had: “Het resultaat was dat Griekenland voorgoed als machtsfactor vernietigd werd. Amerika zal even zeker vernietigd worden indien zijn leiders verder de wereldhegemonie blijven nastreven.”

De geestdrift voor de oorlog tegen het terrorisme leidde bovendien tot een brede bereidheid om burgerlijke vrijheden in te leveren ten gunste van de “veiligheid”, dus de macht van het veiligheidsapparaat. Samuel Francis schetst het gevaar: “Vrijheid vergaat langzaam. Zij die ze hebben worden eraan gewend ze bij beetjes te verliezen. Zij krijgen meer of minder plausibele redenen gevoederd waarom ze de vrijheid eigenlijk niet nodig hebben totdat ze, net als de mensen in George Orwell’s ‘1984’, totaal vergeten zijn dat ze ze ooit hadden of zelfs vergeten wat vrijheid is.”

De paleoconservatieven sluiten dus aan bij het aloude “isolationisme” van de Amerikaanse rechterzijde. In de conservatieve geest van bescheidenheid en voorzichtigheid verwerpen zij de rol van de VS als wereldpolitieman, en wijzen zij op het roekeloze van de havikpolitiek. Het vooruitzicht van een nederlaag nog daargelaten, herinneren zij aan de ellende die zelfs een overwinning brengen kan. In 1917 waren Frankrijk en Groot-Brittannië rijp om op de Duits-Oostenrijkse vredesvoorstellen in te gaan, maar de Amerikaanse interventie sterkte hun oorlogswil en deed de oorlog verder duren, hetgeen leidde tot verdere verwoestingen, de Oktoberrevolutie en het Verdrag van Versailles, dat later de opkomst van het nazisme zou veroorzaken. De overwinning in de Tweede Wereldoorlog maakte van het communisme een wereldmacht die het VS-kamp tot een nucleaire wapenwedloop en talloze locale gewapende confrontaties dwong. Oorlog is de wieg van revoluties, zoals Lenin goed begreep, en dat is een goede reden voor conservatieven om er niet te lichtzinnig aan te beginnen.

Israël

Anders dan de racistische stroming houdt het paleoconservatisme zich niet bezig met polemiek tegen Israël. In ieder geval zijn joodse intellectuelen hier ruim vertegenwoordigd. In Chronicles heeft de Judaica-geleerde prof. Jacob Neusner regelmatig tegen de secularisering van de maatschappij en met name van de joodse gemeenschap gepleit, tegen de vervanging van God door zionisme en holocaust als fundamenten van het jodendom. Politoloog prof. Paul Gottfried levert belangrijke analyses van de recente en hedendaagse politieke stromingen, doorgaans wars van enige fixatie op specifiek joodse belangen, al mocht hij in Chronicles voor steun aan de harde lijn van Ariël Sjaron pleiten. Commentator Don Feder schreef na het overlijden van Enoch Powell een ware lofrede op deze Britse politicus die waarschuwde dat ongebreidelde immigratie tot een bloedbad zou leiden: “Powell zal de realisatie van zijn voorspelling niet meer beleven. Uw kinderen zullen dat geluk niet hebben.”

De paleoconservatieven bepleiten niet de afstemming van de VS-politiek op die van Israël, en dat is wel een radicaal verschil met de neoconservatieven. Zo heeft Norman Podhoretz in zijn blad Commentary zeer weinig geduld met kritiek op Israël en op de pro-Israëlische politiek van Washington, ook uit het conservatieve kamp. Critici van Israël heten er onmiddellijk antisemieten, een categorie waartoe zelfs George Orwell en Aleksandr Solzjenitsyn gerekend zijn, evenals joden die onvoldoende ijver voor het zionisme aan de dag leggen, zoals Bob Novak en Noam Chomsky.

In 1986 kwam Podhoretz openlijk in botsing met Joe Sobran, toen bij de National Review, wegens diens behandeling van de zaak-Pollard. De opgepakte Israëlische spion Jonathan Pollard vormde voor vele Amerikanen, en zeker voor de veiligheidsdiensten, het bewijs dat Israël toch niet die betrouwbare vriend van de VS was. Sobran had geconcludeerd dat de nationale belangen zelfs van bondgenoten in conflict kunnen komen, en dat de VS geval per geval moesten herbekijken waar en wanneer Israël steun verdiende, eerder dan deze cliëntstaat een blanco cheque te geven. De redactie van National Review bond in, liet Sobran geen columns over het Midden-Oosten meer schrijven, en dwong hem later tot ontslag. Sindsdien is Sobran in deze kringen de felste criticus van Israël en de VS-politiek ten gunste van dat land.

De aanslagen op 11 september bevestigden hem in zijn kritiek op het verregaand Amerikaans engagement voor de Israëlische belangen. Het kan immers moeilijk ontkend worden dat de VS juist omwille van hun steun aan Israël geviseerd worden. Anderzijds is deze steun slechts een uitloper van de sinds Lincoln uitdijende Amerikaanse verstrikking in internationale conflicten.

Sobran gaf dit als zijn eerste reactie op de aanslagen: “Amerikanen zien buitenlanders niet als echt, en beseffen niet hoe diep hun regering een deel van het mensenras tegen hen in het harnas jaagt. Wij zijn best aardige mensen die er meestal geen idee van hebben hoe bullebakkerig wij op vreemden overkomen. Tot nu hadden we geen ervaring opgedaan met wat de VS-regering anderen zo vaak aangedaan heeft. (…) Een juist begrip zou ons kunnen leren hoe we kunnen vermijden, vijanden te maken. Dit vermijden is de beste landsverdediging, beter dan één die met een budget van 300 miljard dollar het WTC niet kon verdedigen. De VS is nu een wereldrijk dat zichzelf als een universele weldoener beschouwt en verbaasd is wanneer buitenlanders dat anders zien. Vroegere rijken hadden niet deze begoocheling, tegelijk te kunnen heersen en geliefd te zijn.”

Religie

Van oudsher wil links via de politiek de wereld veranderen, terwijl rechts de rol van de politiek wil beperken. Bovendien beschouwt rechts de politiek als de bovenbouw van diepere culturele feiten, daar waar links de politiek als veruitwendiging van economische machtsverhoudingen ziet. De paleoconservatieve pers besteedt daarom veel aandacht aan bredere cultuurvraagstukken, ondermeer aan de verdediging van de religie tegen het secularisme en van de geloofsleer tegen allerlei slappe modetrends in de hedendaagse kerken.

De katholieke en orthodoxe tradities blijken de voorkeur te krijgen boven het protestantisme. Chronicles gaat regelmatig in op de fouten van de Evangelische herlevingsbewegingen met hun sentimenteel élan wars van alle ernstige doctrine. Bijvoorbeeld, de Evangelische frontorganisatie Promise Keepers wil de huwelijkstrouw bevorderen en verweeft daarbij nogal wat moderne pop-psychologie met de christelijke moraal. Zo moedigt zij mannen aan om veel met elkaar te praten over hun huwelijksleven, zelfs over hun bedgeheimen. Welnu, merkt Fleming op, het is evident onridderlijk om de oeh’s en aah’s van je geliefde vrouw te grabbel te gooien.

Traditionele religie heeft vooral dit voor op het simplistisch en geëxalteerd “Jesus loves you”-gedoe: zij kent een centrale plaats toe aan een leerstuk dat in de Bijbel niet ontwikkeld en daarom door bijbelvaste protestanten niet erkend wordt, namelijk de natuurwet. Deze notie, vooral ontwikkeld door Thomas van Aquino, verklaart waarom in de VS het katholicisme als conservatiever geldt dan het protestantisme. Zo getuigt Sobran: “Katholiek worden appelleerde aan mijn reactionaire instincten. De katholieke doctrine die mij het meest aantrok was de Natuurwet – een permanente morele wet, kenbaar los van de openbaring doch daarmee in overeenstemming, oud en eeuwig en weerstandig tegen elke moderne gril.” De natuurwet, kern van het blijvende, onberoerd door de “vooruitgang”, is de natuurlijke basis van het conservatisme.

Christelijke politiek, dat betekent voor de conservatieven, zowel neo’s als paleo’s, niet het vaag-linkse conformisme van de softies die zich alleen de Bergrede en het voorbeeld van de “eerste christenen” willen herinneren, met lichtzinnige besluiten van het type: “Christus was de eerste communist”. Wel het rijpere politieke inzicht van een Augustinus of een Thomas van Aquino, en de encyclieken van de pausen uit de moderne periode. Nu de meeste kerken met de dominante ideologische wind meedraaien, wijzen de conservatieven erop dat Christus dat niet deed, en dat hij in het vigerende linksliberale systeem evenzeer een teken van tegenspraak zou zijn als destijds.

De geloofsleer is echter één zaak, het beleid van de reëel bestaande kerken een heel andere. Niemand kan ernaast kijken dat praktisch alle kerken in de VS met de linkse opiniewind meegedraaid zijn. Sommigen engageren zich daarom binnen hun kerk voor de terugkeer naar de oude waarden, de Latijnse mis en dergelijke. Wijlen Sam Francis was in paleoconservatieve kringen een van de weinigen die de keuze voor het christendom zelf in vraag durfde stellen. Als politiek commentator hield hij zich buiten ideologische speculaties over de vraag of het evangelie in essentie links of rechts is. Hij stelde alleen vast dat het christendom eeuwenlang de westerse samenleving geschraagd heeft, maar dat het in de twintigste eeuw een factor van ontbinding en afbraak geworden is. Dat bracht hem dichter bij de racistische stroming, die religie vooral instrumenteel ziet: het christendom van de arbeidsethos, de grote gezinnen en de koloniale expansie was goed, maar het christendom dat bij Europeanen alle zelfrespect en zelfverdediging afkeurt, is gewoon schadelijk.

Het einde?

Toen Pat Buchanan in 1996 tijdens de Republikeinse voorverkiezingen goed scoorde, leek het uur van het paleoconservatisme aangebroken. Het partij-apparaat was echter niet verontrust. Toen hij de partij verliet en in de presidentsverkiezingen van 2000 amper 1% van de stemmen haalde, leek dit het failliet van het paleoconservatisme te bevestigen.

In bredere conservatieve kring bestaat inderdaad een sterk pessimisme over de mogelijkheid om “het land terug te nemen”. Randgroepen spreken al van separatisme als oplossing, redden wat er te redden valt in aparte staatjes. Sam Francis waarschuwde daartegen: het is energieverspilling en zal tot niets leiden behalve dan tot het fragmenteren en verspillen van energie en uiteindelijk tot demoralisering van teleurgestelde activisten. Wat wel nut heeft is een maatschappelijk separatisme, zelforganisatie buiten de structuren van het establishment. Voorbeeld bij uitstek is het snel aan populariteit winnende homeschooling: de opvoeding van je kinderen onttrekken aan de overheid, en het gezin (of een samenwerkende groep gezinnen) herstellen in de rol van opvoedingseenheid.

In november 2001 richtte Thomas Fleming zich in een bijzonder voorwoord aldus tot de Chronicles-lezer: “Er bestaat volstrekt geen kans dat de gewone Amerikanen ooit de macht zullen heroveren voor een voldoende lange tijd om het tij te keren tegen het multiculturalisme, positieve rassendiscriminatie of (…) de roep om verontschuldigingen en herstelbetalingen. De anti-Amerikanen in beide partijen hebben bovendien de Amerikaanse soevereiniteit vernietigd door hun verliefdheid op de economische en politieke globalisering. (…) Het feest is voorbij, het is tijd om het einde vast te stellen. De strijd voor de Amerikaanse toekomst daarentegen is pas begonnen. (…) De Amerikanen hebben nog vele opties, al is geen enkele daarvan een politieke. Sommigen zullen bij hun biertje zitten wenen, anderen zullen hun leven vergooien aan haat zoals de White Power-bewegingen. Maar enkelen zullen dapper genoeg zijn om de toekomst onder ogen te zien en te beseffen dat de Westerse mens dit allemaal al eens eerder meegemaakt heeft en erin geslaagd is om enkele kostbare dingen uit de ruïnes te redden.”

Vier conservatieve programmapunten
(geformuleerd door Joe Sobran in Sobran’s, 5/1999, p.12)

“Hoe zou een echte conservatieve agenda eruit zien? Zijn eerste doel op lange termijn zou zijn, de centrale regering in te perken tot haar grondwettelijke bevoegdheden – dus een heel aantal wetten afschaffen eerder dan er nieuwe op te stapelen. (…)

“Een tweede doel moet zijn, de individuele inkomensbelasting af te schaffen, die de enorme groei van de federale macht bekostigd heeft. Zulke belasting komt immers neer op ‘onvrijwillige dienstbaarheid’, verboden door het Dertiende Amendement – en even fout wanneer we onvrijwillig de staat dienen in plaats van een privé-meester.

“Ten derde moeten conservatieven ernaar streven om de regeringscontrole over het onderwijs af te schaffen. (…) Laïcistisch staatsonderwijs ontzegt kinderen godsdienstonderricht en religieuze moraal, en is het hoofdwapen van de moderne staat tegen de christelijke beschaving.

“Ten vierde moeten conservatieven het militarisme verwerpen. Uitgaven voor ‘landsverdediging’ overtreffen verre elke nood aan verdediging en zijn de hoofdreden waarom Amerikanen vandaag teveel belastingen betalen. Oorlog is ongrondwettig tenzij voor ‘de gemeenschappelijke verdediging van de Verenigde Staten’. Steun aan oorlog moet niet verward worden met patriottisme. Conservatieven moeten er niet voor terugschrikken om ‘isolationisten’ genoemd te worden – de linkse term voor de vaderlandslievende wereldbeschouwing van Washington en Jefferson, die buitenlandse avonturen genre de Joegoslavische oorlog verwierpen. Vriendschap met andere landen, ja. Militaire allianties, nee.

“Als dit alles verwezenlijkt kan worden, dan zullen de Amerikanen opnieuw de vrijheid genieten die voor hun voorouders een vanzelfsprekend geboorterecht was Alleen al het nastreven van zulke agenda zal gewone Amerikanen helpen om te denken zoals hun voorouders en zich te verzetten tegen inbreuken op hun vrijheid.”

29 november 2005

European Son - An Interview with Alain de Benoist in The Occidental Quarterly, Fall 2005

Een bijzonder interessant interview, in het Engels, door Bryan Sylvian met de meest prominente intellectueel van de Europese Nieuw Rechtse denkstroming en grondlegger/oprichter van GRECE (Groupement de Recherche et d'Études sur la Civilastion Européene).

In dit interview uitgebracht in The Occidental Quarterly komen de verschillen van de liberale uitingen in de VS, Groot-Britannië, Europese continent aan de beurt. De visie op het het conservatisme en haar uitingen, zoals neoconservatisme en paleoconservatisme. En niet te vergeten de 'moderniteit'.

Interview met Alain de Benoist in PDF-formaat

In het zelfde nr. van The Occidental Quarterly vinden we ook een kritische kanttekening (in pdf-formaat) van Michael O'Meara op de visie van Alain de Benoist.

Benoist's Pluriversum - An Ethnonationalist Critique

Michael O'Meara is de schrijver van 'New Culture, New Right = Anti-Liberalism in Postmodern Europe', uitgegeven in 2005, een bijzondere studie over de beweging en denkstroming van en rond Alain de Benoist.

26 november 2005

Een kwetsbare en onzekere natie op zoek naar haar identiteit door S.W. COUWENBERG

Lezing tbv het symposium van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium, 15 oktober 2005

1. Natie in verwarring ?

Dat we zoals de laatste tijd vaak beweerd wordt sinds de Fortuyn-revolte en de moord op Fortuyn en Van Gogh onze onschuld als natie verloren hebben is een overdreven reactie daarop en berust op een te idealistisch zelfbeeld. Ons koloniale en daarmee samenhangende slavernijverleden wordt dan bijvoorbeeld gemakshalve buiten beeld gelaten. Wat teloor gegaan is is niet zozeer onze onschuld, maar onze naïviteit als natie, die zich vrij waande van allerlei excessen die men elders waarnam en aan de kaak placht te stellen; onze naïviteit ook als natie die sinds de jaren zestig en zeventig migranten- en vluchtelingenstromen uit sterk verschillende culturen probleemloos in haar midden meende te kunnen opnemen in de verwachting dat dat louter als een verrijking van onze nog pluriformer wordende cultuur te beschouwen viel en dus zonder acht te slaan op de aanpassingsproblemen en repercussies in de eigen samenleving die dat met zich mee zou brengen. Ja, het koesteren van enige twijfel aan het rooskleurige verwachtingspatroon van het heersende politiek correcte denken werd in de euforie over die nieuwe etnische variant van onze multiculturele traditie zelfs gekritiseerd als kwalijke uiting van cultureel racisme evenals pleidooien voor integratie en inburgering van de snel wassende stroom van allochtonen in ons midden die jarenlang blijmoedig in hun eigen taal en cultuur werden opgesloten en zodoende afgezonderd van de autochtone bevolking en haar cultuur. Wat aangetast, althans sterk getemperd is, is voorts onze morele arrogantie en zelfgenoegzaamheid die sinds de jaren zestig van linkse zijde weer sterk aangewakkerd werd met onze morele gidsland-verbeelding als uitvloeisel. Maar dat is helemaal niet erg.

Dat het na de moord op Theo van Gogh niet meer gezellig is om in dit land te wonen, ja dat het sindsdien fundamenteel veranderd is, zoals H. Hetzel, Benelux-correspondent in Nederland voor Duitstalige media, meent (1) , dat we een natie in verwarring zijn zoals commentatoren en columnisten elkaar braaf na zeggen en ook de Belgische schrijver Geert van Istendael (2) signaleert – als je niet in de war bent, hoor je er momenteel bij de spraakmakende gemeente niet meer bij zoals Volkskrant-columnist Jan Blokker in dit verband spottend opmerkte –; dat we bevangen geraakt zijn door een morele paniek (3) en in de greep van een nihilistische wanhoop (4) , een klimaat van angst en hysterie (5), ja, dat hier na de moord op Theo van Gogh sprake zou zijn van een geheel nieuwe constitutionele situatie, een ‘Ausnahmezustand’ in de zin van de Duitse staatsrechtgeleerde Carl Schmitt, zoals de conservatieve ideoloog B.J. Spruyt (6) betoogt, dat alles lijkt me ook een nogal overtrokken reactie. En dat we nu zouden leven in een stuurloos land waarin we als Nederlanders onherkenbaar geworden zouden zijn (7) is zonder meer onzin. Het beleid van het kabinet-Balkenende, hoe men daar ook over moge denken, maakt met zijn ingrijpende hervormingsagenda bepaald geen stuurloze indruk. Het lijkt er eerder op dat veel aan de weg timmerende publieke intellectuelen door de turbulentie van de laatste jaren de kluts een beetje kwijtgeraakt zijn.

Sinds de Fortuyn-revolte verkeert Nederland in een snelkookpan. Politieke verhoudingen en ijkpunten die sinds lang ideologisch vast verankerd leken, zijn daarin plotsklaps vloeiend geworden en bieden niet langer het nodige houvast. Posities die traditioneel deel uitmaakten van linkse politiek krijgen ineens een rechtse signatuur. En wat voorheen als typisch rechts gold vindt nu weerklank in het linkse geachte kamp. Op tal van terreinen is er sprake van een crisis rond woord en beeld. Representeren ze nog iets? Die representatiecrisis zien we niet alleen op het terrein van religie en kunst, maar ook op dat van de politiek, waar met allerlei ongrijpbaar geworden clichés uit het voorbije ideologische tijdperk een politiek schimmenspel wordt opgevoerd ten dienste van gevestigde posities en belangen. Ook is meer dan voorheen tot het bewustzijn doorgedrongen dat we in de snel veranderende context waarin we ons nu als staats- en cultuurnatie bevinden een kwetsbare en daardoor makkelijker te intimideren natie geworden zijn die onzeker haar weg zoekt naar een nieuw evenwicht en een nieuwe toekomst.

2. Wie zijn we als natie ?

Die onzekerheid weerspiegelt zich ook in hernieuwde aandacht voor de vraag wie en wat we als Nederlandse natie zijn en hand in hand hiermee een bescheiden reveil van neopatriottisme. Het is een vraag die jarenlang als irrelevant terzijde geschoven is door toonaangevende elites die zichzelf rekenen tot een transnationale wereldelite en daarom geen belangstelling meer zeiden te hebben voor zoiets voorbijgestreefds als de vraag naar onze identiteit als natie. Nu we van allochtonen verlangen dat zij zich in onze samenleving en cultuur integreren is dat echter een vraag die we niet langer ontlopen kunnen. De huidige onzekerheid wordt bovendien gevoed door het verval van de legitimiteit van de oude ideologisch gelegitimeerde politiek en van de daarmee gelieerde politieke constellatie en politieke gebruiken. In de Fortuyn-revolte is dat verval in alle scherpte tot het politieke bewustzijn doorgedrongen. Op saillante wijze uit dat zich in het steeds meer op drift raken van het electoraat. Het alternatief van de nieuwe politiek die die revolte bood (8), is echter nog lang niet uitgekristaliseerd in een nieuw type politieke legitimiteit.

Die onzekerheid is de laatste jaren nog verscherpt door het groeiende besef van de kloof die er gaapt tussen onze sinds de jaren zestig vergaand geseculariseerde en geëmancipeerde samenleving en een snel uitdijende etnische minderheid van islamitische signatuur in ons midden die uitingsvrijheid opeist voor een geloofspraktijk die sterk afwijkt van de heersende seculariteit; en voorts ook door de confrontatie met extremistische en terroristische uitingen van die geloofspraktijk, die het meest schokkend in de moord op Van Gogh aan de dag getreden zijn. Hoe daarop het meest adequaat te reageren is een vraag, die ons eveneens terugwerpt op onze identiteit als natie(9). Moeten we die confrontatie niet uit de weg gaan zoals een sterk op de Verlichting georiënteerde seculiere stroming wil met onder andere de rechtsfilosofen P. Cliteur en A. Ellian als prominente woordvoerders maar ook andere critici van de politieke islam zoals de eerder genoemde conservatieve ideoloog B.J. Spruyt? Of moeten we toch weer terugvallen op onze pacificatietraditie als stijlkenmerk waarmee we vroeger spanningen rond de positie en de invloed van religie in het openbare leven bezworen hebben, maar die nu door tegenstanders gekritiseerd wordt als een vorm van appeasement die herinnert aan de vooroorlogse appeasement-politiek tegenover Hitler-Duitsland?

3. Criteria

Het belang van de vraag naar onze identiteit als natie is vorig jaar onderstreept in een advies van de Onderwijsraad aan de regering. Het belang van onze nationale, i.h.b. culturele identiteit als bron van sociale cohesie wordt daarin nadrukkelijk op de politieke agenda gezet, in het bijzonder als opdracht van het onderwijs op alle niveaus. In antwoord daarop heeft de minister van Onderwijs M. van der Hoeven vijf belangrijke adviesorganen van de regering gevraagd haar te adviseren over de canon die onze culturele identiteit markeert. Die canon (eigen cultureel erfgoed) biedt nu de context voor het actuele debat over culturele identiteit en diversiteit. Daarbij valt ongetwijfeld heel wat scepsis te overwinnen van degenen die zich als wereldburgers tot het verlichte deel der natie rekenen en een dergelijke culturele identiteit nog steeds met gepast dédain plegen te bejegenen en ontkennen. Een van hen, de rechtsfilosoof H. van Gunsteren (10) , is inmiddels overstag gegaan. Wel meent hij dat we die culturele identiteit nu opnieuw moeten uitvinden, althans uit diep stof moeten opgraven, nadat we haar zo lang ontkend hebben. Maar zo moeilijk is dat toch niet, lijkt me, als we de oogkleppen van het abstracte en wereldvreemde kosmopolitisme afzetten dat veel intellectuelen jarenlang in zijn ban had.

De vraag naar onze identiteit als natie staat al sinds begin jaren negentig opnieuw ter discussie(11). Het is een vraag die sinds de jaren zestig steeds meer in de plaats treedt van de vraag naar het Nederlandse volkskarakter vanwege de conservatieve, want statische connotatie die daaraan kleeft. Over de vraag hoe die identiteit als dynamisch fenomeen te omlijnen doen veel intellectuelen nog altijd heel moeilijk zoals bijvoorbeeld de juist geciteerde rechtsfilosoof Van Gunsteren. Ik zie te dien aanzien een viertal oriëntatiepunten die daarbij richting kunnen geven, te weten de aanwezigheid van een eigen taal, een eigen geschiedenis, een eigen stijl van samenleven, en de wijze waarop die identiteit zich in specifieke cultuuruitingen manifesteert. In Nederland is dat laatste bijvoorbeeld in onze literaire traditie, onze typisch Hollandse schilderkunst en de wijze waarop hier generaties lang het landschap vorm gegeven hebben. Het is vooral de typisch Hollandse schilderkunst van de Gouden Eeuw geweest die in dit verband genoemd wordt als specifiek Nederlandse cultuuruiting. Dankzij een door de Nederlandse Taalunie geëntameerd actief vertalingsbeleid gaat onze literaire productie nu in internationaal verband ook een grotere spelen als specifieke cultuuruiting. In de wijze waarop de afgelopen eeuwen ons landschap en de stedenbouw vorm gegeven is met meer dan 3.000 polders, een rijke schat aan watersteden en andere eigenaardigheden, uit zich ook een specifiek Nederlandse identiteit, al raakt dat door allerlei internationale invloeden wel in verval en daardoor minder opmerkelijk (12).

4. Verharde stijl van samenleven

De laatste jaren is er sprake van een verharding van de mentaliteit en van de stijl van samenleven. De leuze van Fortuyn: “Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg” wordt in dit verband vaak aangehaald als verklaring hiervoor. Die leuze was echter een reactie op de sinds de jaren zeventig heersende links georiënteerde politieke correctheid waardoor afwijkende standpunten en opvattingen die nu vrij algemeen aanvaard worden weinig of geen ruimte kregen en via politieke taalmanipulatie met kwalijke etiketten als racisme en fascisme gestigmatiseerd en daarmee buiten de heersende orde geplaatst werden. Fortuyn heeft de zwijgende meerderheid die zich daaraan steeds meer ergerde een krachtig vertolkte stem gegeven.

Tolerantie betekent historisch gezien de plicht tot eerbiediging van het recht van anderen om anders te denken en daaraan openlijk uiting te geven. Dat recht is de laatste decennia door die terreur van links georiënteerde politieke correctheid onderdrukt met de Fortuyn-revolte als normale historische reactie op niet langer aanvaardbare scheefgroei in de publieke opinievorming. Dat die reactie daarna in zekere mate is doorgeslagen, is historisch gezien niet ongewoon. De afgelopen jaren hebben we dat ook gezien met de neoliberale reactie op een overspannen geraakte verzorgingsstaat, resulterend in overdreven verwachtingen van marktwerking als oplossing van maatschappelijke problemen; en voorts met de seksuele revolutie van de jaren zestig. De wijze waarop die afrekende met de seksuele repressie en taboes van voorheen, is op bepaalde punten eveneens doorgeslagen (13). Op de Fortuyn-revolte en de populistische reactie die daarop gevolgd is, is het stempel gedrukt van ‘confrontational listening’, d.w.z. dat er meer tegen elkaar geschreeuwd wordt dan naar elkaar geluisterd (14). Dat is juist en heel ordinair, maar niet nieuw. Tijdens de ‘teach-inns’ van de rebellerende jaren zestig-generatie was die conversatiestijl al heel gebruikelijk. En in veel politieke discussies sindsdien is dat niet veel veranderd.

Dat tolerantie ook de plicht zou inhouden andere opvattingen en denkbeelden te respecteren zoals nu beweerd wordt in de discussie over de islam en de moslimcultuur, is een overspannen opvatting van onze tolerantietraditie, want onverenigbaar met de vrijheid van meningsuiting waartoe uiteraard eveneens het recht op religie- en ideologiekritiek behoort en dus ook het recht op islamkritiek. Dat pacificatie en niet polarisatie kenmerkend zou zijn voor onze Nederlandse geschiedenis en identiteit (15) is slechts ten dele juist. Aan die pacificatie gingen telkens pittige polarisatieprocessen vooraf: religieuze (Rome versus Reformatie) en maatschappelijke (klassenstrijd) confrontaties en politieke confrontaties zoals de religeus-politieke antithese sinds eind 19e eeuw tussen de traditioneel christelijke en een nieuwe seculier-liberale opvatting van de Nederlandse identiteit met de verzuiling als uitvloeisel.

Maar dat betekent niet dat we vanwege die confrontaties altijd op de rand van een burgeroorlog gebalanceerd hebben en dat onze veelvuldig geprezen tolerantie louter op inbeelding berust zoals de journalist en historicus J. Blokker (16) in dit verband opmerkt. De geschiedenis van Nederland is zowel een geschiedenis van grote tegenstellingen en rivaliteiten als van veel energieverslindende inspanningen om die vreedzaam te beteugelen (17). Als vrucht daarvan behoort tolerantie nog altijd tot een van de stijlkenmerken van onze nationale identiteit, al zijn er natuurlijk ook op dit punt schommelingen in de mate waarin dat stijlkenmerk zich manifesteert.

_______________________________

1. H. Hetzel, Terrorisme in plaats van kaas: van Frau Antje naar Mohammed B., Internationale Spectator, april 2005
2. Zie G. van Istendael, Mijn Nederland, 2005
3. Zie o.a. F. Buijs, Waarom het islamitisch extremisme tot introspectie dwingt, Socialisme en Democratie, 1/2, 2005
4. Zie B. Heijne, Lage landen, NRC Handelsblad, 12 maart 2005
5. Zie G. Mak, a.w. (noot 54) en het interview met Groen Links fractieleider F. Halsema in NRC Handelsblad, 12 maart 2005
6. B.J. Spruyt, Conservatieve identiteit tegen linkse uitverkoop, in: Hoe nu verder?, 2005
7. Zie A. Ramdas, Nederland op scherp, NRC Handelsblad, 9 mei 2005; en P. van Os, Nederland op scherp: buitenlandse beschouwingen over een stuurloos land, 2005
8. S.W. Couwenberg, De Fortuyn-revolte en de behoefte aan een nieuwe politiek, Streven, januari 2005
9. Zie voor 44 heel uiteenlopende reacties op die kwestie Hoe nu verder?, 2005
10. H. van Gunsteren, Woordenschat voor verwarde politici, 2003, p. 65
11. Zie o.a. K. Koch en P. Scheffer, Het nut van Nederland, 1996; en S.W. Couwenberg (red.), Nationale identiteit – van Nederlands probleem tot Nederlandse uitdaging, Civis Mundi jaarboek 2001
12. Zie A. Betsky, Overheid, herneem de zorg voor de openbare ruimte, NRC Handelsblad, 27 januari 2005
13. Zie S.W. Couwenberg (red.), Seksuele revolutie ter discussie, Civis Mundi jaarboek 2005
14. Zie B. van Stokkom, Hedendaagse intolerantie, Filosofie, 4, 2003
15. Zie G. Mak, Gedoemd tot kwetsbaarheid, 2005
16. Zie J. Blokker, Somber volk, De Volkskrant, 3 april 2005
17. Zie P. de Rooy, Republiek van Rivaliteiten, 2002; idem, Juist tegenstellingen horen bij Nederland, Trouw, 2 april 2005

18 november 2005

BETEKENIS EN VRUCHTEN VAN DE FORTUYN-REVOLTE door S.W. COUWENBERG in TeKoS nr. 114




1. Tragische rol LPF

Als erfgenaam van de Fortuyn-revolte markeert de LPF de overgang naar een nieuwe politiek zoals die na Leefbaar Nederland door Fortuyn aan de orde is gesteld. Door het politieke lot heeft de LPF daarbij een tragische rol toebedeeld gekregen. De enige troost voor haar is dat wat haar is overkomen niet zelden voorkomt in de strijd om politieke macht. Een aardige illustratie hiervan is bijvoorbeeld de politieke rivaliteit in de 19e eeuw tussen Gladstone en Disraeli, respectievelijk leider van de Liberale en de Conservatieve partij in Engeland. Als liberale premier was Gladstone voornemens het kiesrecht uit te breiden. Disraeli was daar als zelfbewust aristocraat en verdediger van de oude politiek in Engeland aanvankelijk mordicus tegen. Toen het kabinet-Gladstone over een agrarische kwestie ten val kwam en nieuwe verkiezingen uitgeschreven werden, stortte Disraeli zich welgemoed in de verkiezingsstrijd en merkte al ras tot zijn ontsteltenis dat kiesrechtuitbreiding sterk leefde onder de kiezers van die tijd. Prompt wendde hij daarop de politieke steven, won de verkiezingen en bracht vervolgens als premier die kiesrechtuitbreiding op zijn naam en die van zijn Conservatieve partij die op die manier haar aansluiting en greep op de politieke ontwikkeling in meer democratische richting heeft weten te behouden. In een cartoon uit die tijd wordt dat politieke spel uitgebeeld met Gladstone die in zee aan het zwemmen is en Disraeli die op het strand naar de kleren van Gladstone sluipt en er daarna mee aan de haal gaat. De LPF is in zekere zin iets dergelijks overkomen.
In organisatorisch opzicht nog helemaal in de steigers staande en na de moord op Fortuyn verweesd en stuurloos achterblijvend met een gebrekkige, want overhaast tot stand gekomen selectie van Tweede Kamerleden, viel haar ineens een ongelooflijk grote politieke macht ten deel maar werd zij als gevolg daarvan tegelijk ook met een grote politieke verantwoordelijkheid opgezadeld die op dat moment haar krachten verre te boven ging. Dat dit allerlei interne spanningen en ruzies tot gevolg had was in het licht van dit alles niet verwonderlijk. Die interne spanningen werden bovendien sterk in de hand gewerkt doordat de LPF zich zonder omwegen bij de kabinetsformatie betrekken liet en onmiddellijk als regeringspartij aan een nieuw kabinet ging deelnemen met alle problemen van dien. Van die interne spanningen en problemen heeft de oude politiek met CDA en VVD als belangrijkste exponenten daarvan handig gebruik gemaakt om de LPF snel op een zijspoor te rangeren. Na haar zodoende als belangrijkste belichaming van die nieuwe politiek uitgeschakeld te hebben probeert de oude politiek nu op haar beurt in het voetspoor van de Fortuyn-revolte nieuwe politieke wegen te verkennen.

2. Fortuyn als voorbeeld

Al is LPF als koploper in de strijd voor een nieuwe politiek uitgeschakeld, die strijd gaat onverminderd voort. De weerzin tegen de heersende politieke klasse onder kiezers is nog steeds groot. Vandaar dat de oude politiek volop in beweging is gekomen, al meent Femke Halsema, fractieleider van Groen Links in de Tweede Kamer dat politiek Den Haag vooralsnog weinig geleerd heeft van de Fortuyn-revolte. Niettemin tonen CDA en VVD zich nu plotseling bereid hun jarenlang volgehouden taaie verzet tegen versterking van het democratische gehalte van de Nederlandse politiek op te geven. D66 maakt op haar beurt van de schok van de Fortuyn-revolte dankbaar gebruik om die versterking in haar geest handen en voeten te geven. In het voetspoor van wat die revolte inmiddels heeft losgewoeld wordt nu ook steeds meer geknaagd aan andere vermolmd geraakte structuren zoals bijvoorbeeld de dichtgetimmerde en in zichzelf gekeerde netwerken van het grote bedrijfsleven. Die worden nu namelijk door de gedragscode Tabaksblat eindelijk open gebroken.
Opvallend is hoe Fortuyn, nu hij niet langer als politieke concurrent te duchten valt, ten voorbeeld gesteld wordt om zijn politieke visie en stijl, niet het minst in linkse kringen waar hij het meest verguisd is. PvdA-leider Wouter Bos ziet in Fortuyn nu degene die de tekenen des tijds verstaan heeft en vindt dat zijn partij daar de nodige lessen uit moet trekken. Ook het CDA is op zoek naar een nieuwe positiebepaling nu zijn vroegere rol als brug tussen socialisme en liberalisme is uitgespeeld. Dankzij VVD-leider Jozias van Aartsen waait er in diens partij ook een nieuwe wind. In het kerstnummer van Vrij Nederland werd Van Aartsen geprezen voor zijn moed ronduit te zeggen wat hij denkt. Hoort u hier niet de echo van Fortuyn? Wat in Fortuyn nog zondermeer werd afgekeurd hoort nu ineens tot de goede toon. Dankzij de Fortuyn-revolte is er in de VVD nu volop ruimte voor een discussie over politieke en bestuurlijke vernieuwing. VVD-staatssecretaris M. Rutte kan ongestraft uitroepen dat het huidige systeem van politieke partijen failliet is en dat hij liefst dat hele huidige politieke circus zou laten ontploffen. In het 24e jaarboek voor het democratisch socialisme van de Wiardi Beckman Stichting worden de partijen van de oude politiek opgevoerd als oude diva’s die hun vergane glorie onder dikke lagen make-up en flatteuze kleding proberen te camoufleren.

3. Fortuyn als belichaming Nieuwe Politiek

De Fortuyn-revolte betekent naar mijn inschatting een beslissende doorbraak naar een nieuw concept van politiek. Vanuit de hokjesgeest van de oude politiek hebben Fortuyn’s vijanden hem in het hokje van het rechtse populisme proberen te duwen en hem zodoende verdacht gemaakt als Nederlandse representant van het rechtse extremisme in andere Europese landen en in de vorige eeuw tijdens het interbellum. Maar nieuw in zijn politiek is juist dat hij in geen enkel ideologisch of politiek hokje van de oude politiek te vangen is, tenzij in dat van de liberale beschavingstraditie zoals die sinds de liberale revoluties van de 18e eeuw tot ontwikkeling is gekomen, liberaal dus opgevat in een bovenpartijpolitieke zin. Die niet aan een bepaalde ideologie gebonden opstelling blijkt ook uit de zeer geschakeerde aanhang die op 15 mei 2002 op Fortuyn gestemd heeft. Ik interpreteer de Fortuyn-revolte op dit punt dan ook anders dan de socioloog Dick Pels in zijn boeiende analyse van de geest van Pim. Hij meent namelijk dat Fortuyn voorstander was van een reïdeologisering van de pol